Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA3416

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
AWB 05/302
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetschade bij twee benzinestations door verminderde bereikbaarheid ten gevolge van werkzaamheden in het kader van revitalisering van industrieterrein Het Broek te Arnhem in 2000 en 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/302

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X] B.V., eiseres,

gevestigd te Arnhem, vertegenwoordigd door mr. M.R.J. Baneke,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 december 2004.

2. Procesverloop

Op 5 december 2000 heeft eiseres verweerder verzocht haar de omzetschade te vergoeden die haar benzinestations aan de Van Oldebarneveldtstraat 91 en de Dr. C. Lelyweg 31 te Arnhem hebben geleden ten gevolge van de werkzaamheden in het kader van de revitalisering van het industrieterrein Het Broek te Arnhem in de jaren 2000 en 2001.

Bij besluit van 7 mei 2004 heeft verweerder het verzoek van eiseres om compensatie van een bedrag van € 83.143,88 wegens winstderving onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie als bedoeld in artikel 5 van de Nadeelcompensatieverordening Arnhem Centraal 1997 (hierna te noemen: de adviescommissie) van 19 september 2003 afgewezen. Bij dit besluit heeft verweerder deels in navolging van voornoemd advies van de adviescommissie aan eiseres een nadeelcompensatie toegekend van € 10.081,91 en € 3.445,- terzake van de door de deskundige gemaakte kosten alsmede € 2.488,20 wegens schade aan de vloeistofdichte vloer.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 7 mei 2004 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 10 oktober 2006. Namers eiseres is aldaar [Y] verschenen, bijgestaan door mr. M.R.J. Baneke. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.C.L. Beks.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat het advies van 19 september 2003 van de adviescommissie betreffende het verzoek om nadeelcompensatie op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en voldoende is onderbouwd. Nu eiseres geen tegenadvies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd noch overigens heeft aangetoond dat niet in redelijkheid op het advies mocht worden afgegaan, heeft verweerder dan ook dit advies aan zijn beslissing ten grondslag kunnen leggen.

Eiseres kan zich niet verenigen met de hoogte van het toegekende bedrag aan nadeelcompensatie van € 10.080,91 en heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de commissie gebezigde redenering over het substitutie-effect en de toegepaste berekening onjuist is en dat de overgelegde email van [Z] van Shell als een tegenadvies van een deskundige te beschouwen is.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres exploiteert al tientallen jaren een benzinestation aan de Van Oldebarneveldtstraat 91 te Arnhem en sinds 1991 eveneens een benzinestation aan de Dr. C. Lelystraat 31 te Arnhem. Het tankstation aan de Oldebarneveldtstraat is in de maanden september en oktober 1996 verbouwd en is in verband daarmee gesloten geweest. Het benzinestation aan de Lelyweg is in de periode november 1999 tot en met februari 2000 verbouwd en is ongeveer drie maanden gesloten geweest.

Beide tankstations zijn gelegen op het industrieterrein Het Broek op ongeveer 2400 meter afstand van elkaar. Op het industrieterrein Het Broek is naast de beide tankstations nog één ander tankstation gevestigd.

In de omgeving van het tankstation aan de Lelyweg zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd:

- periode december 1995 t/m maart 1997 vervanging riolering en wegdek Driepoortenweg;

- 1997-1998 vervanging riolering en wegdek Blankenweg;

- juli 1999- mei 2000 aanleg rotonde P. Calandweg;

- juli 2000-januari 2001vervanging riolering en wegdek Simon Stevinweg;

- november 2000-februari 2001 vervanging riolering en wegdek Dr. C. Lelyweg.

In de omgeving van het tankstation aan de Van Oldebarneveldtstraat zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd:

- najaar 1999-maart 2000 werkzaamheden aan de Broekstraat; Oldebarneveldtstraat alleen van zuidelijke richting toegankelijk;

- maart 2000-maart 2001 vervanging riolering (maart-december 2000) en wegdek (maart 2000-januari 2001 en maart 2001) Van Oldebarneveldtstraat en L.J. Costerstraat;

- maart 2000 t/m juni 2001 werkzaamheden aan de Nieuwe Kade;

- september 2000-december 2001 werkzaamheden aan de Westervoortsedijk;

- mei 2000-juli 2001 aanleg nieuwe waterkering (door het Waterschap).

De beide tankstations zijn gedurende de uitvoering van al deze werkzaamheden nooit geheel onbereikbaar voor klanten geweest. Het tankstation aan de Lelyweg was met name van juli 1999 tot mei 2000 moeilijker bereikbaar voor klanten.

Het tankstation aan de Oldebarneveldtstraat is gedurende nagenoeg een jaar slechts via opengebroken onverharde weggedeelten – en van april tot en met oktober 2000 uitsluitend via een noodweg over het spoorwegemplacement – te bereiken geweest, terwijl de straat bovendien gedurende ongeveer zes maanden (najaar 1999/voorjaar 2000) uitsluitend vanuit zuidelijke richting bereikbaar was. Vanaf oktober 2000 is juist de toegang tot de straat vanuit het zuiden gedurende een aantal maanden belemmerd geweest als gevolg van de uitvoering van ingrijpende werkzaamheden aan de Westervoortsedijk.

Verweerder heeft met instemming van eiseres het verzoek van eiseres om vergoeding van de ten gevolge van de zogenoemde “revitaliseringswerkzaamheden” geleden schade aangemerkt als een verzoek op grond van de Nadeelcompensatieverordening Arnhem Centraal 1997 met als gevolg dat de daarin genoemde adviescommissie is ingeschakeld om advies uit te brengen over de hoogte van de geleden schade.

In haar advies heeft de adviescommissie in de omzetbewegingen van de beide benzinestations over de jaren 1994 tot en met 2001 en de perioden van (weg)werkzaamheden en sluitingen vanwege verbouwingen een dusdanige samenhang gezien dat zij heeft vastgesteld dat er tussen beide tankstations sprake is van een aanmerkelijk substitutie-effect. Met andere woorden, indien het ene tankstation gedurende enige periode niet of minder goed bereikbaar is (en daardoor tijdelijk omzet in dit tankstation wordt misgelopen) bezoeken meer klanten het andere station (waardoor de omzet van dat tankstation tijdelijk groeit) en vice versa.

Om bij de vaststelling van de gerealiseerde brandstofomzet over de jaren 2000 en 2001 per tankstation het substitutie-effect als gevolg van de beide tijdelijke sluitingen te elimineren, is de adviescommissie bij de beide tankstations niet uitgegaan van de gedurende die periode werkelijk gerealiseerde omzetten doch van de omzetten die elke van de beide stations gedurende die maanden verwacht had mogen worden op basis van de omzetten, die gedurende diezelfde maanden in de voorafgaande jaren (vanaf 1995) zijn gerealiseerd.

Voorts heeft de adviescommissie de te verwachten brandstofomzet over de jaren 2000 en 2001 per tankstation vastgesteld door rekening te houden met een eventuele trend

(structurele stijging of daling) in de omzetontwikkeling van elk van beide tankstations in

de jaren direct voorafgaand aan de schadeperiode.

De aldus gecorrigeerde omzetcijfers geven daarmee de omzetten weer die hadden mogen worden verwacht indien de werkzaamheden niet waren uitgevoerd (en ook geen sprake was geweest van tijdelijke sluitingen van de tankstations). Deze omzetcijfers heeft de adviescommissie vergeleken met de berekende gerealiseerde brandstofomzet en aldus de gederfde brandstofomzet vastgesteld. Vervolgens heeft de adviescommissie gelet op de relatie tussen de brandstofomzet en de shopomzet op grond van de gederfde brandstofomzet de gederfde shopomzet berekend.

Voor wat betreft de vraag of er nadeel is dat redelijkerwijs geheel of gedeeltelijk ten laste van eiseres dient te blijven, heeft de adviescommissie een aftrek wegens van normaal maatschappelijk risico toegepast van 15 % van het berekende nadeel.

De rechtbank overweegt als volgt.

Centraal in dit geschil staat de vraag in hoeverre verweerder zich bij zijn besluit mocht baseren op het advies van de adviescommissie. Op grond van artikel 3:9 van de Awb dient indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, een bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Dit geldt ook voor de inhoud van het advies, zij het dat in het geval sprake is van een deskundigenadvies de toetsing marginaal kan zijn. De vraag die beantwoord moet worden is derhalve of verweerder zich in redelijkheid op het advies van de adviescommissie heeft kunnen baseren.

De rechtbank acht allereerst de aftrek van 15% van het berekende nadeel wegens normaal maatschappelijk risico niet onredelijk. Dat eiseres er voor heeft gekozen om geen verzoek om vergoeding van de schade in te dienen die zij stelt te hebben geleden in de jaren 1995 tot en met 1999 komt voor haar rekening. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat de uitgevoerde werkzaamheden tot doel hadden het bedrijfsterrein waar beide benzinestations van eiseres zijn gelegen te revitaliseren. Ook eiseres heeft hier naar mag worden aangenomen baat bij gehad.

De rechtbank stelt voorts vast dat partijen niet van mening verschillen over het feit dat als uitgangspunt bij de berekening van de schade door de verkeersbesluiten dient gelden dat door dezelfde verkeersbesluiten genoten voordeel in mindering gebracht kan worden. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte uit is gegaan van een een-op-een substitutie-effect zonder rekening te houden met andere factoren. Zij wijst er daarbij in de eerste plaats op dat verweerder geen rekening heeft gehouden met het feit dat de ingrijpende renovatie van het benzinestation aan de Dr. C. Lelyweg op zichzelf genomen ook tot een omzetstijging heeft geleid. In de tweede plaats is geen rekening gehouden met het feit dat zich nog verschillende andere benzinestations in de directe nabijheid bevinden, zodat het onaannemelijk is dat bij alle klanten van eiseres bij mindere bereikbaarheid van het ene tankstation allemaal naar het andere tankstation van eiseres zijn gegaan. Voorts voert eiseres aan dat verweerder bij de aannames over de omzet gedurende de periode dat het benzinestation aan de Dr. C. Lelyweg werd verbouwd zich niet zonder meer kon baseren op de maandomzetcijfers uit de periode 1995-1999. Ook in deze periode was namelijk sprake van verminderde bereikbaarheid wegens werkzaamheden aan wegen in de omgeving van het benzinestation, waardoor de omzet lager was dan verwacht mocht worden. Door met deze aspecten geen rekening te houden, komt verweerder naar de mening van eiseres op een te laag schadebedrag uit.

De rechtbank is van oordeel dat het gelet op het feit dat beide benzinestations van eiseres op betrekkelijk korte afstand van elkaar zijn gelegen het op zichzelf redelijk is aan te nemen dat bij verminderde bereikbaarheid van een van beide benzinestations dit tot een omzetstijging van het andere station leidt. Terecht concludeert de adviescommissie op basis van de omzetcijfers dat er sprake zal zijn geweest van een substitutie-effect. Gelet op het feit dat er tussen beide benzinestations van eiseres nog een ander benzinestation is gelegen en er in de nabije omgeving nog diverse benzinestations zijn, kan er echter niet vanuit gegaan worden dat het substitutie-effect een-op-een loopt, dat wil zeggen dat niet de volledige toename van de omzet in een bepaalde maand toegeschreven kan worden aan de verminderde bereikbaarheid van het andere benzinestation. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank tevens voldoende aannemelijk gemaakt dat de herinrichting van het benzinestation aan de Dr. C. Lelyweg zelfstandig tot een omzetstijging heeft geleid. De rechtbank tekent hierbij wel aan dat deze omzetstijging voor een deel ook ten koste zal zijn gegaan van de omzet van het station aan de Van Oldebarneveldtstraat. Voorts acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat de werkzaamheden die in de periode 1995-1999 in de omgeving van het station aan de Dr. C. Lelyweg hebben plaatsgevonden invloed hebben gehad op de omzet. Dat eiseres over deze periode geen schade heeft geclaimd betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat bij de berekening van de omzet over de jaren 2000 en 2001 met dit gegeven geen rekening gehouden hoefde te worden. De adviescommissie heeft dit niet in aanmerking genomen.

Nu verweerder het advies van de adviescommissie op genoemde onderdelen onverkort heeft overgenomen oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Het besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit dienen te nemen.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige stellingen van eiseres geen bespreking meer.

De rechtbank acht termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten van € 644 en wijst de gemeente Arnhem aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de gemeente Arnhem het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 273 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.A. van Schagen als voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. E. Klein Egelink als rechters en in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2007.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: