Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA2360

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
05-04-2007
Zaaknummer
05/900223-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In- en uitvoer van softdrugs; voorbereidingshandelingen tot opzetten van een cocaïnelijn van Zuid-Amerika naar Nederland; criminele organisatie; valsheid in geschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer (Promis II)

Parketnummer : 05/900223-05

Data zittingen : 13 juni 2006, 29 augustus 2006, 10 oktober 2006, 12 december 2006 en 20 maart 2007.

Datum uitspraak : 3 april 2007

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [woonplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsman : mr. M.K. Rack, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door op de terechtzitting van 10 oktober 2006 de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 9 juli 2005 te Arnhem, Elst, gemeente Overbetuwe, Barneveld en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, (ongeveer) 320 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en/of van een materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (een) middelen) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers [chauffeur] heeft die hasjiesj en/of hennep in een vrachtauto (truck met oplegger) vanuit Nederland (Arnhem) naar het buitenland (Finland) gebracht/vervoerd, en welk medeplegen van verdachte en/of verdachtes mededader(s) -onder meer- hierin heeft bestaan dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) het transport van die hasjiesj en/of hennep hebben/heeft geregeld (-onder meer- het benaderen/regelen van een vrachtwagenchauffeur ([chauffeur]) en/of het huren/aanschaffen van een truck en/of een oplegger en/of het verzorgen van een -legale- deklading) en/of die hasjiesj en/of hennep hebben/heeft opgeslagen en/of in die vrachtauto hebben/heeft geladen/verborgen en/of die hasjiesj en/of hennep met bestemming naar Finland, althans naar het buitenland, hebben/heeft vervoerd en/of ten vervoer hebben/heeft aangenomen en/of ten vervoer hebben/heeft aangeboden; (zakendossier 49)

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 maart 2006 te Arnhem en/of in de gemeente Montferland (grensovergang Bergh autoweg A12) en/of te Utrecht en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (ongeveer) 86 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en/of van een materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, -onder meer- hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) contact hebben/heeft gelegd en/of onderhouden met (de) leverancier(s) van die hasjiesj en/of hennep en/of het transport van die hasjiesj en/of hennep hebben/heeft geregeld (het benaderen/regelen van een chauffeur ([chauffeur 2]) en/of het huren/aanschaffen van een auto en/of een bestelbus) en/of in bezit zijn/is gekomen van die hasjiesj en/of hennep en/of die hasjiesj en/of hennep vanuit Zwitserland, Frankrijk en/of Duitsland, althans vanuit het buitenland, in een auto (Toyota) naar Nederland hebben/heeft vervoerd en/of (daarbij) -steeds- hebben/heeft gecontroleerd/gekeken of de route die moest worden afgelegd (met name bij het passeren van een grensovergang) veilig was, en/of (vervolgens in Nederland) die hasjiesj en/of hennep uit die auto hebben/heeft geladen en/of hebben/heeft opgeslagen in een pand (woonwagen aan de [adres]) en/of (vervolgens) die hasjiesj en/of hennep (weer) hebben/heeft ingeladen in een bestelbus (Mercedes) en/of die hasjiesj en/of hennep verder hebben/heeft vervoerd in de richting van Amsterdam en/of naar een plaats elders in Nederland;

(zakendossier 68)

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 01 maart 2006 te Arnhem en/of Utrecht en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (ongeveer) 86 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en/of van een materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van de maand augustus 2005 tot en met 1 maart 2006 te Arnhem, Apeldoorn, Haarlemmermeer (Schiphol) en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in ieder geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende enig middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen

en/of zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die/dat feit(en),

-onder meer- hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) een of meerdere malen een reis hebben/heeft geboekt naar Panama en/of Brazilië en/of in verband daarmee (een) vliegticket(s) hebben/heeft besteld en/of betaald en/of naar Schiphol zijn/is gereden en/of naar Panama en/of Brazilië zijn/is gereisd en/of (vervolgens) Panama en Brazilië hebben/heeft bezocht en/of (aldaar) contact hebben/heeft gelegd en/of onderhouden met een of meer personen die betrokken waren bij de handel in verdovende middelen en/of (aldaar) een of meerdere personen hebben/heeft benaderd om verdachte en/of verdachtes mededader(s) in contact te brengen met een of meer personen die betrokken waren bij de handel in verdovende middelen en/of in verband daarmee instructies en/of aanwijzingen hebben/heeft gegeven en/of (via Western Union) geld naar rekeningen in -onder meer- Panama en/of Brazilië hebben/heeft gestort en/of aldaar geld hebben/heeft ontvangen;

(zakendossier 58)

4.

hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 19 april 2005 te Arnhem en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand aan het [adres] te Arnhem) een -grote- hoeveelheid hennep en/of een -grote- hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde (telkens) hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; (zakendossier 22)

5.

hij, op een of meerdere tijdstippen, op of omstreeks 27 december 2005, althans in of omstreeks de periode van 27 december 2005 tot en met 3 januari 2006, te Arnhem en/of (elders) in Nederland, een formulier Verklaring vermissing reisdocument (waarop de identiteitsgegevens van [betrokkene 1] waren vermeld) en/of een formulier Aanvraag reisdocument (waarop de identiteitsgegevens van [betrokkene 1] waren vermeld) en/of een identiteitskaart (waarop de identiteitsgegevens van [betrokkene 1] waren vermeld en/of een pasfoto van verdachte was aangebracht), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid op die/dat formulier(en) en/of die identiteitskaart een handtekening te zetten die (telkens) moest doorgaan voor de handtekening van [betrokkene 1];

(zakendossier 72)

althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 3 januari 2006 tot en met 1 maart 2006 te Arnhem en/of (elders) in Nederland in het bezit was van een reisdocument, te weten een identiteitskaart op naam van [betrokkene 1], waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat op die identiteitskaart een pasfoto van [verdachte] was aangebracht en/of op die identiteitskaart een handtekening was gezet die moest doorgaan voor de handtekening van die [betrokkene 1];

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 maart 2006 te Arnhem, Apeldoorn, Elst, gemeente Overbetuwe, Barneveld en/of (elders) in Nederland, opzettelijk heeft deelgenomen aan een of meer organisaties, te weten:

A) een organisatie die (in/omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2005) werd gevormd door (onder meer) verdachte, [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7] en/of andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende II (telen van en/of handel in hennep en/of hennepplanten en/of delen daarvan), althans het plegen van misdrijven,

en/of

B) een organisatie die (in/omstreeks de periode van de maand mei 2005 tot en met 31 juli 2005) werd gevormd door (onder meer) verdachte, [betrokkene 2], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10], [betrokkene 7], [chauffeur], [betrokkene 11] en/of andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II (handel in en/of in-/uitvoer van hasjiesj/hennep/softdrugs), althans het plegen van misdrijven,

en/of

C) een organisatie die (in/omstreeks de periode van 1 augustus 2005 tot en met 1 maart 2006) werd gevormd door (onder meer) verdachte, [betrokkene 2], [betrokkene 12], [chauffeur 2] en/of andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of II, en/of het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet (handel in en/of in-/uitvoer van hasjiesj/hennep/cocaïne/harddrugs/softdrugs), althans het plegen van misdrijven;

(zakendossiers 75, 22, 42, 49, 58, 68 en/of 72)

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 20 maart 2007 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is daarbij verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.K. Rack, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 primair en 6 (met uitzondering van periode A) tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Voorts tot een geldboete ten bedrage van € 5674,77, bij niet betaling te vervangen door 58 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in het in wettelijke vorm door de verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Midden, divisie Justitiële Zaken, Unit Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, BPS nummer 06-031857, gesloten op 13 september 2006 met bijlagen.

Ten aanzien van feit 1 :

Op 9 juli 2005 is een transport van ongeveer 320 kilo hash in Helsinki onderschept. De hash was verborgen aan de voorzijde in de oplegger.

Dat verdachte samen met anderen bij de uitvoer van dit transport van Nederland naar Finland was betrokken leidt de rechtbank af uit:

- de verklaring van de chauffeur [chauffeur], inhoudende dat er op 5 juli 2005 door een "vulploeg" op een industrieterrein in Arnhem hash is geladen in de trailer van de combinatie waar hij mee naar Finland is gereden ;

- observaties van het OT van 5 juli 2005, waar wordt gezien dat de door [chauffeur] in Eindhoven geladen en naar Arnhem gereden trekker-oplegger wordt geparkeerd bij de woonwagen van [betrokkene 2] en verdachte samen met [betrokkene 2] en [chauffeur] bezig is bij het koelsysteem van de oplegger. Verder zijn aanwezig [betrokkene 7] en [betrokkene 13], [betrokkene 10] en [betrokkene 9]. Uit de woning van [betrokkene 2] worden dozen naar de oplegger gebracht en aan de voorzijde in de oplegger gelegd.

- uitgeluisterde tapgesprekken voorafgaand aan het laden tussen verdachte [verdachte] en [chauffeur], waarin gesproken wordt over laden voor Finland en over het voor het laden benodigde referentienummer.

- de vele pogingen tot het leggen van contact van verdachte met [chauffeur] nadat deze – eenmaal onderweg naar Finland – op een gegeven moment niets meer van zich laat horen.

Door de raadsman van verdachte is betoogd dat de observaties van waarnemer nr 789 ten aanzien van de observaties van 5 juli 2005 dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Van de zeven waarnemers is hij de enige die relevante waarnemingen heeft gedaan, zodat deze waarnemingen onbetrouwbaar zijn.

Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat, gelet op het proces-verbaal van waarnemingen, de verschillende waarnemers zich waarschijnlijk op verschillende locaties hebben bevonden gedurende de waarnemingen. Gelet hierop is het niet meer dan begrijpelijk dat niet iedere waarnemer hetzelfde heeft waargenomen. Nog los hiervan is dit proces-verbaal mede door waarnemer 789 op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend en heeft de rechtbank geen enkele aanleiding aan de betrouwbaarheid van het verslag van waarnemingen van deze verbalisant te twijfelen. Uitsluiting van dit bewijs is derhalve niet aan de orde.

Voorts is door de raadsman aangevoerd dat het niet onmogelijk is dat de oplegger die op 5 juli 2005 is waargenomen door het OT niet dezelfde oplegger is als degene waar in Finland door de douane de drugs zijn aangetroffen.

De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat zij een verwisseling van oplegger volstrekt hypothetisch vindt, dit gelet op de overeenkomst in vindplaats van de op 5 juli 2005 ingeladen en in Finland aangetroffen hash alsmede de verklaring van [chauffeur], die verklaart dat de aangetroffen hash op 5 juli 2005 is ingeladen.

Het verweer van de raadsman dat de bijdrage van verdachte het leveren van hand- en spandiensten niet overstijgt, wordt verworpen. De aanwezigheid van verdachte bij het inladen van de hash, alsmede de contacten van verdachte met de chauffeur [chauffeur] zowel voor als na het laden op 5 juli 2005 rechtvaardigen de conclusie dat er sprake is van medeplegen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2 primair

Terzake dit feit kan het navolgende worden vastgesteld en overwogen.

Op 1 maart 2006 wordt verdachte (verder ook te noemen [verdachte]) op de A12 aangehouden terwijl hij een Mercedesbus ([nummer]) bestuurt . In de bus bevindt zich 86 kg hennep, in verhuisdozen, verpakt in gesealde plasticzakken van ieder een ½ kg hennep. De verhuisdozen zijn genummerd: 8 dozen met cijfer 3, bevattende ieder 6 zakken van een ½ kg,

doos met cijfer 2 met 4 zakken van een ½ kg en 15 dozen met cijfer 4 bevattende ieder 8 zakken van een ½ kg . [verdachte] heeft deze cijfers op de dozen aangebracht . De dozen zijn bij de woonwagen van [betrokkene 2] (verder ook te noemen [betrokkene 2]) vanuit die woonwagen in de bus geladen. Daarbij waren aanwezig [verdachte], [betrokkene 2] en [betrokkene 12] (verder ook te noemen [betrokkene 12]) .

Op 1 maart 2006 worden eveneens aangehouden [betrokkene 2] en [betrokkene 12]. Zij rijden in een Peugeot ([nummer]) . De Peugeot met daarin dus [betrokkene 2] en [betrokkene 12] heeft vanaf het vertrek van de Mercedesbus met daarin [verdachte] vanaf de woonwagen van [betrokkene 2] voortdurend vlak voor en achter die bus gereden . Vanuit de Peugeot had men contact met de bus. [betrokkene 12] had immers een laptop op schoot die aanstond en die contact kon hebben gehad met een peilbaken dat onder aan de Mercedesbus was gemonteerd. Op het hoesje van het peilbaken zijn DNA- sporen van [betrokkene 12] aangetroffen .

De vervoerde hennep was bestemd voor [betrokkene 14], met wie [betrokkene 12] de leverantie telefonisch was overeengekomen .

Een en ander leidt tot de conclusie dat [verdachte], [betrokkene 2] en [betrokkene 12] ter leverantie tezamen een partij hennep over de Nederlandse wegen hebben vervoerd.

De vraag die vervolgens voorligt is of deze partij van 86 kg hennep door verdachte en zijn medeverdachten in samenspraak vanuit Zwitserland in Nederland is geïmporteerd.

Ter beantwoording van die vraag kan het navolgende worden vastgesteld en overwogen.

[chauffeur 2] heeft - samengevat - verklaard - wat grotendeels wordt bevestigd door diverse afgeluisterde telefoongesprekken tussen hem en [verdachte] (waarbij [betrokkene 2] soms aanwezig is) en tussen [betrokkene 12] en [verdachte] - dat hij zich op verzoek van [verdachte] geleend heeft om tegen betaling weed in een auto te transporteren. Hij is daartoe 2x tevergeefs naar Zwitserland gereden. Op

27 februari 2006 is hij wederom naar Zwitserland gegaan. In een plaatsje in de buurt van Basel zijn in aanwezigheid van [betrokkene 12] en [betrokkene 2] drugs in een door hem gehuurde auto geladen. Daarna zijn ze (dus in de nacht van 27/28 februari 2006) rechtstreeks naar Nederland gereden, alwaar de drugs zijn overgeladen in de woonwagen van [betrokkene 2] .

Uit afgeluisterde telefoongesprekken tussen [verdachte] en [betrokkene 12] blijkt dat [verdachte] in de gaten heeft gehouden of het veilig was bij de grensovergang tussen Duitsland en Nederland .

Gelet op met name de omstandigheid dat de door [chauffeur 2] vanuit Zwitserland via Duitsland vervoerde partij drugs in de woonwagen van [betrokkene 2] is geladen en op de omstandigheid dat de 86 kg hennep vanuit de woonwagen van [betrokkene 2] in de Mercedesbus is geladen komt het de rechtbank uiterst hypothetisch voor dat het niet om een en dezelfde partij zou gaan. Dit temeer nu de 86 kg hennep is gekwalificeerd als “buitenweed” (dus niet gekweekt in Nederland) . En verdachte en zijn medeverdachten zwijgen allen en hebben derhalve geen andere aannemelijke verklaring voor de afkomst van de onderhavige 86 kg hennep gegeven.

Al hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen leidt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat het onder feit 2, primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.

Ten aanzien van feit 3

De vraag die ter beantwoording voorligt is - beknopt - of verdachte (verder te noemen [verdachte] ([verdachte])) tezamen met [betrokkene 2] (verder ook te noemen [betrokkene 2]) en [betrokkene 12] (verder ook te noemen [betrokkene 12]) geprobeerd hebben een cocaïnelijn vanuit Zuid-Amerika naar Nederland op te zetten. Van belang bij de beantwoording van deze vraag is dat verdachte en zijn medeverdachten terzake vrijwel niets hebben verklaard; zij hebben zich allen beroepen op hun zwijgrecht. Dit brengt mee dat de rechtbank bij de duiding van de ter beschikking staande bewijsmiddelen kan komen tot de vaststelling van de onderstaande redengevende feiten en omstandigheden. Verdachte en zijn mededaders hebben immers geen andere aannemelijke duiding gegeven.

[verdachte] is in de periode september 2005 tot en met februari 2006 viermaal naar Zuid-Amerika afgereisd: van 29 september 2005 tot en met 5 oktober 2005 naar Panama, en van respectievelijk 23 november 2005 tot en met 1 december 2005, van 17 december 2005 tot en met 22 december 2005 en van 9 januari 2006 tot en met 13 februari 2006 naar Brazilie .

Tijdens zijn verblijf in Panama en daarna tijdens zijn verblijf in Brazilië heeft [verdachte] contact gehad met [betrokkene 15] (Panama en Brazilië) , [betrokkene 16] (Brazilië) , [betrokkene 17] (Brazilië) en [betrokkene 18] (Brazilië) . Het oogmerk dat [verdachte] bij deze contacten had was drugs . Ten aanzien van al deze genoemde personen, uitgezonderd [betrokkene 16], geldt immers dat zij drugsantecedenten hebben . En ingeval van [betrokkene 15] en diens zakenpartner [betrokkene 16] geldt dat [verdachte] wenste dat deze hem in contact zouden brengen met een drugscontact (een Libanees)/drugscontacten die zij in Brazilië hadden . En wat betreft [betrokkene 18]: deze heeft gedurende zijn verblijf in Brazilie (vanaf 24 januari 2006 ) telefonisch contact met ene [betrokkene 19], waarbij in versluierde taal over cocaine wordt gesproken . Voorts tracht [verdachte] hem onder druk te zetten: [betrokkene 18] wordt door [verdachte] bedreigd .

Dat [verdachte] voornoemd oogmerk had, wordt bovendien bevestigd door het navolgende:

Op 1 december 2005 wordt [verdachte] van Schiphol opgehaald door zijn vader [betrokkene 2] en [betrokkene 12]. Een lid van het observatieteam vangt het navolgende op uit een gesprek tussen [verdachte], [betrokkene 2] en [betrokkene 12]:

“Ik hoorde dat [verdachte] onder meer de volgende woorden gebruikte: “4500 bolletjes”, “via Madrid, Peru-Bolivia-Colombia-Panama”, “tussen 5-2000”, “Kerst of januari”, “40%-50%”, en enkele malen “koffers en tassen”.

Ik hoorde [betrokkene 2] zeggen: “Libanees”, “geen plezierreisje”, “het gaat om een hoop geld”.

Ik hoorde [betrokkene 12] een paar maal de naam “[betrokkene 15]”noemen.

Ik hoorde dat [verdachte] voor ongeveer 80% aan het woord was tijdens het gesprek.”

[betrokkene 2] en [betrokkene 12] hadden weet van voornoemd oogmerk van [verdachte] en waren daarbij betrokken. Dit blijkt niet alleen uit het vorenstaand, afgeluisterd - deel van een - gesprek tussen hen drieën, maar ook uit het navolgende.

[betrokkene 12] heeft [verdachte] eveneens opgehaald van Schiphol op 22 december 2005 en hem op

17 december 2005 en 9 januari 2006 naar Schiphol gebracht . Het ticket voor de vlucht op 17 december is door [betrokkene 12] gefinancierd door middel van de creditcard van zijn [betrokkene 20] .

[betrokkene 2] wist waar [verdachte] mee bezig was in Panama . Zo is [betrokkene 15] een bekende van [betrokkene 2]; hij heeft weet van het drugsverleden van [betrokkene 15] en dat de laatste in 1999 was aangehouden op Schiphol met cocaïne in zijn koffer en in verband met drugs gedetineerd is geweest in Engeland . Ook heeft [betrokkene 2] het contact tussen [verdachte] en [betrokkene 15] in Panama geregeld .

Voorts wisten [betrokkene 2] en [betrokkene 12] van (het verloop van) de contacten van [verdachte] in Brazilië met respectievelijk [betrokkene 15]/[betrokkene 16], de vermeende ziekte van [betrokkene 15] waardoor het leggen van een contact met de “Lib” niet doorging, met [betrokkene 17] en met [betrokkene 18], welke laatste twee contacten niet vlotten. Van dit alles getuigen de veelvuldige telefoongesprekken tussen [verdachte] enerzijds en [betrokkene 2] en/of [betrokkene 12] anderzijds en de e-mail/internet contacten tussen [verdachte] en [betrokkene 12], beide tussen en/of tijdens de verblijven van [verdachte] in Brazilië, alsmede de OVC gesprekken tussen [betrokkene 12] en [verdachte] na zijn laatste reis naar Brazilië.

En tenslotte financierden [betrokkene 2] en [betrokkene 12], (de laatste naast de vliegreis op 17 december 2005), verblijfkosten van [verdachte] in Brazilië . De hele operatie heeft hen alledrie veel geld gekost .

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] in samenspraak met [betrokkene 2] en [betrokkene 12] en gefinancierd mede door de laatstgenoemden getracht heeft in en vanuit Zuid-Amerika een cocaïnelijn op te zetten naar Nederland. Het onder feit 3 tenlastegelegde acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen. Dit met inachtneming van het navolgende.

Dat de verblijven van [verdachte] aldaar alleen tot doel gehad zouden hebben om de import van minimotortjes in Nederland te realiseren, is niet aannemelijk. Tijdens voornoemde veelvuldige telefoongesprekken en e-mailcontacten wordt – op een telefoongesprek na - in het geheel niet gesproken over minimotortjes.

Het verweer dat de verklaring van [betrokkene 16] niet geloofwaardig is omdat deze verklaring telefonisch is opgenomen passeert de rechtbank. Een dergelijk opgenomen verklaring maakt deze nog niet - zo zonder meer - ongeloofwaardig. Bovendien wordt de verklaring van [betrokkene 16] op vele punten bevestigd door de diverse verklaringen van [betrokkene 15] en vice-versa.

En tenslotte, dat aan het afgeluisterde gesprek op Schiphol geen bewijs kan worden ontleend omdat - zo is aangevoerd - het bijvoorbeeld ook kan gaan om een (voorgelezen) krantenbericht passeert de rechtbank eveneens. De gehoorde woorden passen in het verhaal dat [betrokkene 15] heeft geschetst in zijn verklaringen, en wiens naam nota bene ook genoemd wordt.

De omstandigheid dat observant 789 alleen deze desbetreffende woorden heeft opgevangen uit een circa 30 minuten durend gesprek en dat deze observant bij de rechter-commissaris niet bevraagd mocht worden over de omstandigheden waarin hij zich bevond toen hij de woorden hoorde, doen - zo zonder meer - niet af aan de geloofwaardigheid van het gehoorde. De observant heeft zulks immers op ambtsbelofte verklaard.

Ten aanzien van feit 4

Op 19 april 2005 wordt in de schuur die hoort bij de woonwagen van verdachte een hennepkwekerij aangetroffen van 254 planten .

Verdachte moet vanaf enig moment voor de doorzoeking weet gehad hebben van deze kwekerij in zijn schuur. Hij is immers geconfronteerd met stroomuitval in zijn woonwagen waarschijnlijk tengevolge van het stroomverbruik dat de kwekerij vergde en is betrokken geweest bij het herstel van de stroomvoorziening . Niet gebleken is dat de kwekerij nadien is opgeheven; verdachte heeft mitsdien de kwekerij nadien gedoogd.

De vraag die voorligt is of verdachte medeplegen van de exploitatie van die kwekerij kan worden verweten zoals is tenlastegelegd. De rechtbank is van oordeel dat bovenstaande betrokkenheid op zich onvoldoende is om dat wettig en overtuigend aan te nemen. Dit oordeel wordt - naast dus het standpunt dat bovenstaande betrokkenheid op zich onvoldoende is voor het oordeel: medeplegen - ook ingegeven door een afgeluisterd telefoongesprek tussen verdachte en [betrokkene 4] waarvan de inhoud wijst op het tegendeel van medeplegen. In dat telefoongesprek zegt verdachte op de vraag van [betrokkene 4] hoe het met hem gaat: “Slecht…, mijn broertje heeft weed bij mij in de schuur gezet en vandaag hebben we een inval op het hele kamp gehad…. Mijn broertje heeft stiekem weed in mijn schuur gezet en die is er vandaag uitgehaald door de politie, dus eh ik heb slechte zin…” . En voorts dat [betrokkene 2] zijn zoon [betrokkene 7] als de organisator van de onderhavige kwekerij aanwijst .

Dat [betrokkene 6] en [betrokkene 5] verklaard hebben dat volgens hen verdachte de eigenaar was van de kwekerij maakt bovenstaand oordeel niet anders. Aan hen is niet gevraagd waarop zij hun standpunt hebben gebaseerd; hun bevinding kan daarom evenzogoed zijn ingegeven door de omstandigheid dat verdachte de bewoner was van de woonwagen waarbij de schuur hoorde.

Het bovenstaande brengt mee dat verdachte zal worden vrijgesproken van feit 4.

Ten aanzien van feit 5

Op 1 maart 2006 tijdens de huiszoeking in de woning van verdachte is een identiteitskaart aangetroffen, waarop de identiteitsgegevens van [betrokkene 1] waren vermeld en een pasfoto van verdachte was aangebracht.

Op 27 december 2005 is aangifte van vermissing van een (reis)document ten name van [betrokkene 1] bij de politie te Arnhem gedaan. . Op diezelfde dag, 27 december 2005, wordt bij de gemeente Arnhem een ”Verklaring vermissing reisdocument en een ”Aanvraag formulier nieuw reisdocument“ ten name van [betrokkene 1] ingediend . Beide formulieren bevatten een handtekening van [betrokkene 1]. De aanvraag voor een nieuw reisdocument bevat tevens de foto van verdachte.

Op basis van die aanvraag is op 3 januari 2006 een identiteitskaart op naam van [betrokkene 1] met een foto van verdachte verstrekt. Deze kaart wordt bij de doorzoeking van verdachte’s woning in de vaas in zijn woonkamer aangetroffen.

Op diezelfde dag, 3 januari 2006, wordt door de politie een tapgesprek geregistreerd waaruit de volgende passage wordt aangehaald:

[verdachte] belt met [betrokkene 12].

[verdachte]: ik had toch een nieuw paspoort voor me aangevraagd, ik was me paspoort toch verloren??

[betrokkene 12]: Ja

[verdachte]: Hebben die knuppels in plaats van een paspoort een identiteitskaart voor me gemaakt

[betrokkene 12]: O,o,o,o (zucht)

[verdachte]: Kutzooi

[betrokkene 12]: Nah dat schiet lekker op.

[verdachte]: Daar heb ik de grootste ruzie gemaakt vanmorgen, dat begrijp je wel

[verdachte]: Op mijn papieren staat “Aanvraag paspoort”en je komt met een identiteitskaart aan, of ik ben gek of jullie zijn gek

[betrokkene 12]: Ja

[verdachte]: Ja ja duurt zeven dagen mijnheer, dat moeten we het even veranderen, ik zeg nou geef die identiteitskaart maar en geef de rest van het geld maar terug, want ik ga geen zeven dagen zitten te wachten op een paspoort.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij op 27 december 2005 aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn identiteitskaart bij de politie te Arnhem . Deze aangifte zou daarna uit het gangkastje in zijn woning zijn gestolen door [verdachte] .

Tevens heeft hij verklaard dat de handtekening op de identiteitskaart, aangevraagd op 27 december 2005, niet van hem is.

Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.

Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte in persoon op 27 december 2005 bij de gemeente de beide valselijk opgemaakte “Verklaring vermissing reisdocument” en “Aanvraagformulier nieuw reisdocument” heeft ingediend op naam van [betrokkene 1] waarbij hij zijn eigen foto heeft ingeleverd. Voorts houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte op beide formulieren een handtekening heeft geplaatst die moest doorgaan voor die van [betrokkene 1].

De rechtbank acht om die reden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder 5 heeft begaan.

Ten aanzien van feit 6

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een noemenswaardige betrokkenheid van verdachte bij de exploitatie van hennepkwekerijen, laat staan van een zodanige betrokkenheid, dat verdachte deswege dient te worden aangemerkt als deelnemer aan een criminele organisatie in de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 maart 2006.

Dit onderdeel van het onder feit 6 tenlastegelegde kan derhalve niet bewezen worden geacht.

In de periode van mei 2005 tot en met juli 2005 was verdachte betrokken bij de uitvoer van een grote partij hennep vanuit Nederland naar Finland. Verwezen wordt naar hetgeen ten aanzien van feit 1 is overwogen. Daarnaast heeft verdachte zich in die periode bemoeid met de vermissing van een vrachtwagen waarmee een partij hennep werd vervoerd vanuit Spanje naar Frankrijk, met bestemming Nederland en met het terughalen daarvan naar Nederland . Bij de organisatie van deze transporten ging het om een gestructureerd en duurzaam samenwerkings-verband waarin naast verdachte [betrokkene 2], [betrokkene 9], [betrokkene 10] en

[betrokkene 8] participeerden. Er was sprake van een professionele aanpak. Dit blijkt uit het gebruik van vrachtauto’s die werden gehuurd door op naam van [betrokkene 8] gestelde bedrijven , het gebruik van zogenoemde dekladingen, de inzet van externe chauffeurs, de uitgekiende wijze waarop bij feit 1 de partij hennep in de vrachtwagen werd verstopt, de inzet van plaatsbepalingsapparatuur in de andere zaak en het gebruik van afgeschermde communicatiemiddelen.

Naar het oordeel van de rechtbank betrof het hier een criminele organisatie waaraan

verdachte heeft deelgenomen.

In de periode van 1 augustus 2005 tot en met 1 maart 2006 was verdachte aanvankelijk betrokken bij het opzetten van een cocaïnelijn vanuit Zuid-Amerika naar Nederland en naderhand bij de invoer van een partij hennep vanuit Zwitserland naar Nederland. Verwezen wordt naar hetgeen ten aanzien van de feiten 2 en 3 is overwogen. Bij deze activiteiten waren ook [betrokkene 2] en [betrokkene 12] betrokken. Ook in dit geval betrof het een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, waarbij verdachte een centrale rol vervulde - daarbij aangestuurd door [betrokkene 2] en in een later stadium ook door [betrokkene 12] - en in dat kader afreisde naar Panama en Brazilië om aldaar personen te ontmoeten die hem in contact zouden kunnen brengen met leveranciers van cocaïne. De professionele aanpak komt in dit geval naar het oordeel van de rechtbank tot uitdrukking in het gebruik van afgeschermde communicatiemiddelen en de inzet van plaatsbepalingsapparatuur. Voorts kan uit een aantal ovc-gesprekken worden afgeleid dat geweld niet wordt geschuwd . Ook in dit geval was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een criminele organisatie, waaraan verdachte heeft deelgenomen.

In zoverre acht de rechtbank feit 6 wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2005 tot en met 9 juli 2005 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (ongeveer) 320 kilogram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en/of van een materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (een) middelen) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers [chauffeur] heeft die hasjiesj en/of hennep in een vrachtauto (truck

met oplegger) vanuit Nederland (Arnhem) naar het buitenland (Finland) vervoerd, en welk medeplegen van verdachte en/of verdachtes mededader(s)-onder meer- hierin heeft bestaan dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) het transport van die hasjiesj en/of hennep hebben/heeft geregeld (-onder meer- het benaderen/regelen van een vrachtwagenchauffeur ([chauffeur]) en het huren/aanschaffen van een truck en een oplegger en het verzorgen van een

-legale- deklading) en die hasjiesj en/of hennep hebben/heeft opgeslagen en in die vrachtauto hebben/heeft geladen/verborgen en die hasjiesj en/of hennep met bestemming naar Finland,

hebben/heeft vervoerd;

2.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 maart 2006 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht,

(ongeveer) 86 kilogram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en/of van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, -onder meer- hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) contact hebben/heeft gelegd en onderhouden met (de) leverancier van die hasjiesj en/of hennep en het transport van die hasjiesj en/of hennep hebben/heeft geregeld (het

benaderen/regelen van een chauffeur ([chauffeur 2]) en het huren/aanschaffen van een auto en/of een bestelbus) en die hasjiesj en/of hennep vanuit Duitsland, in een auto (Toyota) naar Nederland hebben/heeft vervoerd en (daarbij) hebben/heeft gecontroleerd/gekeken of de route die moest worden afgelegd (met name bij het passeren van een grensovergang) veilig was, en (vervolgens in Nederland) die hasjiesj en/of hennep uit die auto hebben/heeft geladen en hebben/heeft

opgeslagen in een pand (woonwagen aan de [adres]) en (vervolgens) die hasjiesj en/of hennep (weer) hebben/heeft ingeladen in een bestelbus (Mercedes) en die hasjiesj en/of hennep verder hebben/heeft vervoerd in de richting van Amsterdam;

3.

hij in de periode van de maand augustus 2005 tot en met 1 maart 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, anderen heeft getracht te bewegen om om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of zich en/of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen, -onder meer- hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) meerdere malen een reis hebben/heeft geboekt naar Panama en Brazilië en in verband daarmee vliegtickets hebben/heeft besteld en

betaald en naar Schiphol zijn/is gereden en naar Panama en Brazilië zijn/is gereisd en contact hebben/heeft gelegd en onderhouden met personen die betrokken waren bij de handel in verdovende middelen en personen hebben/heeft benaderd om verdachte en/of verdachtes mededader(s) in contact te brengen met personen die betrokken waren bij de handel in verdovende middelen en in verband daarmee instructies en/of aanwijzingen hebben/heeft gegeven en (via Western Union) geld naar rekeningen in -onder meer- Panama en/of Brazilië hebben/heeft gestort;

5.

hij in de periode van 27 december 2005 tot en met 3 januari 2006, te Arnhem, een formulier Verklaring vermissing reisdocument (waarop de identiteitsgegevens van [betrokkene 1] waren

vermeld) en een formulier Aanvraag reisdocument (waarop de identiteitsgegevens van [betrokkene 1] waren vermeld) en identiteitskaart (waarop de identiteitsgegevens van [betrokkene 1] waren vermeld en een pasfoto van verdachte was aangebracht), - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, telkens valselijk heeft opgemaakt telkens met het oogmerk om die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken, door opzettelijk in strijd met de waarheid op dat formulier en die identiteitskaart een handtekening te zetten die telkens moest doorgaan voor de handtekening van [betrokkene 1];

6.

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 maart 2006 in Nederland, opzettelijk heeft deelgenomen aan een of meer organisaties, te weten: een organisatie die in de periode van de maand mei 2005 tot en met 31 juli 2005 werd gevormd door verdachte, [betrokkene 2], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10], [betrokkene 7], welke organisatie tot oogmerk had het verkopen en afleveren, en het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II (handel in en/of in-/uitvoer van hasjiesj/hennep/softdrugs), en een organisatie die in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 1 maart 2006 werd gevormd door verdachte, [betrokkene 2], [betrokkene 12], welke organisatie tot oogmerk had het verkopen en afleveren, en het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en II, (handel in en in-/uitvoer van hasjiesj/hennep/cocaïne/harddrugs/softdrugs),

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair, telkens:

“medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.”

Ten aanzien van feit 3:

“het medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door een ander trachten te bewegen om dat feit te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid middelen of inlichtingen te verschaffen”

Ten aanzien van feit 5 primair:

“valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”.

Ten aanzien van feit 6:

“het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, meermalen gepleegd.”

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 12 september 2006;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 13 november 2006, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich tezamen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan de organisatie van import en export van aanzienlijke hoeveelheden softdrugs. Voor het vervoer is telkenmale gebruik gemaakt van andere personen.

Verdachte heeft zich eveneens schuldig gemaakt samen met anderen aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor het opzetten van een cocaïnelijn vanuit Zuid-Amerika.

Door verdachte zijn activiteiten ontplooid in het verband van twee criminele organisaties, waarbij zijn rol wisselend van zijdelings tot nauw betrokken was.

Door zijn activiteiten heeft verdachte enerzijds een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de handel in de markt voor soft- en harddrugs. Soft-en harddrugs schaden de gezondheid van de gebruikers; ook de maatschappij lijdt onder de door de gebruikers gepleegde (verwervings)criminaliteit.

Anderzijds geldt dat de opzet van de cocaïnelijn uiteindelijk niet tot stand is gekomen door de weinig professionele wijze van optreden van verdachte en zijn medeverdachten.

Verdachte had tevens een vals opgemaakte identiteitskaart aanwezig. Verdachte heeft daarmee het vertrouwen geschaad dat in het internationaal personenverkeer in reisdocumenten dient te kunnen worden gesteld. Valse identiteitsbewijzen maken een deugdelijke identiteitscontrole onmogelijk en kunnen daardoor het plegen van andere strafbare feiten vergemakkelijken. Door het gebruik van vervalste reisdocumenten wordt het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in van overheidswege verstrekte identiteitsbewijzen geschonden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan de officier van justitie nu de rechtbank dit mede gelet op de “klunzige”voorbereidingshandelingen en mede gezien de vrijspraak voor feit 4 en feit 6 onder A een meer passende afdoening vindt en zal derhalve een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren opleggen.

Uit de samenhang van de bewezenverklaarde feiten blijkt dat verdachte alleen oog heeft gehad voor eigen financieel gewin. Dit brengt de rechtbank ertoe om, naast bovengenoemde gevangenisstraf, tevens een geldboete op te leggen ter hoogte van de waarde van de goederen waarop conservatoir beslag ligt, te weten € 5.674,77.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 23, 24, 24c, 27, 47, 57, 91, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 3, 10, 10a en 13 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A) een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

en

B) een geldboete van € 5674,77 (vijfduizendzeshonderdvierenzeventig euro en zevenenzeventig eurocent),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 58 dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. J.P. Bordes, rechter, als voorzitter,

mr. J.H.M. Westenbroek, rechter,

mr. M.C Gerritsen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.A. Plantenga, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 april 2007.