Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA3505

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
23-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/1521 en 06/1522
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending hoorplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummers: AWB 06/1521 en 06/1522

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door H.B.J. Berntzen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heumen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerder van 22 februari 2006 inzake last onder dwangsom ter beëindiging bewoning opstal (Besluit I).

Besluit van verweerder van 22 februari 2006 inzake weigering vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) (Besluit II).

2. Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2004 heeft verweerder eiser aangeschreven om binnen zes maanden na verzending van het besluit de bewoning van de opstal, gelegen aan het [adres] te [plaats], te (doen) beëindigen en daartoe de inboedel uit de woning te (doen) verwijderen. Indien niet wordt voldaan aan deze last verbeurt verzoeker een dwangsom van € 2.000 per maand dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 200.000. Bij besluit op bezwaar van 31 januari 2005 heeft verweerder de last gehandhaafd, met dien verstande dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot zes weken na verzending van het besluit. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit. Verweerder heeft vervolgens de begunstigingstermijn verlengd totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist. De voorzieningenrechter heeft, al kortsluitende in de hoofdzaak, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht het besluit van 6 september 2004 geschorst tot zes weken nadat (opnieuw) op het bezwaar van eiser is beslist.

Daarop heeft eiser het bestreden besluit I van 22 februari 2006 genomen. Bij dat besluit heeft hij het bezwaar wederom ongegrond verklaard en het besluit van 6 september 2004 gehandhaafd, met dien verstande dat de begunstigingstermijn geldt tot zes weken na de verzenddatum van de begeleidende brief.

In het kader van zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 6 september 2004 heeft eiser verzocht om een vrijstelling te verlenen ingevolge artikel 19 WRO, eerste lid, teneinde de opstal aan het [adres] om te zetten naar dienstwoning en de bestaande dienstwoning om te zetten naar burgerwoning. Bij besluit van 31 januari 2005 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit II heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen deze besluiten is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 februari 2007. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door H.B.J. Berntzen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door ir. R.E.M.M. Bolmers en drs. J.A.C. Desmares.

3. Overwegingen

De opstal is in 1970 vergund als paardenstal. Na verwoesting door brand in 2001 is op 27 juli 2002 bouwvergunning verleend voor een gebouw met eenzelfde omvang. Voorts heeft verweerder aan [X] en [Y] een persoonsgebonden gedoogbeschikking afgegeven om in de opstal te kunnen blijven wonen. Ter zitting van de voorzieningenrechter is gebleken dat na de herbouw [X] en [Y] de opstal niet langer hebben bewoond.

Ingevolge artikel 5:21 Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1997" heeft het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden I (agrarisch productiegebied)".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften hebben de aangegeven gronden de functie van agrarisch productiegebied en zijn deze bestemd voor – onder meer- de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onderdeel a, sub 4, van de planvoorschriften is per bedrijf slechts één bedrijfswoning toegestaan.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en opstallen te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in of krachtens het plan aan deze gronden gegeven bestemming en met het in of krachtens deze voorschriften ten aanzien van het gebruik van deze gronden en opstallen bepaalde. Uit het voorgaande volgt dat gebruik voor bewoning niet is toegestaan.

Ten aanzien van het bestreden besluit I

Verweerder heeft aan het bestreden besluit I ten grondslag gelegd dat het oordeel van de rechtbank, dat de bewoning van de opstal niet is toegestaan inmiddels rechtens onaantastbaar is, en dat nader onderzoek met betrekking tot het bewijs inmiddels dit strijdig gebruik heeft aangetoond.

De voorzieningenrechter heeft in 05/628 overwogen, dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat er sprake is van een strijdig gebruik, en dat deze daarin niet is geslaagd. In het bijzonder acht de voorzieningenrechter daarbij van groot gewicht dat verweerder desgevraagd heeft meegedeeld dat niet is geconstateerd dat eiser, of iemand anders, in de opstal overnacht. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat uit het feit dat personen in de opstal zijn waargenomen in casu niet zonder meer kan worden afgeleid dat deze personen de opstal bewonen. Eiser heeft in het kader van die procedure ook niet betwist dat er personen in de opstal aanwezig zijn, maar heeft daaromtrent aangegeven dat deze personen aanwezige zijn ten behoeve van het hoveniersbedrijf. Deze stelling achtte de voorzieningenrechter niet op voorhand ongeloofwaardig. Hij kwam dan ook tot de slotsom, dat de waarnemingen waar verweerder de aanschrijving op had gebaseerd, niet voldoende zijn om te kunnen aannemen, dat er sprake is van illegale bewoning.

Ter voorbereiding van het bestreden besluit I heeft verweerder een nieuw onderzoek verricht naar het gebruik van de opstal. Daartoe zijn gedurende een periode van twee weken diverse medewerkers van de gemeente met name ’s avonds langs de betreffende opstal gereden om te kijken of er aanknopingspunten voor bewoning waren.

Vervolgens hebben twee toezichthouders in dienst van de gemeente op woensdag 8 februari 2006, om 15.55 uur, het perceel aan [adres] bezocht (de bedrijfswoning). Daar achter staat de voormalige paardenstal. Volgens het “rapport van bevindingen” heeft eiser tot twee maal toe gezegd in de voormalige paardenstal te wonen.

Bij die gelegenheid genomen foto’s van het interieur van de woning, met onder andere een slaapkamer, een volle linnenkast, keuken, badkamer en een huiskamer, zijn bij het genoemde rapport gevoegd.

Eiser heef er ter zitting nogmaals uitdrukkelijk over geklaagd, dat hij niet gehoord is naar aanleiding van de controlerapportages die ter voorbereiding van het bestreden besluit zijn uitgevoerd. Ondanks het feit dat hij ter zitting nog het een en ander naar voren heeft kunnen brengen, heeft hij benadrukt het toch wenselijk te vinden dat het besluit om deze reden wordt vernietigd en dat hij alsnog door verweerder wordt gehoord.

Op grond van artikel 3:2 van de Awb moet een beslissing, dus ook een nieuwe beslissing op bezwaar, zorgvuldig worden voorbereid.

In art. 7:2 lid 1 Awb is niet een algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak waarbij de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd. Onder omstandigheden kan het uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk zijn om belanghebbenden te horen alvorens een nieuwe beslissing te nemen. Een dergelijke situatie doet zich hier naar het oordeel van de rechtbank voor.

Bovendien verlangt artikel 7:9 Awb dat belanghebbenden opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord over na de – eerste- hoorzitting bekend geworden feiten en omstandigheden die voor de nieuwe beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij op grond van de gemaakte foto’s tot de conclusie is gekomen, dat sprake is van een volledig ingerichte woning. Daarmee was de situatie voor verweerder duidelijk en is eiser niet gehoord. Deze foto’s en de overige onderzoeksresultaten, die dateren van na de hoorzitting ten behoeve van de eerste beslissing op bezwaar, zijn voor verweerder derhalve van aanmerkelijk belang geweest, als bedoeld in art. 7:9 Awb. Het feit dat de nieuwe beslissing op bezwaar op dit punt niet anders was dan de eerste beslissing op bezwaar is niet van belang, omdat die beslissing juist vanwege dit punt was vernietigd en in het bestreden besluit door verweerders van een nieuwe motivering is voorzien. Nu eiser niet in de gelegenheid is gesteld over de onderzoeksresultaten te worden gehoord, is het bestreden besluit totstandgekomen in strijd met art. 7:9 Awb.

De rechtbank ziet mede gezien het belang van de hiervoor aangehaalde onderzoeksresultaten voor de bestreden beslissing geen aanleiding om schending van deze essentiële verplichting te passeren en zal het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond verklaren en verweerder opdragen met inachtneming van het hiervoor overwogene een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Als overweging ten overvloede wijst de rechtbank verweerder op het navolgende. De last onder dwangsom omvat onder meer de verplichting om de inboedel uit de opstal te (doen) verwijderen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd geantwoord dat hij niet weet of het gebruik van de opstal voor kantoordoeleinden of als bedrijfskantine op grond van de planvoorschriften is toegestaan. Die vraag is van belang, aangezien voor een dergelijk gebruik van de opstal enige inboedel benodigd zal zijn. Het komt de rechtbank daarom wenselijk voor als verweerder in het nieuw te nemen besluit ter beantwoording van de vraag of de last wel strekt tot het geëigende doel, verduidelijkt wat er exact verwijderd dient te worden uit de opstal.

Ten aanzien van het bestreden besluit II

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft verweerder geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van een berging in woonruimte op het perceel kadastraal bekend gemeente Overasselt, sectie G 516, plaatselijk bekend [adres] te [plaats].

Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 september 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Daartegen heeft eiser hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd in de uitspraak van 17 mei 2006, registratienummer 200508567 / 1, LJ-nummer : AX2117.

De rechtbank stelt vast dat de Afdeling heeft uitgesproken, dat het bestemmingsplan ter plaatse slechts één bedrijfswoning toestaat en dat voor het overige de geldende bestemming geen bewoning toelaat. Voorts heeft de Afdeling uitgesproken dat verweerder in redelijkheid kan vasthouden aan zijn huidige en toekomstige beleid om in het buitengebied geen nieuwe woningen toe te staan en om die reden het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

Hoe eiser zijn vrijstellingsverzoek thans ook moge inkleden, het verzoek is er mede op gericht om de bewoning van voornoemde opstal mogelijk te maken, waardoor het aantal woningen zal toenemen. Gelet op het rechtens onaantastbare oordeel van de Afdeling dienaangaande, heeft verweerder op goede gronden ook bij het thans bestreden besluit de vrijstelling terecht geweigerd. De overige door eiser hiertegen aangevoerde gronden behoeven geen bespreking meer.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit II van 22 februari 2006 inzake de weigering van een vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid van de WRO geen doel treffen. Dit beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht inzake het beroep tegen het bestreden besluit II geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

De rechtbank acht evenmin termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in zijn beroep tegen het bestreden besluit I van 22 februari 2006 inzake de last onder dwangsom, nu van dergelijke kosten niet is gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I van verweerder van 22 februari 2006 inzake een last onder dwangsom gegrond;

vernietigt het bestreden besluit I;

draagt verweerder op om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat de gemeente Heumen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 141 aan hem vergoedt;

verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II van verweerder van 22 februari 2006 inzake de weigering van een vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid van de WRO ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.G.A. Nijmeijer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Litjens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: