Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA1476

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
123228
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij vonnis van 23 november 2005 heeft de rechtbank overwogen dat de bewijslast terzake van de stelling dat het verkeersongeluk van betrokkene is veroorzaakt door de hond van gedaagde bij de Staat en UWV rust, terwijl het daartoe tot op dat moment door de Staat en UWV voorgedragen bewijs voldoende door gedaagde was ontzenuwd, zodat de Staat en UWV zouden worden toegelaten tot het leveren van aanvullend bewijs.

Nu de Staat en UWV het hun opgedragen bewijs hebben geleverd, is gedaagde op grond van artikel 6:179 BW (in combinatie met artikel 3 Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren en artikel 90 WAO) jegens hen aansprakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 123228 / HA ZA 05-215

Vonnis van 21 februari 2007

in de zaak van

1. De STAAT DER NEDERLANDEN, zetelend te 's-Gravenhage,

2. Het rechtspersoonlijkheid bezittende UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERS-VERZEKERINGEN (UWV), gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. T.J.J. van Dijk te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. A.T. Bolt te Arnhem.

Partijen zullen hierna de Staat, UWV en [gedaagde] genoemd worden.

1. De verdere beoordeling

1.1. Bij vonnis van 23 november 2005 heeft de rechtbank overwogen dat de bewijslast terzake van de stelling dat het verkeersongeluk van [betrokkene] is veroorzaakt door de hond van [gedaagde] bij de Staat en UWV rust, terwijl het daartoe tot op dat moment door de Staat en UWV voorgedragen bewijs voldoende door [gedaagde] was ontzenuwd, zodat de Staat en UWV zouden worden toegelaten tot het leveren van aanvullend bewijs. Bij vonnis van 18 januari 2006 is vervolgens een deskundigenbericht bevolen ter beantwoording van, kort gezegd, de vraag of, en zo ja op welke wijze en met welke mate van waarschijnlijkheid, de door de politie op de ongevalslocatie aangetroffen hond van [gedaagde] het ongeval van [betrokkene] kan hebben veroorzaakt. (Waar in het dictum van dit vonnis wordt gerept van het ongeval van [gedaagde] is sprake van een kennelijke verschrijving). N.L. [betrokkene] is tot deskundige benoemd. Hij heeft zijn deskundigenbericht op 23 augustus 2006 ter griffie gedeponeerd. Alle partijen hebben zich bij conclusie over het deskundigenbericht uitgelaten, waarbij [gedaagde] nog een rapport van J.L.M. [betrokkene 2], gedateerd 6 november 2006, in het geding heeft gebracht. De Staat en UWV hebben daarop weer bij akte gereageerd. Tenslotte is vonnis bepaald.

1.2. De deskundige heeft de hem gestelde vragen als volgt beantwoord.

“Vraag 1:

Wilt u aan de hand van alle in het procesdossier aanwezige (technische) gegevens een reconstructie maken en aan de hand daarvan gemotiveerd uiteenzetten of, en zo ja op welke wijze en met welke mate van waarschijnlijkheid, de door de Politie op de ongevalslocatie aangetroffen hond van de heer [gedaagde] het ongeval van [betrokkene] kan hebben veroorzaakt?

Antwoord 1:

Na analyse van het tijdstip, de botspositie, de snelheid van de auto, de werpwijdte c.q. vindplaats van de hond, zijn er hier en daar nog wel wat (kleine) vraagtekens te plaatsen, maar over het algemeen wijst alles er op dat de Escort van [betrokkene] naar alle waarschijnlijkheid botscontact heeft gehad met de hond van de familie [gedaagde], met als gevolg dat de Escort tegen de 5e dam tot stilstand is gekomen.

Als de hond van de familie [gedaagde] als gevolg van een ander botscontact op de rijbaan (tegenover de 4e dam) is terecht gekomen, zou de Escort van [betrokkene] (nog vóór het moment van wegslepen van het dode dier) daarvoor naar rechts kunnen zijn uitgeweken en via de berm in botsing zijn gekomen met de 5e dam. Daarvóór zou dan de Escort nog in botsing moeten zijn geweest met een ander dier dat qua kleur en afmetingen vergelijkbaar is met de hond van de fam. [gedaagde].

Een en andere betekent dat er in een kort tijdsbestek en op korte afstand van elkaar, twee botsingen met verschillende honden en voertuigen hebben plaatsgevonden met als consequentie dat de auto welke botscontact zou hebben gehad met de hond van de fam. [gedaagde] is doorgereden en tevens zou dan de hond waarmee de Escort contact heeft gehad moeten zijn doorgelopen. Daarmee is deze variant niet onmogelijk, maar naar mijn overtuiging wel “zeer onwaarschijnlijk”.

Vraag 2:

Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

Antwoord 2:

Daarvoor kan ik verwijzen naar de analyse van dit ongeval, zie Hoofdstuk VII van dit rapport en naar de beantwoording van de aanvullend gestelde vragen (op het concept), zie Hoofdstuk IX.”

1.3. De Staat en UWV hebben naar aanleiding van het deskundigenbericht geconcludeerd dat zonder meer aangenomen moet worden dat de hond van [gedaagde] het in deze zaak aan de orde zijnde verkeersongeval heeft veroorzaakt.

[gedaagde] heeft de conclusies van [betrokkene] bestreden, mede aan de hand van een door hem overgelegd rapport van J.L.M. [betrokkene 2], registerexpert. De bezwaren van [gedaagde] tegen de conclusies van [betrokkene] zullen hierna worden besproken.

1.4. De rechtbank is van oordeel dat de Staat en UWV thans het hun opgedragen bewijs hebben geleverd. De rechtbank komt daartoe op grond van de volgende overwegingen.

1.5. Vast staat dat de hond van [gedaagde] op 4 december 2000 om ongeveer 17.15 uur is ontsnapt uit de woning nabij de N831. Vast staat verder dat de auto van [betrokkene] vlak voor de flauwe bocht in de N831 bij een aanrijding betrokken is geweest. Vast staat ook dat het dode lichaam van de hond van [gedaagde] vlak bij het autowrak van [betrokkene] is aangetroffen.

1.6. Er is verder geen ander mogelijkerwijs door [betrokkene] aangereden dier of object aangetroffen. Ook blijkt uit het dossier in het geheel niet van een aanrijding door een andere auto met de hond van [gedaagde]. Er zijn geen andere aanrijdings- of remsporen gevonden; evenmin blijkt dat zich iemand terzake van een aanrijding op die plaats en rond dat tijdstip bij de politie heeft gemeld.

1.7. Voor de beoordeling van het bewijs is van belang of voor het ongeval al een dode hond op de weg in de buurt van de ongevalslocatie heeft gelegen. In verband daarmee is relevant op welk moment het ongeval heeft plaatsgevonden. In het tussenvonnis van 23 november 2005 is daarover overwogen: “Op 4 december 2000, om(streeks) 17.54 uur, vond in de gemeente [woonplaats] op de provinciale weg N 381 een verkeersongeval plaats waarbij [betrokkene] ernstig hersenletsel heeft opgelopen waardoor hij arbeidsongeschikt is geworden.” (eerste bladzijde onder 1). Verder wordt in dat vonnis onder 18 overwogen: “[...], nu in elk geval als vaststaand moet worden aangenomen dat al vóór dat ongeval in de (buurt van de ) bocht van de provinciale weg, daar waar [betrokkene 3] onder meer het kunststofdeel van de auto van [betrokkene] heeft gevonden, een dode hond is gezien. Naar moet worden aangenomen gebeurde dat ongeveer 15 tot 20 minuten eerder, en dus niet ruim anderhalf uur voor de aanrijding van [betrokkene] zoals [betrokkene 3] heeft aangenomen in de noot onder zijn rapport. Daarmee vervalt de eerste, en meest overtuigende, reden die [betrokkene 3] noemt in zijn rapport ter onderbouwing van zijn standpunt dat het bij het eerdere voorval vrijwel zeker om een andere hond gaat.”

1.8. De rechtbank ziet in het deskundigenbericht en een nadere bezinning op het voorhanden bewijs aanleiding terug te komen van het oordeel dat als vaststaand moet worden aangenomen dat 15 tot 20 minuten vóór het ongeval van [betrokkene] een dode hond is gezien in de buurt van de ongevalslocatie. Bij heroverweging van het bewijs sluit de rechtbank zich aan bij de opmerkingen van [betrokkene] op pagina 6 en 7 van diens rapport, over de tijdsvolgorde van de verschillende gebeurtenissen. De diverse getuigenverklaringen heroverwegend staat niet vast dat al voor het ongeval van [betrokkene] een dode hond op die plaats op de weg zou hebben gelegen. Aannemelijk is dat het in het proces-verbaal genoemde “tijdstip ongeval” van 17.54 uur niet zozeer het exacte tijdstip van het ongeval weergeeft als wel het tijdstip van melding, zoals ook [betrokkene] overweegt. Het exacte tijdstip van het ongeval is niet bekend, nu [betrokkene] daarover zelf niet kan verklaren en er overigens geen getuigen van het ongeval bekend zijn. [betrokkene] merkt hierover op dat de ervaring leert dat er nog wel eens enige tijd (tien tot vijftien minuten) tussen een ongeval en de melding daarvan kan liggen. Dat dat in dit geval ook zo is geweest is naar de mening van [betrokkene] met name goed mogelijk, omdat het rond de tijd van het ongeval donker was, er geen straatverlichting was en het autowrak naast de weg deels in de sloot was beland, zodat het mogelijkerwijs niet meteen is waargenomen. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Een tijdstip van ongeval van 10 tot 15 minuten voorafgaand aan de melding strookt alleszins met de verklaringen van [getuige] en [getuige]. Dit strookt bovendien met de verklaring van [betrokkene 3] bij het voorlopig getuigenverhoor: “Ter plaatse viel mij op dat de hond zijwaarts was verplaatst. Ik heb daarom alle aanwezige collega’s gevraagd wie dat gedaan had. Een van de laatste aan wie ik dat vroeg wist zich te herinneren dat dit door een buschauffeur was gedaan. Toen ik mijn rapport opmaakte was dat nog onduidelijk, vandaar het vraagteken, maar later kwam ik in het BPS een verklaring tegen van de heer Raaymakers die kort na het ongeval om 17.50 uur ter plaatse is geweest en ook spreekt over een buschauffeur die het kadaver van de hond heeft verplaatst. Die chauffeur heeft volgens de verklaring van Raaymakers de hond vanaf de weg naar de berm gesleept.” (cursivering rechtbank).

1.9. Daarmee is de belangrijkste bron van twijfel ten aanzien van de veroorzaking van het ongeval door de hond van [gedaagde] (te weten: de signalering van een andere dode hond) weggenomen.

1.10. Onder deze omstandigheden ligt de conclusie voor de hand, zoals ook reeds in rechtsoverweging 14 van het vonnis van 23 november 2005 is overwogen, dat de hond van [gedaagde] bij het ongeval van [betrokkene] betrokken is geweest. Deze voor de hand liggende conclusie wordt door de bevindingen van de deskundige bevestigd. Bij beoordeling van alle mogelijke scenario’s acht hij een aanrijding tussen [betrokkene] en de hond van [gedaagde] het meest waarschijnlijk, terwijl hij de kanttekeningen die daarbij kunnen worden geplaatst beoordeelde als “(kleine) vraagtekens”. Met [betrokkene] is de rechtbank van oordeel dat alles er op wijst dat de Escort van [betrokkene] botscontact heeft gehad met de hond van [gedaagde]. Dat er sprake is geweest van een botsing blijkt uit de remsporen, sporen van koelvloeistof en onderdelen van de auto die op het wegdek zijn aangetroffen, terwijl op een brokstuk van de Ford Escort haren zijn gevonden. Nu er geen ander object of dier is aangetroffen waarmee de aanrijding (die toch ook op dit object een behoorlijke impact zou moeten hebben gehad) zou hebben plaatsgevonden, ligt zonder meer voor de hand dat het de wél aangetroffen hond van [gedaagde] is geweest.

1.11. De tegenwerpingen van [gedaagde] tegen de conclusies van [betrokkene] leiden niet tot een ander oordeel. Weliswaar stelt [gedaagde] terecht dat de conclusies van [betrokkene] gekenmerkt worden door een zekere vaagheid, maar deze vaagheid (c.q. voorzichtigheid) doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de waarde van het rapport. Uit de aard der zaak kan van de deskundige die, bijna zes jaar na het ongeval, voor onderzoek slechts verklaringen en foto’s ter beschikking heeft, niet meer worden verlangd dan dat hij de mogelijke toedracht(en) van de aanrijding beredeneerd beoordeelt. De vraagstelling aan de deskundige was daarop ook gericht.

1.12. Ten aanzien van de op het rapport van [betrokkene 2] gefundeerde tegenwerpingen van [gedaagde] wordt als volgt overwogen.

De stelling dat de hond de bocht niet zal zijn ‘omgevlogen’, moge juist zijn, deze stelling gaat uit van een rijrichting op het botsmoment gelijk aan de wegrichting. Dat behoeft echter geenszins het geval te zijn. Bijvoorbeeld doordat [betrokkene] sterk heeft afgeremd kan hij vlak voor het botsmoment van richting zijn veranderd. Ook is voor de werprichting allicht van belang de hoek waaronder en de plaats op de auto (midden of - uiterst - rechts) waar de hond is geraakt en het feit dat de hond – hoogstwaarschijnlijk – in beweging was op het moment dat hij werd geraakt. Het lijkt dus geenszins onmogelijk dat de hond in zijn vlucht de bocht heeft ‘afgesneden’. Dat [getuige] heeft verklaard dat hij iets over zijn auto heen heeft zien vliegen, geeft evenmin de doorslag. De waarneming van [getuige] geschiedde in het donker, in een flits, zodat ook daaruit niet met zekerheid de werprichting kan worden afgeleid.

Ook de tegenwerping dat de hond donkere haren had terwijl op het afgebroken onderdeel van de auto lichtbruine haren zijn aangetroffen, overtuigt de rechtbank niet. De aanduiding ‘licht’ of ‘donker’ is relatief. Dit doet er niet aan af dat verbalisant [betrokkene 3] een overeenkomst van kleur heeft waargenomen, terwijl bovendien op de foto’s waarneembaar is dat de hond van [gedaagde] ook lichtbruine haren had.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat de hond niet opwaarts gelanceerd kan zijn door de botsing omdat uit de bevindingen van [betrokkene4] blijkt dat hij boven zijn zwaartepunt is geraakt. Hiernaar gevraagd heeft [betrokkene] opgemerkt (pagina 17): “Kijkend naar de plaats waar de Politie sporen van de hond op de auto heeft aangetroffen (bovenzijde voorbumper en de radiateur), gelet op de bevindingen van de heren [betrokkene4] en [betrokkene 5] ( breuken en scheuren in het skelet op 55 à 65 cm) en beseffend dat de hond naar alle waarschijnlijkheid in beweging zal zijn geweest (rennend/mogelijk springend) is er naar mijn mening geen basis voor de stelling dat er geen “lancering” aan de orde kan zijn geweest.” De rechtbank sluit zich daarbij aan. Ook het feit dat de binnenbumperbalk een andere vervorming vertoont dan de door [betrokkene 2] genoemde referenties, leidt niet tot een ander oordeel, nu in dit geval juist niet bekend is hoe, met welke snelheid en onder welke hoek de auto de hond heeft geraakt, terwijl de auto bovendien na de aanrijding met de hond nog ernstige schade heeft opgelopen door de botsing tegen de vijfde dam.

1.13. Aan [gedaagde] zij kortom toegegeven dat er op een aantal punten onduidelijkheid bestaat over de exacte toedracht van de aanrijding. Deze onduidelijkheid zal ook niet meer zijn weg te nemen. Die onduidelijkheid doet echter niet af aan de overtuiging op basis van de vaststaande feiten dat van een aanrijding tussen de auto van [betrokkene] en de hond van [gedaagde] sprake is geweest.

1.14. Nu de Staat en UWV het hun opgedragen bewijs hebben geleverd, is [gedaagde] op grond van artikel 6:179 BW (in combinatie met artikel 3 Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren en artikel 90 WAO) jegens hen aansprakelijk.

1.15. [gedaagde] heeft echter nog aangevoerd dat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan [betrokkene] kunnen worden toegerekend (en daarom ook aan de Staat en UWV kunnen worden tegengeworpen). [betrokkene] heeft, zo stelt [gedaagde], te snel gereden en bovendien heeft hij geen gordel gedragen. De Staat en UWV betwisten dat [betrokkene] te snel zou hebben gereden. Zij erkennen verder weliswaar dat [betrokkene] geen gordel heeft gedragen, maar stellen dat dat in dit bijzondere geval in zijn voordeel heeft gewerkt, nu [betrokkene] juist door het ontbreken van een gordel uit zijn auto kon worden geslingerd, waardoor hem nog ernstiger letsel als gevolg van beknelling in het zwaar beschadigde autowrak bespaard is gebleven.

1.16. Op grond van de thans overgelegde gegevens staat niet vast dat [betrokkene] te hard heeft gereden. Zowel [betrokkene] (p. 11/19) als [betrokkene 2] (pagina 5) komen tot de conclusie dat de naderingssnelheid van [betrokkene] lastig is te bepalen. Uit het enkele feit dat uit de aangetroffen rem- en slipsporen blijkt dat [betrokkene] zijn auto niet binnen een afstand van 100 meter tot stilstand heeft gebracht, volgt niet dat hij veel te hard reed, zoals [gedaagde] stelt. Het is immers niet zeker dat [betrokkene] over deze gehele afstand heeft geremd (zie ook het rapport van [betrokkene], p. 11/19). Ook omtrent de vraag of het thans door [betrokkene] geleden letsel ernstiger dan wel minder ernstig is dan het letsel dat hij naar alle waarschijnlijkheid zou hebben opgelopen indien hij wel een gordel had gedragen, kan op basis van de beschikbare gegevens geen oordeel worden geveld.

1.17. De bewijslast ten aanzien van de stelling dat [betrokkene] te hard heeft gereden en van de stelling dat de schade door het ontbreken van een gordel ernstiger is uitgevallen dan het geval zou zijn geweest indien [betrokkene] wel een gordel had gedragen, rust bij [gedaagde]. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn betoog dat het aan de Staat en UWV is om aan te tonen dat het niet-dragen van de autogordel in dit concrete geval juist erger letsel heeft voorkomen. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv in verband met art. 6:101 BW is het aan [gedaagde] aan te tonen dat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan [betrokkene] zijn toe te rekenen. De Staat en UWV hebben niet betwist dat [betrokkene] geen gordel droeg, maar wel dat deze omissie (extra) schade tot gevolg heeft gehad. De bewijslast van het oorzakelijk verband tussen deze omissie en (de hoogte van) de schade berust volgens de hoofdregel van art. 150 Rv bij [gedaagde]. De rechtbank ziet in het door [gedaagde] gestelde uitgangspunt dat een autogordel in het algemeen ernstig letsel voorkomt geen reden de bewijslast in afwijking van de hoofdregel bij de Staat en UWV te leggen, nu de Staat en UWV gemotiveerd hebben betwist dat dit uitgangspunt ook in deze specifieke situatie opgaat.

1.18. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank is voor het leveren van dit bewijs wederom een deskundigenbericht noodzakelijk. Daartoe was in het vonnis van 23 november 2005 onder rechtsoverweging 20 reeds een voorlopige vraagstelling geformuleerd. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen om partijen bij gelijktijdige akte-verzoeken in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over deze vraagstelling en de persoon (en discipline) van de te benoemen deskundige. Het verdient vanzelfsprekend aanbeveling dat partijen daarover met elkaar overleg plegen en liefst een gezamenlijk voorstel doen. Reeds nu wordt overwogen dat [gedaagde], op wie de bewijslast rust, zal worden belast met het voorschot op het loon en de kosten van de deskundige.

1.19. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

2. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van 21 maart 2007 voor uitlating bij akteverzoek gelijktijdig door beide partijen als onder rechtsoverweging 1.18 bedoeld,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2007.