Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA2041

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
151452
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vraag die in dit kort geding aan de orde is, is of het in hoge mate aannemelijk is dat de bodemrechter zal beslissen dat de inschrijvingen in het kadaster met betrekking tot de dam en de boomgaard onjuist zijn en dat gedaagden derhalve gehouden zijn hun medewerking te verlenen om de - volgens eiser onjuiste - inschrijvingen in het kadaster aan te passen aan hetgeen partijen in de overeenkomst hebben afgesproken. Hierbij is van belang dat met toewijzing van de gevraagde vorderingen in kort geding de bomen op de (bos)percelen zullen worden verwijderd, de percelen vervolgens zullen worden afgegraven, en onder water zullen komen te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 151452 / KG ZA 07-66

Vonnis in kort geding van 13 maart 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. M.P.H. van Maanen Winters te Zwolle,

tegen

1. THEODORUS PETRUS GERRITZEN,

wonende te [woonplaats],

2. de stichting

STICHTING BEHEER "OLDEVAER",

gevestigd te Spijk, gemeente Rijnwaarden,

gedaagden,

advocaat mr. Y.G.I. Schrader-Verseveld te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] c.s., dan wel voor wat betreft gedaagden, [gedaagde] en de Stichting genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde] c.s..

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] was voorheen genaamd [eiseres] en de Stichting was voorheen genaamd Stichting Beheer Ontgonnen Gronden Tengnagelwaard c.a.

2.2. Partijen zijn bij overeenkomst van 31 december 1998 – voor zover hier relevant – als volgt overeengekomen:

De ondergetekenden:

1. a. [voornamen] [gedaagde] (…)

b. [voornamen] [gedaagde] (…)

hierna tezamen in voormelde hoedanigheden ook genoemd: ‘verkoper’

2. de besloten vennootschap met beperkte aan[eiseres]kheid [eiseres]

3. de stichting Stichting Beheer Ontgonnen Gronden Tengnagelwaard C.A.

overwegende:

- dat verkoper eigenaar is van de navolgende registergoederen:

a. het perceel bouwland, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A nummer 1768, groot acht hectare, negenennegentig are en zeventig centiare (8.99.70 hectare);

b. het perceel weiland, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A nummer 1863 (oud sectie A nummer 1683), groot vijf are en vijfennegentig centiare (5.95 are);

c. het perceel water, onland en bouwland, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], deel uitmakend van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A nummer 1864 (oud sectie nummer 1683 en 1767), groot vijf hectare, vierentwintig are en drieënzeventig centiare (5.24.73 hectare);

d. het perceel weiland, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], welk perceel uitmaakt het gehele ten name van de partij sub 1a. genoemd staande gedeeltelijke perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A nummer 1865 (oud sectie A nummer 1648), groot tweeëndertig are en vijfentachtig centiare (32.85 are);

e. het perceel weiland, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], deel uitmakende van het gehele ten name van de partij sub 1a. genoemd staande gedeeltelijke perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A nummer 1866 (oud sectie A nummers 1639 en 1648) en welk perceel is belast met een beperkt recht als bedoeld in artikel 5 lid 3 letter b van de Belemmeringenwet Privaatrecht (oud), ten behoeve van de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie, gevestigd te Groningen, groot zestien hectare, zevenentachtig are en tien centiare (16.87.10 hectare)

hierna tezamen ook te noemen ‘het registergoed’;

- dat derhalve niet tot het registergoed behoren:

a. het tot het sub c voormelde registergoed behorende perceel weiland/boomgaard ter grootte van ongeveer vijftig are (50.00 are), grenzend ten oosten aan het perceel kadastraal bekend nummer 1709, ten noorden aan het perceel kadastraal bekend nummer 1646 en ten westen aan het perceel kadastraal bekend nummer 1862;

b. het tot het sub e voormelde registergoed behorende bosperceel en dam ter grootte van ongeveer twee hectare (2.00.00 hectare), grenzend ten oosten aan het perceel kadastraal bekend nummer 1867;

- voormelde percelen zijn aan partijen genoegzaam bekend en bij benadering met diverse streeparceringen op de aan deze akte gehechte tekening aangegeven (bijlage 1); partijen verlangen geen nadere omschrijving van voormelde percelen weiland/boomgaard/bos;

- dat verkoper bereid is om (a) aan [eiseres] het recht te verlenen om het registergoed te ontgronden conform de ontgrondingsvergunning en (b) het registergoed - onder bezwaar - van voornoemd aan [eiseres] te verlenen recht - te verkopen aan de Stichting, teneinde de Stichting in staat te stellen tot uitoefening van het beheer van de grond en/of waterplas, welke na beëindiging van de ontgrondingswerkzaamheden zal/zullen ontstaan;

Verlening

Artikel 11

Verkoper verleent heden aan [eiseres], gelijk deze van gene aanneemt, het recht tot ontgronding van het registerhoed conform de ontgrondingsvergunning, zoals deze thans luidt of in de toekomst zal luiden. De kosten van winning komen ten laste van [eiseres].

2.3. [eiseres] heeft op grond van bovenstaande overeenkomst jegens de grondeigenaren (de Stichting) het recht verworven in de gemeente Rijnwaarden een gebied te ontgronden en daartoe van de provincie Gelderland de vereiste vergunning verkregen.

2.4. Het transport van de registergoederen heeft op 31 januari 2001 plaatsgevonden. In de akte van levering is met betrekking tot de omschrijving van de registergoederen en het recht tot ontgronding hetzelfde opgenomen als in voormelde overeenkomst.

2.5. In het kadaster is het eigendom van het bosperceel en de dam (uitzondering onder b. van de overeenkomst) in zijn geheel geregistreerd op naam van [gedaagde]. De eigendom van een gedeelte (een “taartpunt”) van het perceel weiland/boomgaard (uitzondering onder a. van de overeenkomst) is in het kadaster geregistreerd op naam van de Stichting. Daarnaast is er een strook grond, grenzend aan het perceel weiland/boomgaard, eveneens op naam van [gedaagde] gesteld.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter [gedaagde] c.s. veroordeelt om op straffe van verbeurte van een dwangsom binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] dan wel de Stichting medewerking te verlenen aan correctie van de onjuiste inschrijvingen in het kadaster door jegens het kadaster te verklaren dat de perceelsgrenzen luiden als aangegeven in de overeenkomst van 31 december 1998 en voormelde transportakte van 31 januari 2001 en ook overigens de voor correctie van de voormelde onjuiste kadastrale inschrijvingen noodzakelijke medewerking te verlenen.

3.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat in het kadaster het eigendom van het bosperceel en de dam (uitzondering onder b. van de overeenkomst) niet juist is geregistreerd, nu het gehele perceel volgens het kadaster toebehoort aan [gedaagde], terwijl volgens de tekeningen bij de overeenkomst en de daarop aangegeven arceringen de punt van de dam in eigendom zou zijn overgedragen aan de Stichting. Voorts is ook het eigendom van een gedeelte van het perceel weiland/boomgaard (uitzondering onder a. van de overeenkomst) niet juist in het kadaster geregistreerd, omdat volgens de tekeningen bij de overeenkomst het gearceerde perceel ter grootte van 50 are eigendom zou blijven van [gedaagde]. Echter een taartpunt van dit perceel is, zo blijkt uit het kadaster, overgedragen aan de Stichting, terwijl het perceel volgens de overeenkomst zou moeten grenzen aan het perceel met nummer 1862. Dat is thans niet het geval. Daarnaast is een strook grond grenzend aan de boomgaard ten onrechte op naam van [gedaagde] gebleven, terwijl dit deel volgens het onder a. bepaalde van de overeenkomst wel had moeten zijn overgedragen aan de Stichting. [eiseres] is thans doende de aan de Stichting toebehorende percelen te ontgronden en zal niet worden toegelaten op de delen die volgens het kadaster geen eigendom zijn van de Stichting. Dit is niet in overeenstemming met hetgeen partijen zijn overeengekomen op 31 december 1998. [eiseres] zal, indien zij niet verder kan met de ontgronding op voornoemde percelen, schade lijden.

3.3. [gedaagde] c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde] c.s. hebben allereerst aangevoerd dat het spoedeisend belang ontbreekt. Dat [gedaagde] c.s. in mei 2006 al door [eiseres] zijn verzocht om medewerking te verlenen aan het doen van de correcties in het kadaster, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat er thans geen sprake meer is van enig spoedeisend belang. [eiseres] heeft ter zitting aangegeven dat de bomen op de percelen die zij wil ontgronden binnenkort gerooid moeten worden, waarna met de ontgronding dient te worden gestart. De advocaat van [eiseres] heeft [gedaagde] c.s. in december 2006 opnieuw verzocht om mee te werken. Omdat [gedaagde] c.s. dat hebben geweigerd, is aannemelijk dat [eiseres] niets anders restte dan het starten van een kort gedingprocedure. Daarnaast is aannemelijk dat [eiseres] schade zal lijden indien op korte termijn niet met de ontgronding verder kan worden gegaan. Anders dan [gedaagde] c.s. hebben betoogd is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat er wel sprake is van spoedeisend belang aan de zijde van [eiseres].

4.2. De vraag die in dit kort geding aan de orde is, is of het in hoge mate aannemelijk is dat de bodemrechter zal beslissen dat de inschrijvingen in het kadaster met betrekking tot de dam en de boomgaard onjuist zijn en dat [gedaagde] c.s. derhalve gehouden zijn hun medewerking te verlenen om de – volgens [eiseres] onjuiste – inschrijvingen in het kadaster aan te passen aan hetgeen partijen in de overeenkomst hebben afgesproken. Hierbij is van belang dat met toewijzing van de gevraagde vorderingen in kort geding de bomen op de (bos)percelen zullen worden verwijderd, de percelen vervolgens zullen worden afgegraven, en onder water zullen komen te staan.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de dam als volgt. Uit de bij de overeenkomst en transportakte bijgesloten tekening blijkt duidelijk dat de dam daarop is gearceerd met uitzondering evenwel van de punt. Uitsluitend volgens de koopovereenkomst zou het gearceerde gedeelte eigendom blijven van [gedaagde]. Volgens de inschrijving in het kadaster is kennelijk toch de hele dam eigendom gebleven van [gedaagde]. Dit is derhalve niet conform hetgeen partijen zijn overeengekomen op 31 december 1998, hetgeen nogmaals is bevestigd bij akte van levering van 31 januari 2001. De eigendom van de punt van de dam is bij overeenkomst en akte van levering overgedragen aan de Stichting, zodat [eiseres] op dit gedeelte gebruik moet kunnen maken van haar verkregen recht tot ontgronding. Voorshands is dan ook voldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter zal beslissen dat de inschrijving in het kadaster met betrekking tot de dam onjuist is. [gedaagde] heeft de vergunning van [eiseres] noch de tekening betwist, maar heeft enkel gesteld dat hij nooit zo goed naar de tekening heeft gekeken. Dit verweer doet niet af aan het voorgaande.

[gedaagde] heeft in dit verband voorts nog aangevoerd dat de eigendom van de dam voor hem van belang is, omdat hij dan altijd aan tafel kan zitten als er plannen worden gemaakt over het gebied waartoe de dam behoort. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat dit argument niet maakt dat een belangenafweging tot een ander oordeel zou moeten leiden. Immers [gedaagde] is, na toewijzing van de vordering en wijziging van de eigendomssituatie in het kadaster, nog steeds eigenaar van het grootste gedeelte van de dam. [gedaagde] heeft verder niet aannemelijk gemaakt waarom hij ook over de punt van de dam zou moeten kunnen beschikken. De vordering tot het verlenen van medewerking aan wijziging van de onjuiste inschrijving in het kadaster met betrekking tot het puntje van de dam zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en aan een maximum worden gebonden, een en ander zoals hierna zal worden weergegeven.

4.4. Ten aanzien van de boomgaard overweegt de voorzieningenrechter dat het hier gaat om een tweetal percelen waarvan de inschrijving in het kadaster onjuist zou zijn. Een taartpunt is blijkens het kadaster eigendom van de Stichting, terwijl dit stuk, zo stelt [eiseres], volgens de overeenkomst van 31 december 1998 in het bezit van [gedaagde] moest blijven. Een andere strook grond, grenzend aan de boomgaard, is volgens het kadaster niet overgedragen aan de Stichting, en dus in het bezit van [gedaagde] gebleven. Een en ander is volgens [eiseres] niet in overeenstemming met hetgeen partijen zijn overeengekomen.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de tekening bij de transportakte blijkt dat een perceel met de vorm van een rechthoek uitgezonderd is van de overdracht aan de Stichting. Dat het taartpunt, dat volgens het kadaster wel is overgedragen, thans toebehoort aan de Stichting lijkt, voorshands geoordeeld, niet in overeenstemming te zijn met de tekening en met de omschrijving in de koopovereenkomst waar gesteld wordt dat het uitgezonderde deel grenst aan het perceel met nummer 1862. Daarvan is alleen sprake indien de taartpunt als onderdeel van de rechthoek bij [gedaagde] zou zijn gebleven. Aannemelijk is dat dit deel van het perceel door [gedaagde] behouden had moeten worden.

4.5. Ten aanzien van de smalle strook grond echter die thans, zo blijkt uit het kadaster, nog eigendom is van [gedaagde], maar volgens [eiseres] aan de Stichting overgedragen had moeten worden, overweegt de voorzieningenrechter dat de omschrijving in de overeenkomst en transportakte en de aanduiding daarvan op de tekening op dit punt onvoldoende aanknopingspunten voor de onderbouwing van de aanspraken van [eiseres]. Volgens de overeenkomst en de transportakte zou de grootte van het gehele perceel dat niet overgedragen zou worden (en dus eigendom zou blijven van [gedaagde]) 50 are moeten zijn, echter de voorzieningenrechter kan thans niet vaststellen of de strook grond, alsmede het taartpunt binnen de 50 are vallen of niet. Dit maakt dat de voorzieningenrechter niet op voorhand kan vaststellen of het aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering met betrekking tot de boomgaard/het weiland zal toewijzen.

4.6. De stelling van [eiseres] dat de vergunning leidend is voor alle partijen, volgt de voorzieningenrechter evenmin nu dit niet met zoveel woorden is opgenomen in de overeenkomst. Hierin is alleen opgenomen dat de Stichting aan [eiseres] het recht tot ontgronding van het registergoed conform de ontgrondingsvergunning verleent. De vordering met betrekking tot de boomgaard/het weiland wordt dan ook afgewezen.

4.7. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] en de Stichting om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de Stichting dan wel [gedaagde] medewerking te verlenen aan het corrigeren van de onjuiste inschrijving in het kadaster ten aanzien van de dam door jegens het kadaster te verklaren dat de perceelsgrenzen luiden zoals is aangegeven in de overeenkomst van 31 december 1998 en in de transportakte van 31 januari 2001 (en de bijlage met arcering), en hun medewerking te verlenen aan correctie van deze onjuiste kadastrale inschrijving,

5.2. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, aan [eiseres] een dwangsom verbeurt van € 10.000,-, tot een maximum van € 250.000,-,

5.3. bepaalt dat de Stichting voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, aan [eiseres] een dwangsom verbeurt van € 10.000,-, tot een maximum van € 250.000,-,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 13 maart 2007.