Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA2020

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
152379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst m.b.t. een assurantieportefeuille;artikel 6:159 BW, artikel 4:103 lic 4 van de Wet op het financieel toezicht (voorheen artikel 59 lid 4 van de Wet financiële dienstverlening).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 152379 / KG ZA 07-116

Vonnis in kort geding van 28 februari 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur en advocaat mr. A.H.J. Cornelissen te Huissen, gemeente Lingewaard,

tegen

1. de vennootschap onder firma

ASSURANTIEKANTOOR [bedrijfsnaam],

gevestigd te [woonplaats],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur en advocaat mr. P.A.C. de Vries te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en het Assurantiekantoor c.s., dan wel het Assurantiekantoor, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van het Assurantiekantoor c.s.

- de wijziging van eis.

1.2. Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is op 28 februari 2007 vonnis gewezen.

Hierna zullen de overwegingen van dat vonnis worden gegeven.

2. De feiten

2.1. [eiser], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn met ingang van januari 2001 een vennootschap onder firma (hierna: v.o.f.) onder de naam Assurantiekantoor [bedrijfsnaam] (hierna: het Assurantiekantoor) aangegaan.

2.2. Meningsverschillen tussen partijen hebben er toe geleid dat [eiser] in maart 2006 een kort gedingprocedure bij deze rechtbank aanhangig heeft gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling op 29 maart 2006 zijn partijen overeengekomen dat zij ten aanzien van hun geschilpunten zullen trachten in het kader van een mediationprocedure tot overeenstemming te komen. Mediation heeft echter niet tot een oplossing van de geschillen geleid.

2.3. Partijen hebben vervolgens op 1 november 2006, samen met hun raadslieden, een vaststellingsovereenkomst gesloten, welke overeenkomst op 22 november 2006 door partijen is getekend en waarin – voor zover thans relevant – is opgenomen:

1. [eiser] treedt met ingang van 30 september 2006 uit VOF Assurantiekantoor [eiser] en zal als eenmanszaak een Assurantiekantoor starten onder de naam [naam] [eiser] Assurantiën.

2. De vennoten [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zetten vanaf deze datum de vennootschap onder firma onder dezelfde naam voort en alle bestanddelen van de onderneming worden aan hen toegescheiden met uitzondering van het hierna vermelde.

3. Aan [eiser] wordt toegescheiden het aan zijn persoon gebonden deel van de assurantieportefeuille. Het betreft de verzekeringen die behoren bij de relatie die staan weergegeven op bijlage 1. Daarnaast wordt aan [eiser] toegescheiden een deel van de overige assurantieportefeuille ter waarde van € 10.500,- provisie per jaar, gefilterd uit relaties op naam van Frits Gerritsen. Deze laatste portefeuille zal naar evenredigheid uit schade- en levensverzekeringen bestaan.

[eiser] en [gedaagde sub 2] zullen direct na ondertekening van deze overeenkomst in overleg treden en de portefeuille ter waarde van € 10.500,- per jaar vaststellen. Zodra deze is vastgesteld zal deze worden vastgelegd en door alle partijen worden ondertekend en als bijlage 2 aan deze overeenkomst worden gehecht.

4. Toescheiding van voormelde portefeuille zal plaatsvinden op 1 januari 2007. Indien dit om technische redenen niet mocht lukken, dan zal toescheiding per 1 februari 2007, dan wel 1 maart 2007 plaatsvinden. Alle provisie-inkomsten uit deze portefeuille komen tot datum overdracht toe aan [gedaagde sub 2] en

[gedaagde sub 3].

5. [eiser] ontvangt vanaf 1 oktober 2006 tot datum definitieve overdracht van de portefeuille voormeld, doch uiterlijk tot 1 maart 2007, een gefixeerd bedrag van € 5.218,- per maand. Dit bedrag zal telkens aan het eind van elke maand worden voldaan.

11. Partijen verplichten zich in te spannen om zo spoedig als mogelijk is de aan

[eiser] toe te scheiden assurantieportefeuille op een van overeengekomen data als bedoeld in artikel 4 van deze overeenkomst te laten plaatsvinden.

12. Indien de assurantieportefeuille, bestemd voor [eiser], voor 1 maart 2007 nog niet is overgedragen, vervalt de totale assurantieportefeuille aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]. Deze zijn vervolgens verplicht aan [eiser] een vergoeding te betalen van (€ 85.000,- x 2,6) € 221.000,-. Dit bedrag wordt conform de VOF akte aan [eiser] uitbetaald, verminderd met het reeds uitbetaalde bedrag als bedoeld in artikel 5 (aanvullende afspraak bijlage 4).

2.4. Op 21 november 2006 heeft [eiser] een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wet op het financieel toezicht ingediend. Bij brief van 18 januari 2007 is deze vergunning aan [eiser] verleend. Vervolgens heeft [eiser] op 24 januari 2007 aanvragen ingediend bij verzekeraars voor een tussenpersoonnummer en bij de Finergo Groep verzocht hem een software pakket te leveren.

2.5. In antwoord op de brieven van het Assurantiekantoor c.s. van 7 december 2006 en 16 januari 2007 heeft [eiser] [gedaagde sub 2] bij e-mailbericht van 24 januari 2007 bericht dat zodra [eiser] alle tussenpersoonnummers van de verzekeringsmaatschappijen in zijn bezit zou hebben, hij zo spoedig mogelijk contact met [gedaagde sub 2] zou opnemen. Omstreeks 6 februari 2007 heeft [eiser] vervolgens contact opgenomen met het Assurantiekantoor c.s. teneinde een afspraak te maken over de verzending van de lijsten (met de klant- en polisgegevens die [eiser] zal overnemen) naar de verzekeraars in verband met de overvoer van de assurantieportefeuille. Op 12 februari 2007 hebben partijen afgesproken dat de lijsten voor de overvoer van de portefeuille op 20 februari 2007 door partijen ondertekend zouden worden en naar de diverse verzekeraars gezonden zouden worden. Tevens heeft [eiser] verzocht om de volledige klanten- en polisadministratie digitaal aan te leveren. Het Assurantiekantoor c.s. heeft dit laatste geweigerd. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 14 februari 2007 het Assurantiekantoor c.s. gesommeerd om de betreffende informatie digitaal aan te leveren met een verwijzing naar artikel 11 van de vaststellingsovereenkomst. Het Assurantiekantoor c.s. heeft hierop gereageerd bij brief van 16 februari 2007 en [eiser] medegedeeld dat zij hiertoe niet kan overgaan en dat [eiser] reeds in het bezit is van de benodigde gegevens.

2.6. De advocaat van het Assurantiekantoor c.s. heeft [eiser] bij faxbericht van 19 februari 2007 medegedeeld dat de overdracht van de portefeuille niet meer kan plaatsvinden. Zij verwijst hiervoor naar een aantal e-mailberichten van verzekeraars waarin wordt vermeld dat zij geruime tijd, twee tot drie maanden, nodig hebben om de overvoer administratief te verwerken. Tijdens een overleg tussen partijen op 20 februari 2007 bleek dat het Assurantiekantoor c.s. de lijsten naar de verzekeraars alleen wilde verzenden met daarbij een brief waarin was opgenomen dat de verzekeraars moesten bevestigen dat de overvoer van klanten en polissen vóór 1 maart 2007 zou plaatsvinden. [eiser] heeft geweigerd deze brief te ondertekenen. Bij faxbericht van 21 februari 2007 heeft de raadsman van [eiser] het Assurantiekantoor c.s. nogmaals verzocht om de lijsten naar de verzekeraars te versturen, zonder vermelding van een einddatum.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - na een vermindering van eis - dat de voorzieningenrechter

I. het Assurantiekantoor c.s. veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom de lijsten van de aan [eiser] toegescheiden klanten en polissen mede te ondertekenen en deze lijsten voor overvoer naar [eiser] aan de verzekeraars toe te zenden, en

II. het Assurantiekantoor c.s. veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom op de door de Finergo Groep aangegeven wijze de klanten- en polisadministratie van de aan [eiser] toegescheiden assurantieportefeuille digitaal aan hem over te dragen.

3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de assurantieportefeuille, ingevolge de artikelen 3 en 4 van de vaststellingsovereenkomst, reeds aan hem is toegescheiden bij vaststellingsovereenkomst van 22 november 2006 (het persoonsgebonden deel) en bij brief van 7 december 2006 (het deel aan provisie van € 10.500,- per jaar). Met deze toescheiding heeft [eiser] de portefeuille in eigendom verkregen, zodat er geen beroep meer op artikel 12 van de vaststellingsovereenkomst kan worden gedaan. Er behoefden slechts enkele administratieve handelingen te worden verricht ter uitvoering van de toescheiding (het verkrijgen van een vergunning en tussenpersoonnummers, het samenstellen van de lijsten voor de verzekeraars e.d.). Met verzending van de lijsten naar

de verzekeraars is de feitelijke overdracht van de assurantieportefeuille aan [eiser] volgens hem afgerond. [eiser] heeft op 20 februari 2007 geweigerd brieven met de einddatum die het Assurantiekantoor c.s. samen met de lijsten wilde versturen naar de verzekeraars te ondertekenen, omdat hij, gelet op de inhoud van de e-mailberichten van de verzekeraars dat de overvoer twee tot drie maanden zou duren, anders wellicht zijn aanspraak op de portefeuille zou verliezen.

Voorts wil [eiser] alle gegevens van de aan hem over te dragen klanten waar het Assurantiekantoor c.s. over beschikt digitaal aangeleverd krijgen. [eiser] zou anders alle gegevens opnieuw moeten inbrengen in de computer, hetgeen tijdrovend en dubbel werk is. [eiser] heeft zelfs (financiële) ondersteuning bij de werkzaamheden, die het Assurantiekantoor c.s. daarvoor moet verrichten, aangeboden. Als [eiser] niet digitaal over de gegevens beschikt, kent hij, indien hij door een klant wordt gebeld, de gegevens van de verzekering niet, hetgeen de afhandeling van eventuele schades en/of wijzigingen enorm bemoeilijkt.

3.3. Het Assurantiekantoor c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Kernvraag in dit kort geding is of, zoals [eiser] betoogt, de overdracht van de assurantieportefeuille reeds heeft plaatsgevonden - behoudens de verzending van de lijsten -, zodat [eiser] hiervan thans eigenaar is.

4.2. Het meest verstrekkende verweer van het Assurantiekantoor c.s. luidt dat de overdracht van de portefeuille per 1 maart 2007 nog niet heeft plaatsgehad en ook niet meer haalbaar zal zijn, omdat de verzekeraars niet voor die datum de administratieve verwerking van de overvoer kunnen afhandelen, hetgeen wel vereist is voor een geldige overdracht. Volgens [eiser] is deze lezing echter in strijd met de vaststellingsovereenkomst en met de bedoeling die partijen hadden ten tijde van het sluiten van die overeenkomst, alsmede met de redelijkheid en billijkheid. De stelling van het Assurantiekantoor c.s. zou volgens [eiser] betekenen dat de realisering van de eigendomsoverdracht van de assurantieportefeuille afhankelijk is van derden, hetgeen volgens hem niet het geval kan zijn.

4.3. Vastgesteld kan worden dat de bewoordingen in de vaststellingsovereenkomst meebrengen dat partijen hebben afgesproken en beoogd dat de overdracht van de assurantieportefeuille zou plaatsvinden vóór 1 maart 2007. In de vaststellingsovereenkomst wordt meerdere malen gesproken over de overdracht dan wel toescheiding, die vóór 1 maart 2007 moet plaatsvinden, en is in artikel 12 van de vaststellingsovereenkomst een zogenaamd vervalbeding opgenomen, hetgeen inhoudt dat indien de overdracht niet voor voornoemde datum zal plaatsvinden, de assurantieportefeuille aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zal vervallen.

4.4. De voorzieningenrechter overweegt dat de overdracht of overvoer van een assurantieportefeuille juridisch moet worden geduid als contractsoverneming met betrekking tot een verzameling verzekeringen. Ingevolge artikel 6:159 BW is voor contractsoverneming een akte vereist tussen de partij die overdraagt en de partij die overneemt en is daarnaast noodzakelijk dat de wederpartij, in casu de verzekeraar - en afhankelijk van de aard van de bemiddeling ook de verzekerde - , toestemming verleent voor de overdracht. Die toestemming is derhalve een totstandkomingsvereiste voor de contractsoverneming, tenzij de toestemming bij voorbaat reeds is gegeven, hetgeen niet is gesteld of gebleken.

Echter in het onderhavige geval is als specialis artikel 4:103 lid 4 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) (voorheen artikel 59 lid 4 van de Wet financiële dienstverlening, hierna Wfd) van toepassing, dat luidt dat de verzekeraar op schriftelijk verzoek van een bemiddelaar zijn medewerking verleent aan de gehele of gedeeltelijke overdracht van de portefeuille van die bemiddelaar aan een andere bemiddelaar, tenzij de verzekeraar gegronde bezwaren heeft tegen die bemiddelaar. Het Assurantiekantoor c.s. heeft niets gesteld op grond waarvan voorshands moet worden aangenomen dat een of meer van de betrokken verzekeraars gegronde bezwaren kan hebben tegen [eiser] als nieuwe bemiddelaar. Dit betekent dat vooralsnog kan worden aangenomen dat de contractsoverneming in beginsel tot stand komt met de kennisgeving van de overdracht aan de verzekeraars, hetgeen ook nog vóór 1 maart 2007 had kunnen geschieden indien het Assurantiekantoor c.s. tijdig had ingestemd met het ondertekenen van de lijsten en deze vervolgens bijtijds waren verzonden.

4.5. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat met voornoemde kennisgeving de overdracht weliswaar nog niet compleet is, in die zin dat de portefeuille ook is overgeboekt bij de verschillende verzekeraars, zoals wordt bedoeld in artikel 4:102 Wft (artikel 58 Wfd oud), maar gebleken is dat partijen deze overboeking niet zelf in de hand hebben. Bovendien is duidelijk dat de overboeking meer tijd nodig heeft dan beide partijen bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst voor ogen stond. Alleen al de vergunningverlening heeft bijna twee maanden geduurd en [eiser] kon zonder die vergunning nog geen tussenpersoonnummers krijgen bij de verschillende verzekeraars. Het verkrijgen van de tussenpersoonnummers heeft opnieuw enkele weken geduurd. Voorshands is niet aannemelijk dat [eiser] het in zijn macht had om een en ander aanmerkelijk te versnellen. Uit de diverse e-mailberichten is gebleken dat de verzekeraars, na kennisgeving van de overdracht, nog geruime tijd - zeker twee tot drie maanden - nodig hebben om de overvoer administratief te verwerken en de portefeuille over te boeken. De voorzieningenrechter overweegt dat vooralsnog aannemelijk is dat dit traject nimmer had kunnen worden afgerond in de iets meer dan drie maanden, die [eiser] daarvoor kreeg in de overeenkomst van 22 november 2006. Onder deze omstandigheden is het, voorshands geoordeeld, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dan ook onaanvaardbaar om [eiser] te houden aan de vervaldatum van 1 maart 2007.

4.6. Op grond van het vorenstaande zal het Assurantiekantoor c.s. worden veroordeeld om de lijsten van de aan [eiser] toegescheiden klanten en polissen mede te ondertekenen en deze lijsten voor overvoer naar [eiser] aan de desbetreffende verzekeraars toe zenden, waarbij de voorzieningenrechter er vanuit gaat dat beide partijen er belang bij hebben en er alles aan zullen doen om ervoor te zorgen dat de verzekeraars zo snel mogelijk de overdracht administratief verwerken. Aan deze veroordeling zal een dwangsom worden verbonden, die zal worden gemaximeerd, zoals hierna is weergegeven.

4.7. De vordering van [eiser] tot het digitaal overdragen van de klanten- en polisadministratie van de aan hem toegescheiden assurantieportefeuille, zal de voorzieningenrechter afwijzen, nu partijen dit niet zijn overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst en voldoende aannemelijk is geworden dat dit op grote (administratieve) problemen bij het Assurantiekantoor c.s. stuit, terwijl onvoldoende is weersproken dat [eiser] de desbetreffende gegevens ook op andere wijze kan vergaren.

4.8. Aangezien partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van dit kort geding tussen hen worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt gedaagden, des dat de een uitvoering gevend de anderen zullen zijn bevrijd, om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de lijsten van de aan eiser toegescheiden klanten en polissen mede te ondertekenen en deze lijsten voor overvoer naar eiser aan de desbetreffende verzekeraars toe zenden;

5.2. veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen tot het bedrag daarvan zullen zijn bevrijd, om aan eiser een dwangsom van € 1.000,00 te betalen voor iedere dag dat zij in gebreke blijven met voldoening aan hetgeen onder 5.1. is bevolen, zulks tot een maximum van in totaal € 100.000,00;

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. weigert het anders of meer gevorderde;

5.5. compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 28 februari 2007. De overwegingen waarop het vonnis stoelt zijn geminuteerd op 8 maart 2007.