Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA3423

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
AWB 06/4597
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WVG voorziening in de vorm van scootermobiel. Ondeugdelijk advies CIZ aan het besluit ten grondslag gelegd. Advies strijdig met advies medisch specialist. Artikelen 3:2 en 7:12 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/4597

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. T.H.M.M. Kusters,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 7 augustus 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een voorziening ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), bestaande uit een scootermobiel, afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduid besluit heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 22 februari 2006 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 20 november 2006. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E. Tielbeke.

Omdat tijdens het onderzoek ter zitting gebleken was dat relevante medische informatie niet aan de gedingstukken was toegevoegd, heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:64 van de Awb het onderzoek geschorst en verweerder verzocht deze stukken alsnog in het geding te brengen. Na ontvangst van de stukken en na van partijen de daarvoor vereiste toestemming te hebben verkregen heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb beslist dat een nadere zitting achterwege kan blijven en het onderzoek gesloten.

3. Overwegingen

Aan de afwijzing van de aanvraag om een scootermobiel ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat er geen medische indicatie aanwezig is voor deze voorziening. Verweerder verwijst voor de motivering van dit standpunt naar het advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) van 7 februari 2006 en het aanvullende advies van 19 juli 2006. De in het verleden uitgebrachte deskundigenadviezen brengen verweerder niet tot een ander standpunt.

Eiseres is van mening dat zij in aanmerking dient te komen voor een scootermobiel.

Zij verwijst met name naar de verklaring van de behandelend reumatoloog, dr. M.J.A.M. Franssen, van 7 maart 2006 waarin gesteld wordt dat eiseres niet in staat is een fiets met hulpmotor aan te trappen. Voorts wijst eiseres erop dat de gemeente Ubbergen waar zij voorheen woonachtig was, op basis van nagenoeg dezelfde medische informatie wel een vervoersvoorziening als hier in geding is, verstrekt heeft. Derhalve worden op basis van dezelfde informatie wisselende conclusies getrokken.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.

Eiseres is op 16 augustus 2005 van de gemeente Ubbergen naar [woonplaats] in de gemeente Nijmegen verhuisd. Daar de gemeente Ubbergen in respectievelijk 2004 en 2005 een vervoersvoorziening in de vorm van een handbewogen rolstoel en een scootermobiel heeft verstrekt, heeft zij deze voorzieningen nu ook in de gemeente Nijmegen aangevraagd.

In dit geding is alleen de afwijzing van een scootermobiel aan de orde. Verweerder heeft in verband met deze aanvraag een medisch advies gevraagd aan het CIZ. Door het CIZ is op 7 februari 2006 een negatief advies met betrekking tot de gevraagde voorziening uitgebracht omdat eiseres geen grote beperkingen ondervindt waardoor zij niet in staat is langere afstanden lopende of fietsend af te leggen en met het openbaar vervoer te reizen. Dit advies is verduidelijkt in het (nader) advies van het CIZ van 19 juli 2006.

Onder de gedingstukken bevindt zich verder een brief van dr. Franssen, reumatoloog verbonden aan de Sint Maartenskliniek te Nijmegen, van 2 maart 2006 waarin deze verklaart dat eiseres bekend is met uitgebreide degeneratieve afwijkingen in de lumbale wervelkolom met discopathieën (verschuiving ruggenwervels) op vrijwel alle lumbale niveaus. Daarnaast heeft zij uitgebreide aanhechtingspijnen rond en in de gewrichten en op peesaanhechtingen rond het bekken en de schoudergordel. Tevens heeft zij pijnklachten in het perifere skelet en de huidziekte psoriasis. In 2002 heeft zij een myocardinfarct doorgemaakt en is zij ook bekend met een neurologisch beeld met cerebrale infarcten. Haar (bewegings)klachten zijn progressief.

Deze arts verklaart dat het voor eiseres onmogelijk is een fiets aan te trappen met een hulpmotor en snapt niet waarom, in tegenstelling tot het verleden, een scootermobiel is afgewezen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvg wordt onder gehandicapte verstaan, een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten de woning verplaatsen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening. De raad van de gemeente Nijmegen heeft hieraan gevolg gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Nijmegen 1996 (hierna: de Verordening).

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening kan een gehandicapte voor een vervoersvoorziening in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek

a. het gebruik van het openbaar vervoer of

b. het bereiken van dit openbaar vervoer

onmogelijk maken.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank overweegt vooraleerst dat door de eis te stellen dat voor de belemmeringen die belanghebbende stelt te ondervinden een somatische oorzaak moet kunnen worden aangewezen, wordt uitgegaan van een te eng begrip ziekte of gebrek. Ook klachten zonder duidelijke ziekteoorzaak kunnen leiden tot beperkingen in de zin van artikel 1, eerste lid aanhef en onder a, van de Wvg (Centrale Raad van Beroep, 20 maart 2002, LJN AI5816).

Voorts overweegt de rechtbank, dat indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ingevolge artikel 3:9 van de Awb ervan moet vergewissen dat het onderzoek van die adviseur op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. In dat verband dient het advies zowel qua wijze van totstandkoming als qua inhoud te voldoen aan dezelfde eisen van zorgvuldigheid die gelden bij de voorbereiding van het besluit zelf. Daarnaast dient het advies inzichtelijk en logisch te zijn. Daarmee wordt bedoeld dat duidelijk moet zijn of de bevindingen van de adviseur op eigen onderzoek zijn gebaseerd en dat moet worden vermeld of andere deskundigen zijn ingeschakeld en zo ja, welke invloed hun standpunten op het advies hebben gehad. Voorts zullen, teneinde recht te doen aan de eis van inzichtelijkheid van het advies, de onderliggende stukken moet worden bijgevoegd. In het algemeen geldt nog dat het advies aan strengere eisen moet voldoen naarmate de invloed van het advies op het te nemen besluit groter is. Tot slot zal verweerder zich, alvorens tot besluitvorming over te gaan, ervan moeten vergewissen dat het advies aan de hierboven vermelde eisen voldoet.

Vastgesteld wordt dat het standpunt van verweerder, zoals verwoord in het bestreden besluit geheel berust op de adviezen van dr. Van den Heuvel, keuringsarts bij het CIZ, neergelegd in diens rapportages van 7 februari en 19 juli 2006.

De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag geplaatst of de adviezen van het CIZ aan de hierboven vermelde eisen voldoen zodat deze als grondslag voor het bestreden besluit kunnen dienen. De rechtbank beantwoordt deze vraag in ontkennende zin en overweegt daartoe als volgt.

Voor de totstandkoming van het eerste advies heeft de keuringsarts van het CIZ overleg gevoerd met de huisarts, waarbij deze het gehele dossier van eiseres heeft overgelegd. Alvorens het tweede advies uit te brengen heeft de keuringsarts de behandelend reumatoloog geraadpleegd zodat aangenomen moet worden dat de keuringsarts ook bekend is met diens hierboven vermelde en in samengevatte vorm weergegeven brief van 2 maart 2006. Naar aanleiding van deze informatie wordt gesteld dat de informatie van dr. Franssen overeenkomt met de informatie die in het dossier aanwezig is. Vervolgens wordt geconcludeerd dat eiseres gebruik kan maken van een fiets met hulpmotor zodat geen indicatie voor een scootermobiel aanwezig is.

Gelet op het feit dat de adviezen van het CIZ zijn gebaseerd op dezelfde medische informatie als de brief van dr. Franssen, komt de conclusie van het CIZ dat eiseres geen aantoonbare beperkingen ondervindt, de rechtbank onbegrijpelijk voor. Doorslaggevend hierbij acht de rechtbank dat uit het (tweede) advies van het CIZ niet blijkt wat de reden is waarom de keuringsarts afwijkt van het oordeel van dr. Franssen dat eiseres geen gebruik kan maken van een fiets met hulpmotor en een scootermobiel geïndiceerd is. Het ter zitting door de gemachtigde van verweerder verwoorde standpunt dat meer waarde wordt gehecht aan het advies van de keuringsarts omdat deze onafhankelijk is, kan de rechtbank reeds gelet op het bovenoverwogene niet volgen. Dit klemt te meer nu dr. Franssen in tegenstelling tot de keuringsarts een specialist is op het gebied van de medische klachten van eiseres. De rechtbank overweegt in dit verband verder dat ook de door verweerder bij brief van 27 november 2006 ingebrachte medische informatie geen nieuw licht werpt waarom het CIZ een geheel andere visie heeft op de gevolgen voor eiseres van de door haar gestelde medische klachten.

De rechtbank neemt in dit verband nog in aanmerking dat door verweerder evenmin gemotiveerd wordt wat de reden is waarom het CIZ thans stelt dat eiseres in staat is langere afstanden te lopen en van het openbaar vervoer gebruik te maken terwijl de rechtsvoorganger van het CIZ, het Regionaal indicatieorgaan Nijmegen en omstreken (RIO), in zijn advies van 23 maart 2004 heeft vastgesteld dat eiseres in staat is ongeveer 300 meter te lopen en datzelfde RIO in januari 2005 aangaf dat zij nog geen 100 meter kon lopen.

Gelet op het bovenoverwogene heeft verweerder het CIZ advies niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen zodat dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb niet in stand kan blijven. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Voor vergoeding van door eiseres geleden schade en wettelijke rente bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de gemeente Nijmegen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de gemeente Nijmegen het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 38 aan haar vergoedt.

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: