Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA3504

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
24-04-2007
Zaaknummer
05/930269-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft een 34-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor het doodschieten van zijn neef. Doodslag is bewezen. Het beroep van de advocaat op noodweerexces wordt door de rechtbank verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Verkort vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/930269-06

Datum zitting : 13 februari 2007, 10 april 2007

Datum uitspraak : 24 april 2007

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, Ir.Molsweg 5 Arnhem.

Raadsman : mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 2 november 2006 te Zaltbommel, in elk geval in de gemeente Zaltbommel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, met een pistool, in elk geval een vuurwapen, een aantal kogels/projectielen (totaal ongeveer 11) heeft geschoten in en/of op en/of in de richting van het lichaam (de rug en/of nek) en/of in en/of op en/of in de richting van het hoofd (achterhoofd) en/of in en/of op en/of in de richting van een of meer (andere) lichaamsdelen (o.a. een hand) van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 2 november 2006 te Zaltbommel, in elk geval in de gemeente Zaltbommel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk met een pistool, in elk geval een vuurwapen, een aantal kogels/projectielen (totaal

ongeveer 11) heeft geschoten in en/of op en/of in de richting van het lichaam (de rug en/of nek) en/of in en/of op en/of in de richting van het hoofd (achterhoofd) en/of in en/of op en/of in de richting van een of meer (andere) lichaamsdelen (o.a. een hand) van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 10 april 2007 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen:

• [benadeelde partij] te [woonplaats]

De officier van justitie heeft verzocht verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde feit vrij te spreken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Op 2 november 2006 is te Zaltbommel in de Burgermeester Cambier van Nootenstraat [slachtoffer] overleden tengevolge van de inschot van kogels in zijn achterhoofd en rug. Deze kogels (circa 11) zijn afgeschoten door verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat deze kogels door verdachte niet met voorbedachten rade op [slachtoffer] zijn afgevuurd.

Ten eerste niet omdat verdachte heeft verklaard dat hij geen vuurwapen bij zich had toen hij die middag van 2 november 2006, rond de klok van 14.00 uur, [slachtoffer] ontmoette in de Burgermeester Cambier van Nootenstraat. Het was volgens hem juist [slachtoffer] die een pistool bij zich had. De verklaringen van verdachte zijn geloofwaardig. Twee getuigen hebben toen en aldaar [slachtoffer] met een wapen gezien ([getuige 1] en [getuige 2]). Ook vinden de verklaringen van verdachte ondersteuning in verklaringen van vele getuigen omtrent een gebeurtenis in de ochtend van 2 november 2006. [slachtoffer] heeft die ochtend een fiets gegooid voor de auto waarin verdachte en [betrokkene] zaten. Vervolgens heeft [slachtoffer] een pistool gericht op verdachte en [betrokkene]. Verder heeft een getuige verklaard dat [slachtoffer] tegen haar zei: “dat hij hiermee vandaag nog niet klaar was” en “dat ze nog niet van hem af zijn” Dit zei hij tegen haar nadat hij haar over het door hem anders gekleurde voorval met de fiets verteld had; hij zou zijn aangereden.

Ook blijkt uit verklaringen van vele getuigen dat [slachtoffer] een rancune jegens verdachte koesterde. In de avond van 18 oktober 2006 is [slachtoffer] met zijn auto tegen een lantaarnpaal gereden. Volgens [slachtoffer] had verdachte hem van de weg gedrukt ofwel was dit in opdracht van verdachte geschied. Na de aanrijding is – volgens [slachtoffer]- uit de kofferbak van de auto 5 of 20 kg natte weed gestolen. Tegen de politie heeft [slachtoffer] die avond verklaard dat hij verdachte dood zou schieten. In ieder geval wilde [slachtoffer] dat verdachte hem door betaling van Euro 15.000 zou schadeloosstellen.

Ten tweede niet omdat op generlei wijze uit het onderzoek is gebleken dat verdachte eenmaal in het bezit van het pistool op enig moment na (kort) beraad het pistool op verdachte heeft leeggeschoten (zie het onder 5 overwogene).

Een en ander brengt mee dat de rechtbank het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wel het subsidiair tenlaste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft dit bekend; hij verklaart: “Toen heb ik geschoten tot het wapen het niet meer deed”, “Ik heb gericht op hem geschoten”.

Dit evenwel met dien verstande dat verdachte het feit alleen heeft gepleegd. Alhoewel twee getuigen die nabij waren en van meet af aan aanwezig ([getuige 3] en [getuige 4]), hebben verklaard dat zij vier mannen hebben gezien tijdens de schietpartij en een getuige heeft verklaard dat [getuige 2] bij verdachte was toen hij schoot, is van enige bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en een ander danwel anderen verder niets naar voren gekomen uit het onderzoek.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 2 november 2006 te Zaltbommel, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk met een pistool, een aantal kogels (totaal ongeveer 11) heeft geschoten in de richting van het lichaam (de rug en/of nek) en in de richting van het hoofd (achterhoofd) en in de richting van andere lichaamsdelen (o.a. een hand) van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien subsidiair:

“doodslag”

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Door verdachte is een beroep gedaan op (extensief) noodweerexces. De rechtbank oordeelt over dit verweer als volgt.

Toen verdachte na een bezoek aan de Julianastraat 88 te Zaltbommel naar zijn auto liep, kwam hij [slachtoffer] tegen. [slachtoffer] had een pistool bij zich (zie het hiervoor onder 3 overwogene). Met dat pistool in de hand bedreigde [slachtoffer] verdachte met de woorden dat hij hem zou doodschieten. Verdachte heeft dit verklaard en de rechtbank acht dit aannemelijk gelet op het hiervoor onder 3 overwogene en gelet op de navolgende gebeurtenis die eerder die dag plaatsvond. Door vele getuigen is verklaard dat [slachtoffer] die dag, rond 13.00 uur, een ontmoeting heeft gehad met de vrouw van verdachte. Tijdens die ontmoeting heeft [slachtoffer] aangegeven dat hij Euro 15.000 van verdachte wilde hebben en gedreigd de wagen van verdachte in de brand te steken met de vrouw en kinderen van verdachte erbij.

Door de bedreiging door [slachtoffer] met een pistool in de hand bevond verdachte zich in een noodweersituatie. Verdachte heeft deze situatie -naar eigen zeggen- gekeerd (beëindigd) door het pistool van [slachtoffer] af te pakken. Ook deze verklaring van verdachte acht de rechtbank aannemelijk; immers [slachtoffer] had een pistool bij zich, verdachte aanvankelijk niet, en verdachte heeft een pistool leeggeschoten op [slachtoffer].

Anders dan de officier van justitie primair van mening is, is noodweerexces niet van de baan wanneer de noodweersituatie is geëindigd. Ook een verdediging die pas begint na afloop van de (dreigende) aanranding kan schuld aan het gebeuren uitsluiten. Het gewraakte handelen moet dan wel zijn ingegeven door een hevige gemoedsbeweging die direct verband houdt met de aanranding. Dit zogenaamde extensieve noodweerexces staat de raadsman voor ogen.

De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of hiervan sprake was.

Over zijn schieten nadat hij het pistool van [slachtoffer] had afgepakt, heeft verdachte het navolgende verklaard:

Op de vraag waarom hij niet is weggelopen verklaart verdachte onderscheidenlijk:

”Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat hij mij toch wel zou gaan doodschieten en mijn gezin. … Hij zei: “kankerhond ik schiet je toch kapot en je gezin erbij”.

“Ik schoot omdat ik bang was en ik dacht echt dat hij toch wel mij en mijn gezin zou gaan vermoorden.”

“Ik was op dat moment zo bang, ik kan het moeilijk beschrijven wat er dan door je heengaat, maar het gebeurde gewoon uit angst. Ik kan het niet uitleggen waarom ik wel schoot. Ik denk dat ik ook schoot omdat [slachtoffer] riep dat hij mij en mijn vrouw en kinderen toch kapot zou schieten. Ik was bang. Ik dacht wel dat hij dit ook zou zijn gaan doen als hij daar de kans voor kreeg. Ik denk dat ik ook schoot om mijn vrouw en kinderen te beschermen.”

En op de vraag of verdachte spijt heeft van wat er gebeurd is, verklaart hij: “Ik heb dit niet gewild, maar het was op dat moment hij of ik”.

Naar het oordeel van de rechtbank geven de verklaringen van verdachte bloot dat hij in een hevige gemoedsbeweging het pistool heeft leeggeschoten op [slachtoffer]. Deze hevige gemoedsbeweging -en dit is subsidiair ook door de officier van justitie betoogd- was evenwel niet in overwegende mate het directe gevolg van de onmiddellijke wederrechterlijke aanranding bestaande uit het dreigen door [slachtoffer] met een pistool in de hand, welke aanranding was beëindigd. De verklaringen laten juist zien dat de drijfveer om te schieten in overwegende mate werd veroorzaakt door de dreiging van [slachtoffer] daarna en dat die vooral bestond uit de wens van verdachte om een einde te maken aan een angst die hem beving voor de toekomst: de bedreiging van [slachtoffer] dat hij verdachte en zijn gezin toch wat zou gaan aandoen. Aannemelijk is ook dat die angst eveneens stapelend is gevoed door -kort gezegd- bovenomschreven fietsincident die ochtend (verdachte heeft verklaard dat hij kort voor het fatale gebeuren boos de woning aan de Julianastraat was uitgelopen omdat zijn broer aangifte had gedaan van de bedreiging met een pistool die ochtend wat verdachte niet had gewild) en door de ontmoeting tussen [slachtoffer] en zijn vrouw rond 13.00 uur die dag (verdachte zou daarover volgens zijn eigen verklaring gebeld zijn door zijn vrouw). Aan dit oordeel doet niet af dat aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging (angst voor de toekomst) de voorafgaande, reeds beëindigde, wederrechtelijke aanranding ook heeft bijgedragen.

Dat het handelen van verdachte overging van een afwenden van gevaar door het afpakken van het pistool in een aanval door te schieten vanwege de angst voor de toekomst, wordt ondersteund door het feit dat [slachtoffer] in de rug en in het achterhoofd is getroffen en door de verklaring van de getuige [getuige 3], die verdachte heeft zien schieten op (een) weglopende man(nen). [slachtoffer] had zich afgewend van verdachte.

Een en ander brengt mee dat de rechtbank het beroep op noodweerexces verwerpt.

Er is voorts geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden -ook niet uit de hieronder aangehaald Pro Justitia-rapportage- waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 3 november 2006;

• een verslag van een voorgeleidingsconsult door B. Gotink, psychiater Forensisch Psychiatrische Dienst; d.d. 24 november 2006 en een brief van T.S. van der Veer, psychiater NIFP;

• een brief van drs. G.M. Jansen, GZ-psycholoog, gedateerd 15 februari 2007.

• een multidisciplinair rapport opgemaakt door drs. L.H.W.M. Kaiser, psychiater, en drs. G.M. Jansen, GZ-psycholoog, respectievelijk gedateerd 23 februari 2007 en 02 april 2007, betreffende verdachte;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 16 maart 2007, betreffende verdachte;

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Uit de hierboven aangehaalde ProJustitia-rapportage blijkt dat verdachte volgens de deskundigen ten tijde van het tenlastegelegde niet leed aan een ziekelijke stoornis noch aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens zodat hij alstoen als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. De deskundigen achten een behandeling niet geïndiceerd.

Het feit dat verdachte verweten kan worden is een zeer ernstig feit; een feit met een onomkeerbaar gevolg: de dood van [slachtoffer] die zijn naasten veel verdriet heeft berokkend. Bij een dergelijk feit past geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Echter ook dient het navolgende in beschouwing genomen te worden.

Door de onderzoekend psychiater en psycholoog wordt verdachte gekenschetst als een conflictvermijdende man. Dit blijkt ook wel uit het strafblad van verdachte waarop geen geweldsdelict voorkomt. Verdachte is blijkens het vooroverwogene getergd door [slachtoffer] die het conflict met verdachte die dag in ieder geval twee keer heeft opgezocht en die bij verschillende gelegenheden heeft aangegeven dat verdachte en zijn gezin niet veilig waren voor hem. Aannemelijk is dat verdachte zonder dit optreden van [slachtoffer] het feit niet had begaan.

Het wapen is verdachte ook in zekere zin terhandgesteld; [slachtoffer] had het kennelijk met kwade bedoelingen meegenomen. Het handelen van verdachte is vanuit deze invalshoek bezien dan ook begrijpelijk, hoezeer ook aan hem verwijtbaar, hij heeft immers de grenzen van een redelijk denkend mens ver overschreden met zijn reactie op de dreigende opstelling van [slachtoffer].

Vanwege deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf te hoog is. De rechtbank acht daarom -gelet ook op bandbreedte van de straffen die in de regel worden opgelegd in geval van doodslag- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navolgende duur passend.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de

gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [benadeelde partij] behoort tot de kring van voegingsgerechtigden die in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering worden genoemd. Zij heeft overeenkomstig dit artikel opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De rechtbank acht de vordering niet van eenvoudige aard, nu deze onvoldoende is gemotiveerd en er geen specificaties zijn overgelegd, zodat de benadeelde partij in het onderhavige strafgeding in de vordering niet-ontvankelijk is. Mogelijk kan de benadeelde partij de schade verhalen via de burgerlijke rechter.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. J.P. Bordes, rechter, als voorzitter,

mr. M.C. Gerritsen, rechter,

mr. R.J. van Dam, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.A. Plantenga, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2007.