Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA2040

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
152168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kernvraag is of de beslagvrije voet, zoals die ex artikel 475b Rv en volgende geldt voor onder andere loonbeslag, naar analogie ook geldt indien het restant van het salaris (na beslag) wordt overgemaakt op een (bank)rekening en er volgens beslag wordt gelegd onder de bank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 429
RAR 2007, 126

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 152168 / KG ZA 07-100

Vonnis in kort geding van 13 maart 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. H.F.J.L. van Pelt,

advocaat mr. J.F. van Duin te Ridderkerk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KPN MOBILE THE NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur en advocaat mr. Z.L.F. Reiss te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en KPN genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van KPN.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van 2 augustus 2006 van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg, is [eiser] bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.802,57, te vermeerderen met rente en kosten, aan KPN. Dat vonnis is op 19 september 2006 aan [eiser] betekend.

2.2. Op het loon van [eiser] is, met uitzondering van de beslagvrije voet, loonbeslag gelegd door een gerechtsdeurwaarder.

2.3. Bij exploit van 25 januari 2007 heeft KPN executoriaal beslag gelegd onder de Postbank N.V. (hierna: de Postbank) op een ten name [eiser] gestelde rekening met nummer 5027133. Uit de verklaring van de Postbank van 25 januari 2007 blijkt dat een saldo van € 858,22 is getroffen door het beslag. Van dit bedrag zal de Postbank € 70,- in rekening brengen voor gemaakte kosten. Het bedrag dat resteert ad € 788,02 is thans nog niet door de Postbank aan KPN afgedragen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter het beslag dat door KPN ten laste van [eiser] is gelegd onder de Postbank opheft, voor zover dit beslag het door de werkgever van [eiser] overgemaakte (restant)salaris betreft. Voor zover KPN dit salaris inmiddels mocht hebben uitgewonnen, vordert [eiser] dat KPN wordt veroordeeld dat salaris terug te storten op de bankrekening van [eiser] bij de Postbank, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat wanneer er loonbeslag ligt het gelet op de strekking van de wet niet is toegestaan dat op het restant van het salaris (de zogenaamde beslagvrije voet) dat op een rekening wordt gestort, bankbeslag wordt gelegd. [eiser] moet immers een bestaansminimum overhouden om van te leven. Als het bankbeslag wordt gehandhaaft, zal [eiser] moeten aankloppen bij de Sociale Dienst, terwijl de beslagvrije voet juist als doel heeft te voorkomen dat de schuldenaar wegens beslag op al zijn inkomsten een beroep op een bijstandsuitkering doet.

3.3. KPN voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Kernvraag is of de beslagvrije voet, zoals die ex artikel 475b Rv en volgende geldt voor onder andere loonbeslag, naar analogie ook geldt indien het restant van het salaris (na beslag) wordt overgemaakt op een (bank)rekening en er volgens beslag wordt gelegd onder de bank.

4.2. In beginsel dient als uitgangspunt te gelden dat een schuldenaar met zijn gehele vermogen aansprakelijk is en dat een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt.

Voldoende aannemelijk is dat KPN, nadat zij een executoriale titel had verworven, [eiser] heeft verzocht om tot betaling van het toegewezen bedrag over te gaan en hem heeft gevraagd om informatie over zijn inkomsten. Gebleken is dat [eiser] niet heeft gereageerd op beide verzoeken. Vervolgens heeft KPN executoriaal beslag gelegd onder de bankrekening van [eiser]. Door een andere deurwaarder was reeds - met uitzondering van de beslagvrije voet - beslag gelegd op het loon van [eiser].

4.3. Met KPN moet worden aangenomen dat voormeld saldo van [eiser]s bankrekening, dat onder het onderhavige beslag is gevallen, in zijn geheel vatbaar is voor beslag en niet getroffen wordt door het beslagverbod van art. 475b Rv en volgende, nu het niet langer betreft de vordering van [eiser] op zijn werkgever tot het ontvangen van zijn salaris, doch een vordering van [eiser] op de bank tot uitkering van het daar op zijn rekening aanwezige saldo. Bankbeslag valt niet onder de limitatieve opsomming in de wet van vorderingen tot (periodieke) betaling waaraan een beslagvrije voet is verbonden. De wetsgeschiedenis geeft evenmin aanleiding tot uitbreiding van deze beslagvrije voet voor het onderhavige gelegde bankbeslag. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat de strekking van artikel 475c Rv niet verder dan te voorkomen dat aan een ontvanger het recht wordt ontnomen zijn salaris/periodieke uitkering in ontvangst te nemen en te zijner beschikking te krijgen. Nu [eiser] de hem op grond van zijn arbeidsovereenkomst toekomende maandelijkse uitkeringen door overschrijving op zijn girorekening bij de Postbank reeds voor het leggen van het beslag had ontvangen en deze uitkering dus te zijner vrije beschikking stond, kan niet gezegd worden dat het bankbeslag onrechtmatig is. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

4.4. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van KPN worden begroot op:

- vast recht € 251,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.067,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van KPN tot op heden begroot op € 1.067,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 13 maart 2007.