Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA1802

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
124175 / 129613
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een woning verschaft aan haar bewoner niet alleen onderdak, een slaapplaats e.d., maar ook woongenot. Dat woongenot wordt ook bepaald door immateriele zaken als stand van de wijk, ruimte, uitzicht, afwezigheid van bedrijfsmatige activiteiten, van overlast en van conflicten met buren. De prijs van een woning is daarop afgestemd. Dat betekent dat de lasten van de eigenaar voor de woning in het algemeen hoger zijn naarmate de bedoelde immateriele zaken meer aanwezig zijn. Als door onrechtmatig toegebrachte hinder dit immateriele woongenot in een zekere periode is verminderd, hebben de eigenaarslasten ten dele hun doel gemist (vgl. H 28 januari 2005, RvdW 2005, 19, Burger/Brouwer). Dit gedeelte van de eigenaarslasten komt als materiele schade voor vergoeding in aanmerking., naast eventueel voor dezelfde overlast toegekend smartengeld. De vergoeding van materiële schade dient ter compensatie van de afwezigheid van woongenot, het smartengeld dient ter compensatie van de ergernis en gederfde levensvreugde over het feit dat het woongenot ten gevolge van onrechtmatige ernstige hinder gedurende een langere periode afwezig is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 14 maart 2007

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 124175 / HA ZA 05-379 van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. J.F.E. van Halder,

advocaat mr. N. Stommels te Nijmegen,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. J.W. Kobossen,

advocaat mr. F.J.M. Kobossen te Deventer,

2. de rechtspersoon naar publiek recht

GEMEENTE LINGEWAARD,

zetelende te Bemmel, gemeente Lingewaard,

gedaagde in conventie,

procureur mr. P.J.M. van Wersch,

advocaat mr. H. Zeilmaker te Nijmegen,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 129613 / HA ZA 05-1352 van

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.W. Kobossen,

advocaat mr. F.J.M. Kobossen te Deventer,

tegen

de rechtspersoon naar publiek recht

DE GEMEENTE LINGEWAARD,

zetelende te Bemmel, gemeente Lingewaard,

gedaagde,

procureur mr. P.J.M. van Wersch,

advocaat mr. H. Zeilmaker te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eisers in conventie] c.s., [eiser in vrijwaring] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 augustus 2006

- de conclusie na tussenvonnis van [eisers in conventie] c.s.

- de conclusie van antwoord na tussenvonnis van de Gemeente

- de antwoordconclusie na tussenvonnis van [eiser in vrijwaring]

- de akte van [eisers in conventie] c.s.

- de antwoordakte van [eiser in vrijwaring].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 augustus 2006.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De verdere beoordeling

in de hoofdzaak in conventie

3.1. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 9 augustus 2006 beslist dat [eiser in vrijwaring] en de Gemeente aansprakelijk zijn voor de schade die [eisers in conventie] c.s. hebben geleden tengevolge van de onrechtmatig veroorzaakte overlast door geluid-, trillings-, stank-, stof- en visuele hinder vanaf h[adres]onplaats] vanaf 1994 tot 4 juni 2003, met een korte onderbreking na 31 mei 2001. Deze periode zal hierna de schadeperiode worden genoemd. Zij heeft verder beslist dat [eisers in conventie] c.s. aanspraak hebben op € 20.000,00 aan smartengeld en dat de gevorderde schadevergoeding zal worden afgewezen, voor zover het betreft de proceskosten van eerder gevoerde procedures en de gestelde waardevermindering van de woni[adres]onplaats]. Voor het overige heeft de rechtbank [eisers in conventie] c.s. uitgenodigd hun schade nader te begroten en de zaak daartoe naar de rol verwezen. [eisers in conventie] c.s. hebben een aantal schadeposten opgevoerd. Zij vorderen thans na wijziging van eis € 188.631,33, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. [eiser in vrijwaring] en de Gemeente hebben alle posten betwist. De rechtbank zal de schadeposten hierna bespreken.

Aantasting woongenot

3.2. [eisers in conventie] c.s. vorderen in de eerste plaats vergoeding van gederfd woongenot. Zij onderscheiden deze schadepost van het reeds toegewezen bedrag aan smartengeld van € 20.000,00. Zij stellen dat de aantasting van het woongenot ook heeft geleid tot materiële schade. Zij zoeken aansluiting bij art. 7:207 BW dat de huurder aanspraak geeft op vermindering van de huurprijs ten gevolge van vermindering van het huurgenot. Zij hebben de huurwaarde laten bepalen als naar hun oordeel objectieve maatstaf om tot een schadebepaling te komen. Op basis van een taxatie van Dingemans Makelaardij van 28 september 2006 komen zij tot een schade van € 109.194,67.

3.3. [eiser in vrijwaring] en de Gemeente stellen dat naast vergoeding van smartengeld voor gederfd woongenot geen plaats meer is voor toewijzing van materiële schade wegens gederfd woongenot. Zij stellen verder dat bij de bepaling van de huurwaarde geen rekening is gehouden met de situatie ter plaatse, dat deze bepaling onvoldoende inzichtelijk is en dat begroting van de schade op 100% van de huurwaarde onjuist is.

3.4. Een woning verschaft aan haar bewoner niet alleen onderdak, een slaapplaats e.d., maar ook woongenot. Dat woongenot wordt ook bepaald door immateriële zaken als stand van de wijk, ruimte, uitzicht, afwezigheid van bedrijfsmatige activiteiten, van overlast en van conflicten met buren. De prijs van een woning is daarop afgestemd. Dat betekent dat de lasten van de eigenaar voor de woning in het algemeen hoger zijn naarmate de bedoelde immateriële zaken meer aanwezig zijn. Als door onrechtmatig toegebrachte hinder dit immateriële woongenot in een zekere periode is verminderd, hebben de eigenaarslasten ten dele hun doel gemist (vgl. H 28 januari 2005, RvdW 2005, 19, Burger/Brouwer). Dit gedeelte van de eigenaarslasten komt als materiële schade voor vergoeding in aanmerking, naast eventueel voor dezelfde overlast toegekend smartengeld. De vergoeding van materiële schade dient ter compensatie van de afwezigheid van woongenot, het smartengeld dient ter compensatie van de ergernis en gederfde levensvreugde over het feit dat het woongenot ten gevolge van onrechtmatige ernstige hinder gedurende een langere periode afwezig is geweest. De hierop betrekking hebbende stelling van [eiser in vrijwaring] en de Gemeente wordt verworpen.

3.5. Begroting van die schade aan de hand van de huurwaarde van de woning, zoals [eisers in conventie] c.s. voorstellen, is in overeenstemming met de aard van de schade. De werkelijke eigenaarslasten zijn als maatstaf ondeugdelijk, omdat een dergelijke benadering wordt verstoord door toevallige factoren als de mate waarin de eigenaar de woning met eigen geld heeft gefinancierd en de waarde-ontwikkeling van de woning sinds de verwerving ervan.

3.6. De schade wordt begroot door de huurwaarde gedurende de schadeperiode te bepalen in de situatie zonder overlast en in de situatie met overlast en vervolgens het verschil te nemen. De rechtbank acht het overigens niet aannemelijk dat de huurwaarde door de overlast nihil is geworden, zoals [eisers in conventie] c.s. stellen. De rechtbank is voornemens een deskundige te benoemen aan wie de volgende vragen zullen worden voorgelegd:

1. Wat is de huurwaarde van de woni[adres]onplaats] in de periode vanaf 1994 tot 4 juni 2003, uitgaande van gebruik van h[adres]onplaats] in overeenstemming met het planologische regime (“Agrarisch gebied”)? Wilt u de huurwaarde voor ieder jaar per maand aangeven en de bedragen bij elkaar optellen?

2. Wat is de huurwaarde van de woni[adres]onplaats] in de periode vanaf 1994 tot 4 juni 2003, uitgaande van gebruik van h[adres]onplaats], zoals dat is vastgesteld door de rechtbank in haar vonnis van 9 augustus 2006 en zoals dat blijkt uit de door [eisers in conventie] c.s. gemaakte video’s? Wilt u de huurwaarde voor ieder jaar per maand aangeven en de bedragen bij elkaar optellen?

3. Wat is het verschil tussen de onder 1) en 2) gevonden bedragen? Is dit de schade die [eisers in conventie] c.s. hebben geleden tengevolge van gederfd woongenot? Zo nee, welk bedrag wordt dan wel door die schade gevormd en hoe berekent u die schade?

4. Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

3.7. De procedure zal worden verwezen naar de rol van 28 maart 2007, waarop partijen zich kunnen uitlaten over deze vragen en over de persoon van de deskundige.

Schade aan de woning

3.8. [eisers in conventie] c.s. stellen dat door afgraving van het perceel en vervolgens storting van puin in 1993/94 scheurvorming is ontstaan aan hun woning. Zij begroten de herstelkosten aan de hand van een rapport van Van de Beek Bouwadvies van 28 augustus 2006 op € 24.700,00.

3.9. [eiser in vrijwaring] betoogt in de eerste plaats dat de vordering is verjaard, omdat over deze schadepost nooit eerder is geklaagd. De rechtbank verwerpt dit betoog. [eisers in conventie] c.s. hebben bij brief van 3 november 1997 geklaagd over beschadiging van hun woning door scheurvorming. Bovendien is het beroep op verjaring reeds in r.ov. 5.12 van het tussenvonnis besproken en verworpen. Dat betekent dat het beroep op verjaring is verworpen voor alle schadeposten die met de onrechtmatige hinder samenhangen.

3.10. [eiser in vrijwaring] en de Gemeente stellen verder dat causaal verband ontbreekt tussen de gestelde afgraaf- en stortwerkzaamheden enerzijds en de scheurvorming aan de woning anderzijds. De Gemeente heeft aan de hand van een advies van dr. ir. F.L.M. van Rossum van 5 november 2006 gesteld dat trillings- en zettingsschade, gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand van de woning en de schuur tot het perceel van [eiser in vrijwaring] niet mogelijk is.

3.11. Gezien de betwisting van het causaal verband zal de rechtbank een deskundige benoemen die onderzoek zal doen naar de mate van afgraving en de wijze van ophoging van het perceel aan de [adres], de bodemgesteldheid ter plaatse en de mate van waarschijnlijkheid dat de aangetroffen scheuren in de woning van [eisers in conventie] c.s. zijn veroorzaakt door trillingen vanaf of afgravingen/stortingen op dit perceel. De rechtbank is voornemens de volgende vragen aan de deskundige te stellen:

1. Geeft u een beschrijving van de afgraving en ophoging van het perceel aan de [adres].

2. Geeft u een beschrijving van de bodemopbouw ter plaatse. In hoeverre is de bodem gevoelig voor voortplanting van trillingen ten gevolge van het storten van puin en het egaliseren van het terrein? In hoeverre is de bodem gevoelig voor inklinking ten gevolge van het storten van puin? In hoeverre is de bodem gevoelig voor zetting ten gevolge van het afgraven van grond?

3. Geeft u een beschrijving van de scheuren in de gevel van de woni[adres]onplaats].

4. Zijn deze scheuren veroorzaakt door trillingen vanaf het perceel [adres] of door zetting ten gevolge van afgravingen of ophogingen op het perceel [adres]? In hoeverre kan daarover nu nog een betrouwbare uitspraak worden gedaan?

5. Zo ja, op welke wijze moet deze schade worden hersteld en hoeveel kost dat, bereken volgens het huidige prijspeil?

6. Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

3.12. De procedure zal worden verwezen naar de rol van 28 maart 2007, waarop partijen zich kunnen uitlaten over deze vragen en over de persoon van de deskundige. Dit onderzoek zal vermoedelijk ± € 10.000,00 gaan kosten, vooral als het nodig zal blijken te zijn om bodemmonsters van de grond te nemen. Niet uitgesloten is dat de deskundige geen uitsluitsel kan geven, omdat de afgravings- en ophogingswerkzaamheden te lang geleden hebben plaatsgevonden. Het bereiken van een regeling op dit punt verdient daarom bepaald de voorkeur. Desnoods kan daarvoor op verzoek van partijen een comparitie worden bepaald.

De inkomensschade

3.13. [eisers in conventie] c.s. stellen dat W.A. [eisers in conventie] door de spanningen ten gevolge van de onrechtmatige hinder een jaar eerder met VUT is gegaan en dat [eisers in conventie] c.s. daardoor € 23.113,13 netto inkomensschade hebben geleden.

3.14. [eiser in vrijwaring] en de Gemeente betwisten dat W.A. [eisers in conventie] door de onrechtmatige hinder een jaar eerder met de VUT is gegaan. De Gemeente wijst erop dat [eisers in conventie] c.s. andere tegenslagen hebben meegemaakt die ook voor spanningen en verdriet hebben gezorgd.

3.15. Gezien deze betwisting zullen [eisers in conventie] c.s. worden opgedragen te bewijzen dat W.A. [eisers in conventie] tengevolge van de onrechtmatige hinder niet op 1 september 2004 maar op 1 september 2003 met de VUT is gegaan.

Uitwijkkosten

3.16. [eisers in conventie] c.s. stellen dat zij regelmatig de woning door de overlast zijn ontvlucht en hebben gelogeerd in de kamer van P.H.F. [eisers in conventie] in Vlissingen. Zij hebben deze kamer speciaal voor dit doel aangehouden, hoewel P.H.F. [eisers in conventie] weer op de [adres] woonde. Zij vorderen in verband hiermee € 10.557,33.

3.17. [eiser in vrijwaring] en de Gemeente hebben betwist dat de kamer in Vlissingen voor dit doel is aangehouden. De Gemeente heeft er verder op gewezen dat het niet redelijk is deze schadepost aan haar toe te rekenen, gezien de grote afstand tussen Gendt en Vlissingen en het ver verwijderde verband tussen de onrechtmatige gedraging en deze schadepost.

3.18. De rechtbank overweegt dat met toekenning van een bedrag voor eigenaarslasten die hun doel hebben gemist en vooral smartengeld wegens gederfd woongenot [eisers in conventie] c.s. in staat zijn gesteld de ongenoegens ten gevolge van de onrechtmatige hinder te verzachten. Kosten voor een verblijf buiten de woning om de confrontatie met de hinder even te ontvluchten, vallen daar onder. Toekenning van de post uitwijkkosten zou daarom leiden tot een dubbele schadevergoeding. Ook al zouden deze uitwijkkosten niet volledig samenvallen met de schadevergoeding wegens gederfd woongenot, dan is het niet redelijk in de zin van art. 6:98 BW daarnaast kosten voor verblijf in een kamer aan zee aan [eiser in vrijwaring] en de Gemeente toe te rekenen. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

Verdere verloop

De overige beslissingen zullen worden aangehouden. Het getuigenbewijs en de deskundigenberichten kunnen tegelijkertijd plaatsvinden. Nadat partijen zich hebben uitgelaten over de aan de deskundigen te stellen vragen en de personen van de deskundigen, gaat de procedure naar de rol en zal de rechtbank de deskundigen bij tussenvonnis benoemen. Tegelijkertijd kunnen de voorbereidingen worden getroffen voor het getuigenverhoor.

in de hoofdzaak in reconventie en in de vrijwaringszaak

3.19. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak in conventie

4.1. draagt [eisers in conventie] c.s. op te bewijzen dat W.A. [eisers in conventie] tengevolge van de onrechtmatige hinder niet op 1 september 2004 maar op 1 september 2003 met de VUT is gegaan,

4.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 maart 2007 voor uitlating door [eisers in conventie] c.s. of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel en voor uitlating over hetgeen in 3.7 en 3.12 is overwogen,

4.3. bepaalt dat [eisers in conventie] c.s., indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

4.4. bepaalt dat [eisers in conventie] c.s., indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op maandagen in de maanden april tot en met juni 2007 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

4.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. F.J. de Vries in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

4.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

4.7. houdt iedere verdere beslissing aan,

in de hoofdzaak in reconventie en in de zaak in vrijwaring

4.8. houdt de beslissing in de hoofdzaak in reconventie en in de vrijwaringszaak aan,

4.9. bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 28 maart 2007 .

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2007.