Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA3291

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
146316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De curator stelt dat de rechtshandelingen tot verkoop en levering van de genoemde woning zijn verricht met het oogmerk om het verhaal dat de boedel heeft op gedaagde te verminderen c.q. illusoir te maken. Op grond van het bepaalde in artikel 2:248 lid 9 juncto artikel 3:45 BW moeten die rechtshandelingen daarom volgens de curator worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 146316 / HA ZA 06-1778

Vonnis van 21 maart 2007

in de zaak van

Mr. [eiser]

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE HEKSENDANS B.V.,

wonende te Nijmegen,

eiser,

procureur mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek,

advocaat mr. C.B. Houtman te Nijmegen,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna de curator, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 december 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 8 februari 2007.

Ten behoeve van die comparitie van partijen is een brief met bijlagen d.d. 24 januari 2007 van de procureur van de curator ontvangen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van deze rechtbank van 16 november 2005 is De Heksendans BV in staat van faillissement verklaard met aanstelling van eiser als curator.

2.2. Witchcraft BV is sinds 31 maart 1998 bestuurder van De Heksendans BV en [gedaagde sub 2] is sinds die datum enig bestuurder van Witchcraft BV.

2.3. Tot 16 juni 2003 was Dances With Witches BV tevens bestuurder van De Heksendans BV en de echtgenote van [gedaagde sub 2], mevrouw [voorletters] [gedaagde sub 1], is sinds 31 maart 1998 bestuurder van Dances With Witches BV.

2.4. De Heksendans BV exploiteerde tot 16 juni 2003 een pannenkoekenrestaurant en vanaf die datum zijn die activiteiten vervallen en zijn beheersactiviteiten daarvoor in de plaats gekomen.

2.5. [gedaagde sub 2] heeft de curator geen administratie van De Heksendans BV overhandigd en de jaarrekeningen over 2002, 2003 en 2004, die inmiddels gepubliceerd hadden moeten worden, zijn nooit bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd.

2.6. [gedaagde sub 2] en zijn echtgenote hebben hun woonhuis aan [adres] te [woonplaats], gemeente [woonplaats], voor EUR 425.000,-- verkocht aan hun (schoon)vader [gedaagde sub 1]. De levering heeft plaatsgevonden op 31 juli 2003.

2.7. Bij brieven aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] van 31 mei 2006 heeft de curator de verkoop en levering van het woonhuis vernietigd.

2.8. De curator heeft machtiging verkregen van de rechter-commissaris in het faillissement van De Heksendans BV om deze procedure te voeren.

3. Het geschil

3.1. De curator vordert (verbeterd gelezen) bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor het totale tekort in het faillissement van De Heksendans BV, waaronder begrepen de boedelkosten;

II. [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van het totale tekort in het faillissement van De Heksendans BV, waaronder begrepen de boedelkosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over het totale tekort vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III. te vernietigen de rechtshandelingen tot verkoop en levering van het woonhuis, staande en gelegen aan [adres] te [woonplaats], verleden op

31 juli 2003 door mr. C.B.A. Gips, notaris te [woonplaats];

IV. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ieder hoofdelijk te veroordelen, des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure, waaronder die van de beslaglegging begrepen.

3.2. De curator stelt ten aanzien van het onder I en II gevorderde dat het bestuur van de Heksendans BV (Witchcraft BV) niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2:10 en 2:394 BW als gevolg waarvan op grond van het bepaalde in artikel 2:248 lid 2 BW vaststaat dat het bestuur haar taak onbehoorlijk heeft vervuld en als gevolg waarvan wordt vermoed dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Hierdoor is iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort in het faillissement en is [gedaagde sub 2] op grond van het bepaalde in artikel 2:11 BW als bestuurder van Witchcraft BV ook hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort in het faillissement van de Heksendans BV, aldus de curator.

Met betrekking tot het onder III gevorderde stelt de curator dat de rechtshandelingen tot verkoop en levering van de genoemde woning zijn verricht met het oogmerk om het verhaal dat de boedel heeft op [gedaagde sub 2] te verminderen c.q. illusoir te maken. Op grond van het bepaalde in artikel 2:248 lid 9 juncto artikel 3:45 BW moeten die rechtshandelingen daarom volgens de curator worden vernietigd.

3.3. [gedaagde sub 1] voert verweer tegen het onder III gevorderde. [gedaagde sub 1] betwist dat sprake is van benadeling van de boedel en dat hij ten tijde van de bewuste verkoop en levering wetenschap had van de benadeling van de schuldeisers van De Heksendans BV.

[gedaagde sub 1] heeft zich ter comparitie uitdrukkelijk beroepen op het bepaalde in

artikel 3:53 BW.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De curator heeft met toestemming van de voorzieningenrechter bij deze rechtbank op 21 september 2006 ex artikel 737 Rv beslag gelegd op het woonhuis aan [adres] te [woonplaats], gemeente [woonplaats]. Aan de wettelijke termijnen en vereisten is voldaan.

4.2. [gedaagde sub 2] heeft de stellingen van de curator met betrekking tot het onder I en II gevorderde niet weersproken en die vorderingen komen de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig en ook niet ongegrond voor, zodat deze zullen worden toegewezen.

De omstandigheid dat [gedaagde sub 2] de boekhouding niet heeft kunnen afgeven omdat deze in beslag zou zijn genomen, zoals de curator stelt, doet hieraan niet af omdat in ieder geval vaststaat dat niet is voldaan aan de publicatieplicht van artikel 2:394 BW.

4.3. Het geding spitst zich toe op de onder III gevorderde vernietiging van de verkoop en levering van het woonhuis van [gedaagde sub 2] en zijn echtgenote aan [gedaagde sub 1], de schoonvader van [gedaagde sub 2], en dan met name op de vraag of door die verkoop en levering sprake is van benadeling van de boedel.

4.4. Artikel 2:248 lid 9 BW bepaalt het volgende:

Indien een bestuurder ingevolge dit artikel aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van zijn schuld terzake, kan de curator de door die bestuurder onverplicht verrichte rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid tot verhaal op hem is verminderd, ten behoeve van de boedel door een buitengerechtelijke verklaring vernietigen, indien aannemelijk is dat deze geheel of nagenoeg geheel met het oogmerk van vermindering van dat verhaal zijn verricht. Artikel 45 leden 4 en 5 van Boek 3 is van overeenkomstige toepassing.

4.5. Met [gedaagde sub 1] is de rechtbank van oordeel dat voor de onder III gevorderde veroordeling eerst moet komen vast te staan dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor het tekort uit het faillissement van De Heksendans BV en dat [gedaagde sub 2] niet in staat is dat tekort te betalen.

In verband hiermee zal de rechtbank in dit vonnis het onder I en II gevorderde toewijzen zodat dit vonnis in zoverre een eindvonnis is waartegen binnen drie maanden na deze uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld.

4.6. Met betrekking tot de vraag of [gedaagde sub 2] al dan niet in staat is het tekort te betalen heeft de curator ter comparitie niet weersproken aangevoerd dat de totale schuldenlast in het faillissement inmiddels EUR 241.080,-- bedraagt en dat [gedaagde sub 2] tegenover hem heeft verklaard dat hij een uitkering geniet en geen vermogensbestanddelen bezit. Dit laatste wordt volgens de curator bevestigd door de belastingdienst.

Op grond hiervan kan vooralsnog worden aangenomen dat [gedaagde sub 2] niet in staat is het tekort te betalen, zoals vereist in artikel 2:248 lid 9 BW.

4.7. Door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] is niet weersproken dat de verkoop en levering van het woonhuis een onverplichte rechtshandeling was, zodat aan dit vereiste van artikel 2:248 lid 9 ook is voldaan.

4.8. Met betrekking tot de overige vereisten met betrekking tot het onder III gevorderde overweegt de rechtbank het volgende.

4.9. [gedaagde sub 1] voert aan dat geen sprake is van benadeling omdat de koopprijs voor het woonhuis tot stand is gekomen op basis van een taxatierapport van een makelaar. Dat rapport is door [gedaagde sub 1] in het geding gebracht en daarin staat het volgende vermeld met betrekking tot de waarde op 13 juni 2003 (de opnamedatum):

Onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik EUR 425.000,--

Executiewaarde vrij van huur en gebruik EUR 375.000,--

Onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat EUR 250.000,--

Executiewaarde in verhuurde staat EUR 220.000,--.

Het staat vast dat het woonhuis voor EUR 425.000,-- aan [gedaagde sub 1] is verkocht en dat [gedaagde sub 2] en diens echtgenote die woning nog steeds bewonen, thans huren van [gedaagde sub 1].

4.10. De curator heeft ter comparitie gesteld dat het woonhuis niet voor een reële prijs is verkocht en hij baseert die stelling op het feit dat de WOZ-waarde van het woonhuis EUR 520.000,-- bedroeg, terwijl de WOZ-waarderingen volgens de curator in het algemeen lager zijn dan de marktwaarde van een woonhuis. De curator heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een brief van de belastingdienst en de WOZ-beschikking van de gemeente [woonplaats] over het jaar 2005 overgelegd. Uit die stukken blijkt dat de WOZ-waarde van het woonhuis in het jaar 2005 EUR 520.000,-- bedroeg en uit de beschikking van de gemeente [woonplaats] blijkt dat de waardepeildatum 1 januari 2003 was. Uit deze bescheiden kan hooguit worden afgeleid dat de waarde van het woonhuis volgens de WOZ-waarderingsmaatstaven op 1 januari 2003 EUR 520.000,-- was, maar dat betekent nog niet dat de prijs van EUR 425.000,-- waarvoor het woonhuis in juli 2003 is verkocht geen reële prijs was. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de curator, daarnaar gevraagd, niet heeft kunnen aangeven op welk onderdeel het taxatierapport niet juist zou zijn of waarom de WOZ-waardering door de belastingdienst een betere indicatie zou zijn voor de waarde van het woonhuis ten tijde van de verkoop.

De rechtbank zal de curator daarom, overeenkomstig zijn aanbod ter comparitie, toelaten tot bewijs. Daartoe zal een deskundigenonderzoek nodig zijn. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over het aantal deskundigen, de namen van de deskundigen, alsmede de vraagstelling aan de deskundige(n). De rechtbank stelt voor aan de deskundige(n) de volgende vraag voor te leggen:

Wat was op 31 juli 2003

de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik,

de executiewaarde vrij van huur en gebruik,

de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat en

de executiewaarde in verhuurde staat

van het woonhuis gelegen aan [adres] te [woonplaats], gemeente [woonplaats] ?

4.11. Het voorschot op de kosten van de deskundige(n) dient, gelet op het bepaalde in artikel 195 Rv, door de curator ter griffie te worden gedeponeerd.

4.12. Aan het verzet van [gedaagde sub 1] tegen het alsnog toelaten van de curator tot bewijs gaat de rechtbank voorbij reeds omdat zij ook ambtshalve bewijs aan de curator had mogen opdragen.

4.13. De curator zal eveneens worden toegelaten om aan te tonen dat het woonhuis ten tijde van de verkoop een meer-/overwaarde vertegenwoordigde ten opzichte van de hypotheekschuld van [gedaagde sub 2] en zijn echtgenote. Wanneer namelijk zou blijken dat daarvan geen sprake was, is in beginsel ook geen sprake van vermindering van de mogelijkheid tot verhaal op [gedaagde sub 2]. De rechtbank gaat er van uit dat de curator dit bewijs schriftelijk kan leveren.

4.14. In dit verband stelt de curator zich ook op het standpunt dat de overwaarde niet ten goede van [gedaagde sub 2] is gekomen, maar dat daarmee schulden van [gedaagde sub 2] aan [gedaagde sub 1] zijn afgelost. [gedaagde sub 1] heeft hierover ter comparitie verklaard dat [gedaagde sub 2] hem geld schuldig was ten tijde van de verkoop van het woonhuis maar dat hij niet weet hoeveel dat toen was. De rechtbank is van oordeel dat van [gedaagde sub 1] kan worden verlangd dat hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de curator ten einde deze aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. [gedaagde sub 1] zal daarom bij akte gegevens moeten verstrekken over de omvang van zijn vorderingen op [gedaagde sub 2] vóór en ná de verkoop van het woonhuis.

4.15. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement van De Heksendans BV, waaronder begrepen de boedelkosten,

5.2. veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van het totale tekort in het faillissement van De Heksendans BV, waaronder begrepen de boedelkosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over het totale tekort vanaf 25 september 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening,

5.3. verklaart de veroordeling bij punt 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. stelt vast dat hoger beroep tegen de uitspraken bij de punten 5.1. en 5.2 mogelijk is binnen 3 maanden na deze uitspraak,

5.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 april 2007 voor akte aan de zijde van de curator en [gedaagde sub 1] vanwege hetgeen hiervoor bij 4.10, 4.13 en 4.14 is overwogen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Vanhommerig en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2007.