Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA1472

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
26-03-2007
Zaaknummer
139200
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toerekenbaar tekort schieten / onrechtmatigde daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 139200 / HA ZA 06-592

Vonnis van 21 februari 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. H.M.G. van Lotringen,

advocaten mr. H.J. Bos en mr. M. Jongeneelen te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. L. Paulus,

advocaten mr. R.J. Wybenga en A.C. van der Bent te Rotterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THIRD TRANSACTION SYSTEM B.V.,

gevestigd te Venlo,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde sub 11], [gedaagde], [gedaagde sub 3] en TTS genoemd worden. [gedaagde] en [[gedaagde] sub 3] zullen samen ook worden aangeduid als [gedaagde] c.s.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 juni 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 1 november 2006.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in de procedure voor zover gevoerd tegen [gedaagde] c.s. en TTS. De procedure voor zover gevoerd tegen [gedaagde sub 11] is geschorst en is bij het tussenvonnis van 28 juni 2006 reeds naar de parkeerrol verwezen.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is sinds 1978 werkzaam als advocaat. Hij is sinds de oprichting van [[gedaagde] sub 3] in 1986 enig aandeelhouder en statutair bestuurder van deze vennootschap. [[gedaagde] sub 3] heeft tot doel het beheren van het vermogen van [gedaagde] en het deelnemen in en/of het voeren van het bestuur over andere ondernemingen.

2.2. De [gedaagde sub 11] is enig aandeelhouder en statutair bestuurder van de besloten ven¬noot¬schap W. [gedaagde sub 11] Holding B.V. ([gedaagde sub 11] Holding), die op haar beurt alle aandelen houdt in de besloten vennootschap T.P.C. International B.V. (TPC). [gedaagde sub 11] is tevens statutair bestuurder van TPC. [gedaagde] heeft sinds 1997 als advocaat werkzaamheden verricht voor aan [gedaagde sub 11] gelieerde vennootschappen, waaronder TPC.

2.3. Tussen [eiseres] en TPC zijn op 9 september 1997 en op 23 juni 2003 vermogensbeheer¬overeenkomsten (verder: de overeenkomsten) tot stand gekomen. [eiseres] heeft op grond van de overeenkomsten een deel van haar vermogen aan TPC in beheer gegeven. Uit bijlagen bij de overeenkomst uit 2003 blijkt dat de doelstellingen van [eiseres] waren om inkomen te generen uit het aan TPC in beheer gegeven vermogen, pensioenopbouw en aanvulling van pensioen. TPC heeft in haar hoedanigheid van vermogens¬beheerder [eiseres] onder meer geadviseerd te investeren in de rechtspersoon naar het recht van Hongkong Shanghai Outerwear Hong Kong Ltd. (verder SOHK), in TTS en in een beleggingsfonds genaamd Holland Arch Invest I (HAI). [eiseres] heeft die adviezen opgevolgd en in genoemde projecten geïnvesteerd.

TPC heeft bij brief van 6 april 2005 de overeenkomsten per 31 mei 2005 opgezegd.

SOHK

2.4. [gedaagde] is een van de initiatiefnemers geweest bij de oprichting van SOHK. [gedaagde] is van 1998 tot 1 september 2001 bestuurder geweest van SOHK en was tot 1 september 2001 aandeelhouder van SOHK. Aan [gedaagde] is, ook door [eiseres] in haar hoedanigheid van aandeelhouder, tweemaal decharge verleend. In de zomer van 2002 is [gedaagde] toegetreden tot de “Supervisory Board” (SB) van SOHK, waarvan ook [gedaagde sub 11] deel uitmaakte. De SB was een college dat het bestuur van SOHK adviseerde.

2.5. [eiseres] heeft op 27 januari 1999, 23 maart 1999 en 1 juli 1999 aan SOHK geldbedragen geleend van respectievelijk € 113.445,05, € 90.756,04 en € 124.789,55. Op 30 juni 2001 heeft [eiseres] voor € 259.562,28 aandelen van SOHK gekocht. Op 22 oktober 2001 heeft [eiseres] € 136.124,-- geleend aan SOHK. De laatste twee genoemde investeringen zijn opgenomen in de vermogensbeheerportefeuille van [eiseres] bij TPC. Op 30 juni 2003 heeft [eiseres] de laatst genoemde lening met 30% verhoogd.

2.6. Tijdens een informatiebijeenkomst voor investeerders op 12 april 2003 waarbij ook [gedaagde] aanwezig was, is medegedeeld dat SOHK in financiële moeilijkheden was geraakt. De Nederlandse dochterbedrijven van SOHK genaamd SOHK Retail B.V., Allround Clothing Company B.V., Dot-G Clothing B.V. en SOHK Nederland B.V. zijn respectievelijk op 27 februari 2003, 12 november 2003, 9 maart 2005 en 26 augustus 2005 failliet verklaard.

TTS

2.7. [eiseres] heeft TTS op 14 juli 2000 een lening verstrekt ten bedrage van £ 100.000,-- en op 25 juli 2000 een tweede lening ten bedrage van € 161.524,79. Dit laatste bedrag heeft [eiseres] gestort op de rekening van de Stichting derdengelden van [gedaagde].

HAI

2.8. [eiseres] heeft in november 1999 en eind 2004 respectievelijk tien en twee participaties HAI gekocht voor € 330.696,81 en € 61.811,66. Daarnaast heeft zij vijf participaties HAI geërfd.

2.9. [gedaagde sub 11], [gedaagde sub 11] Holding en TPC zijn inmiddels failliet verklaard.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert ten aanzien van [gedaagde sub 11] [gedaagde] c.s. en TTS, samengevat:

(1) een verklaring voor recht dat ieder van hen toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn of haar verplichtingen jegens [eiseres] en/of dat deze onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres];

(2) een veroordeling van ieder van hen, voor zover mogelijk hoofdelijk, tot vergoeding van de door [eiseres] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(3) een hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de kosten van de procedure.

3.2. De grondslagen voor de gevorderde verklaringen voor recht verschillen per gedaagde. Verkort weergegeven werkt [eiseres] haar verwijten als volgt uit:

Ten aanzien van [[gedaagde] sub 3]

De grondslagen voor de vorderingen jegens [[gedaagde] sub 3] zijn door [eiseres] niet uitgewerkt. De rechtbank komt in r.ov 4.2. daarop terug.

Ten aanzien van [gedaagde]

Toerekenbaar tekortschieten

- [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de door hem afgegeven garantie dat [eiseres] minimaal haar investering in SOHK en TTS zou terugverdienen (3.15 dgv.);

Onrechtmatige daad

- [gedaagde] heeft [eiseres] op basis van opzettelijke onjuiste en onvolledige informatie er toe bewogen te investeren SOHK en TTS, zonder dat hij aan [eiseres] heeft gemeld dat hij in deze projecten zelf belangen had/heeft (3.13 dgv.);

- [gedaagde] is namens SOHK en TTS waarin hij bestuurder en/of beleidsbepaler was jegens [eiseres] verplichtingen aangegaan waarvan hij wist dat de vennootschappen deze niet zouden kunnen nakomen en terwijl hij wist dat deze vennootschappen geen verhaal zouden bieden voor de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade (3.14 dgv.);

- [gedaagde] is als feitelijke beleidsbepaler van TTS aansprakelijk indien TTS niet aan haar contractuele verplichtingen voldoet en handelt onrechtmatig door niet te betalen (3.25 dgv.)

- [gedaagde] is voorgesteld in zijn hoedanigheid van advocaat en heeft oneigenlijk gebruik gemaakt van zijn derdenrekening, waardoor bij [eiseres] de schijn werd vertrouwen opgewekt dat hij betrouwbare investeringen deed bij TTS en SOHK en dat er geen sprake zou zijn van misstanden en misleidende informatie (3.16-3.19 dagv.);

- [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met

o artikel 3 lid 1 Wte 1995, doordat TPC, SOHK en TTS, waarvan hij bestuurder althans beleidsbepaler was, effecten hebben aangeboden in de zin van de Wte 1995 zonder informatie te verstrekken die voldoet aan de wettelijke eisen (3.20 dgv.);

o artikel 4 lid 1 Wtb, door gelden ter deelneming in SOHK en TTS te vragen/ te verkrijgen, terwijl de projecten niet beschikken over de daartoe benodigde vergunning en zij kwalificeren als een beleggingsmaatschappij en/of beleggingsfonds ex artikel 1 sub a en sub b Wtb.(3.21 dgv.);

o artikel 82 Wtk door zonder vergunning/vrijstelling gelden van het publiek aan te trekken (3.22 dgv.).

Ten aanzien van TTS

Toerekenbaar tekortschieten

- TTS is haar terugbetalingsverplichting en de verplichting rente te betalen uit hoofde van de overeenkomsten tot geldlening niet nagekomen. (2.4.2., 3.25, 3.2 dgv.)

Onrechtmatige daad

- TTS heeft gehandeld in strijd met

o artikel 3 lid 1 Wte 1995, doordat zij effecten heeft aangeboden in de zin van de Wte 1995, zonder informatie te verstrekken die voldoet aan de wettelijke eisen (3.20 dgv.);

o artikel 4 lid 1 Wtb, door gelden ter deelneming in TTS te vragen/te verkrijgen, terwijl zij niet beschikt over de daartoe benodigde vergunning en zij kwalificeert als een beleggingsmaatschappij en/of beleggingsfonds ex artikel 1 sub a en sub b Wtb (3.21 dgv.);

o artikel 82 Wtk door zonder vergunning/vrijstelling gelden van het publiek aan te trekken (3.22 dgv.)

3.3. De rechtbank laat de grondslagen van de vorderingen gericht tegen [gedaagde sub 11], nu de procedure voor zover tegen hem gevoerd is geschorst, - om proceseconomische redenen - onbesproken.

3.4. Ter comparitie is gebleken dat [eiseres] haar verwijten aan gedaagden in relatie tot HAI niet langer handhaaft zodat de rechtbank deze verder ook onbesproken laat.

3.5. [gedaagde] c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Nietigheid van de dagvaarding - niet ontvankelijkheid

4.1. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] c.s. is dat de dagvaarding nietig verklaard dient te worden op de voet van artikel 120 jo 111 lid 2 Rv., althans dat [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu de dagvaarding - in de woorden van [gedaagde] c.s. - kwalificeert als een feitelijk en juridisch moeras en uit de dagvaarding onvol¬doende duidelijk is geworden op welke (feitelijke en juridische) gronden [eiseres] haar vorderingen baseert.

4.2. Ten aanzien van de vorderingen op [[gedaagde] sub 3] stelt de rechtbank vast dat [eiseres] daaraan geen feiten of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Daarmee is niet voldaan aan de eisen die in artikel 111 lid 2 sub d Rv. aan de dagvaarding worden gesteld. [[gedaagde] sub 3] stelt terecht dat zij door het ontbreken van de gronden in haar verdediging is geschaad zodat er geen plaats is voor de in artikel 122 Rv. geformuleerde uitzondering. De dagvaarding zal daarom voor zover gericht tegen [[gedaagde] sub 3] nietig worden verklaard.

4.3. Ten aanzien van de vorderingen op [gedaagde] is de rechtbank met [gedaagde] van mening dat de dagvaarding, noch de processtukken die daarop zijn gevolgd, een volledig inzicht bieden in de gedachtegang van [eiseres]. De rechtbank is niettemin van oordeel dat wat [eiseres] heeft gesteld over haar aanspraken jegens [gedaagde] een beoordeling van die aanspraken mogelijk maakt. De rechtbank is ook van oordeel dat het ontbreken van dat volledig inzicht [gedaagde] niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad. Met betrekking tot [gedaagde] wordt het beroep op nietigheid daarom verworpen.

4.4. [gedaagde] heeft het beroep op niet-ontvankelijkheid van [eiseres] niet anders toegelicht dan met de argumenten die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn beroep op de nietigheid van de dagvaarding. Deze argumenten falen. Voor niet-ontvankelijkheid bestaat dus evenmin grond.

4.5. De rechtbank zal thans eerst de vorderingen jegens [gedaagde] beoordelen. Daarbij zal worden nagegaan of de stellingen van [eiseres] haar vorderingen kunnen dragen.

De beoordeling van de vorderingen jegens [gedaagde]

Toerekenbaar tekortschieten

4.6. Het tekort¬schie¬ten van [gedaagde] zou volgens [eiseres] bestaan uit het niet nakomen van de garantie die [gedaagde] (evenals [gedaagde sub 11] en TPC) aan [eiseres] zou hebben gegeven dat [eiseres] minimaal het bedrag van haar investeringen - in SOHK en TTS - zou terugkrijgen. [gedaagde] heeft betwist dat hij een dergelijke garantie heeft gegeven. [eiseres] heeft ter comparitie erkend dat [gedaagde], anders dan [gedaagde sub 11] en TPC, nooit “letterlijk” heeft gegarandeerd dat de inleg zou worden terug¬be¬taald. [gedaagde] zou wel de schijn hebben gewekt dat hij “medeverantwoordelijk” was. Voor zover [eiseres] daarmee stelt dat [gedaagde] bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat hij naast [gedaagde sub 11] en TPC garant stond dat [eiseres] haar investeringen zou terugkrijgen, is dit onvoldoende met feiten of omstandigheden onderbouwd. Overigens heeft zij niet onderbouwd op welke wijze [gedaagde] zich tot een dergelijke garantie zou hebben verbonden. Evenmin heeft zij aan¬gevoerd dat [gedaagde] in enige andere verbintenis jegens [eiseres] zou zijn tekortge¬scho¬ten. Op deze grondslag zijn de vorderingen jegens [gedaagde] dus niet toewijsbaar. De gevor¬der¬de verklaring voor recht dat [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichting is tekort¬ge¬scho¬ten zal daarom worden afgewezen.

Onrechtmatige daad

4.7. [eiseres] stelt dat [gedaagde] op een aantal manieren onrechtmatig zou hebben gehandeld. Allereerst zou hij onrechtmatig hebben gehandeld doordat hij [eiseres] op basis van onjuiste en onvolledige informatie heeft bewogen te investeren in TTS en SOHK (zonder dat hij aan [eiseres] heeft gemeld dat hij in deze projecten zelf belangen had/heeft) en voorts doordat hij in strijd met de Wte 1995 effecten heeft aangeboden, in strijd met de Wtb gelden ter deelneming in projecten heeft gevraagd of verkregen en omdat hij gehandeld heeft in strijd met de Wtk door gelden van het publiek aan te trekken. [gedaagde] betwist dat hij [eiseres] heeft bewogen of aangezet tot het doen van investeringen of dat hij effecten heeft aangeboden of gelden voor projecten heeft aangetrokken.

4.8. De rechtbank overweegt allereerst dat de Wtb, de Wtk en de in deze zaak relevante bepalingen van de Wte 1995 bij de inwerkingtreding van Invoerings- en aanpassings Wet op het financieel toezicht (20-11-2006, Stb. 605) zijn vervallen, maar dat zij in de in deze zaak van belang zijnde periode nog golden.

4.9. De rechtbank stelt voorts vast dat [eiseres] in de dagvaarding weliswaar stelt dat [gedaagde] haar heeft bewogen tot het doen van investeringen, maar dat zij, als zij concreet bespreekt tot welke investeringen zij is bewogen, de betrokkenheid van [gedaagde] niet onderbouwt. In de dagvaarding stelt [eiseres] immers (onderstreping rechtbank): TPC althans [gedaagde sub 11] heeft [eiseres] geadviseerd om naast te beleggen in beursgenoteerde fondsen tevens informele investeringen te doen (2.1.4. dgv); Op 30 juni 2003 heeft [eiseres] op deze geldlening 30% bijgestort op advies van TPC althans [gedaagde sub 11] (2.2.8. dgv) [eiseres] heeft op 14 juli 2000 op advies van TPC althans [gedaagde sub 11] aan […]”TTS”, een lening verstrekt (2.4.1. dgv). In haar hoedanigheid van vermogensbeheerder van [eiseres], heeft TPC [eiseres] geadviseerd te investeren in SOHK, […] en TTS. Over enige betrokkenheid van [gedaagde] bij de desbetreffende investeringen wordt niet gesproken.

Ter comparitie heeft [eiseres] voorts verklaard: [gedaagde] heeft jegens mij nooit de indruk gewekt dat hij enige betrokkenheid had bij TPC. [gedaagde] heeft in persoon nooit aanbiedingen gedaan voor investeringen. […] [gedaagde sub 11] is degene geweest die de investeringen heeft aangetrokken.

[eiseres] heeft ter comparitie verklaard dat [gedaagde] haar tot het doen van de investeringen heeft bewogen doordat hij “vanwege zijn functie als advocaat” het vertrouwen heeft gewekt dat de investeringen betrouwbaar waren. Dit vertrouwen werd onder meer gewekt door zijn aanwezigheid bij de in r.ov 2.6 genoemde voorlichtingsbijeenkomst in april 2003.

De enkele aanwezigheid op voornoemde bijeenkomst kan echter niet worden beoordeeld als het bewegen tot het doen van investeringen, nog in het midden gelaten dat de door [eiseres] genoemde investeringen, op één na, door haar zijn gedaan vóór april 2003. Evenmin kan voornoemde aanwezigheid van [gedaagde] bij die bijeenkomst zonder verdere onderbouwing gekwalificeerd worden als het aanbieden van effecten, het vragen van deelneming in projecten of het aan trekken van gelden van het publiek in de zin van de Wte 1995, Wtb en Wtk. Voor het overige heeft [eiseres] haar in r.ov 4.7 aangehaalde stelling niet met feiten of omstandigheden onderbouwd zodat de rechtbank aan een verdere beoordeling daarvan niet toe komt.

4.10. [eiseres] heeft verder aangevoerd dat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 Wte 1995, omdat SOHK en TTS in Nederland effecten hebben aangeboden zonder een prospectus verkrijgbaar te stellen en [gedaagde] van die vennootschappen bestuurder, althans feitelijk beleidsbepaler was.

De enkele gestelde omstandigheid dat SOHK en TTS effecten hebben aangeboden zonder een prospectus aan te bieden, brengt echter nog niet met zich dat de (voormalige) bestuurders of feitelijke beleidsbepalers van die vennootschappen (- vooralsnog - in het midden latend of [gedaagde] als zodanig kan worden aangemerkt) in persoon in strijd met artikel 3 lid 1 Wte 1995 of anderszins onrechtmatig hebben gehandeld, noch dat zij daarvoor persoonlijk aan¬gesproken kunnen worden, ook niet indien vast zou staan dat SOHK en TTS in strijd met die prospectus¬plicht hebben gehandeld. Omstandig¬heden die dat oordeel wel zouden kunnen recht¬vaardigen zijn door [eiseres] niet aangevoerd, zodat ook deze grond verworpen wordt.

4.11. [eiseres] heeft voorts aangevoerd dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, doordat hij namens SOHK en TTS waarin hij bestuurder en/of beleidsbepaler was jegens [eiseres] verplichtingen zou zijn aangegaan, waarvan hij wist dat de vennootschappen deze niet zouden kunnen nakomen, terwijl hij ook wist dat deze vennootschappen geen verhaal zouden bieden voor de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade (3.14 dgv.). Deze stelling wordt om de navolgende redenen verworpen.

4.12. [gedaagde] betwist allereerst gemotiveerd dat hij ooit bestuurder of beleidsbepaler van TTS is geweest. [eiseres] heeft haar stelling dat dit wel het geval is (geweest) onvoldoende onderbouwd. Dat [gedaagde] bestuurder van TTS zou zijn (geweest) is in het geheel niet onderbouwd. Voor zover [eiseres] haar stelling dat [gedaagde] feitelijk beleidsbepaler van TTS was, baseert op haar stelling dat het geld¬bedrag van de lening die zij aan TTS verstrekt heeft, is gestort op de derdengeldrekening van [gedaagde], is de rechtbank van oordeel dat dit enkele feit onvoldoende is om aan [gedaagde] een beleidsbepalende rol toe te dichten. Hetzelfde geldt voor de ter comparitie gemaakte opmerking dat [eiseres] van [gedaagde sub 11] had vernomen dat [gedaagde] namens TTS onderhandelingen zou hebben gevoerd over een optierecht, temeer nu niet in geding is dat [gedaagde] als advocaat werkzaamheden heeft verricht voor de door [gedaagde sub 11] gecontroleerde vennootschappen. Dit brengt reeds met zich dat het in 4.11 genoemde verwijt ten aanzien van TTS verder als onvoldoende onderbouwd wordt gepasseerd.

4.13. Ten aanzien van SOHK erkent [gedaagde] dat hij van 1998 tot 1 september 2001 bestuurder is geweest van deze vennootschap en dat hij in de zomer van 2002 is toegetreden tot de Supervisory Board van SOHK. Partijen verschillen van mening in welke mate die adviesraad invloed op het beleid van SOHK kon uitoefenen. De vraag of [gedaagde] vanaf de zomer van 2002 als feitelijke beleidsbepaler kan worden aangemerkt, kan in deze procedure echter onbeantwoord blijven. Immers, [eiseres] heeft in de dagvaarding niet gespeci¬fi¬ceerd wat de verplichtingen waren die [gedaagde] namens SOHK zou zijn aangegaan waarvan hij volgens [eiseres] had kunnen weten dat SOHK deze niet zou kunnen nakomen. Ter comparitie heeft zij desgevraagd daarover verklaard dat het om de verplichting tot het uitkeren van dividend zou gaan. Nu echter in het geheel niet is onderbouwd in hoeverre dit jegens SOHK een afdwingbare verplichting zou opleveren, niet valt in te zien hoe aan [gedaagde] enige rol toegekend kan worden nu een verplichting tot betaling van dividend voortvoeit uit een aandeelhoudersbesluit terwijl bovendien niet gesteld wordt op welk moment [gedaagde] deze verplichting, reeds wetende dat die niet zou worden nagekomen, namens SOHK zou zijn aangegaan, wordt ook deze stelling als onvoldoende onderbouwd verworpen. Ter comparitie heeft [eiseres] voorts verklaard dat [gedaagde] namens SOHK leningen is aangegaan. Volgens de stellingen van [eiseres] zou het dan gaan om de lening versterkt op 22 oktober 2001 (2.27 dagv). Echter ook ten aanzien van die lening heeft [eiseres] onvoldoende met feiten of omstandigheden onderbouwd dat [gedaagde] op dat moment wist dat SOHK haar uit die leningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen niet zou nakomen. Voor het overige heeft van [eiseres] niet voldoende duidelijk gemaakt wat [gedaagde] in verband met zijn rol bij SOHK te verwijten valt. De enkele stelling dat [gedaagde] bestuurder of beleidsbepaler is geweest van SOKH is op zichzelf onvoldoende voor welke aanspraak dan ook.

4.14. Het volgende verwijt dat [eiseres] [gedaagde] maakt is dat hij oneigenlijk gebruik heeft ge¬maakt van zijn derdengeldenrekening, waardoor hij bij [eiseres] de schijn heeft opge¬wekt dat de lening aan TTS een betrouwbare investering was. Ook hierbij heeft [eiseres] echter onvoldoende gemotiveerd waarom het gebruiken van de derdengelden¬rekening onrechtmatig was. [eiseres] heeft niet weersproken dat de derden¬gelden¬rekening van [gedaagde] slechts is gebruikt om de desbetreffende geldsom aan (de raadsman van) de feitelijke begunstigde door te betalen. Het feit dat Bloe¬mers gelden van investeerders ter doorbetaling heeft ontvangen op zijn derden¬gelden¬rekening, levert zonder bijkomende omstandigheden, die [eiseres] niet heeft gesteld, geen verwijtbaar gedrag op. De gestelde omstandig¬heid dat het niet noodzakelijk was de geldstroom via de derden¬gel¬den¬rekening te laten lopen (wat door [gedaagde] wordt betwist) maakt dit niet anders. Voor zover [eiseres] met haar stelling wil zeggen dat het gegeven dat betalingen via [gedaagde] liepen, (de schijn van) een garantie oplevert voor de toekomst van de belegging, is deze stelling onjuist. Ook dit verwijt kan derhalve geen grond opleveren voor de vorderingen van [eiseres].

4.15. Ten slotte stelt [eiseres] dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van feitelijke beleidsbepaler van TTS aansprakelijk is indien TTS niet aan haar contractuele verplichtingen voldoet. Reeds nu, zoals in 4.12 is overwogen, niet is komen vast te staan dat [gedaagde] van TTS feitelijk beleidsbepaler was kan ook deze stelling niet leiden tot toewijzing van de vorderingen jegens [gedaagde].

4.16. Samengevat luidt de conclusie dat geen van de door [eiseres] aangevoerde gronden ten aanzien van [gedaagde] doel treft. Er is noch gebleken van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde], noch van een door hem gepleegde onrechtmatige daad. De vorderingen jegens [gedaagde] zullen dan ook worden afgewezen.

De beoordeling van de vorderingen jegens TTS

4.17. TTS, tegen wie verstek is verleend, heeft geen verweer gevoerd tegen de stelling van [eiseres] dat zij onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij in strijd met de Wte 1995 effecten heeft aangeboden, in strijd met de Wtb gelden ter deelneming in projecten heeft gevraagd of verkregen en doordat zij gehandeld heeft in strijd met de Wtk door gelden van het publiek aan te trekken. De daarop gebaseerde vordering van [eiseres] komen daarom voor toewijzing in aanmerking.

4.18. Evenmin heeft TTS weersproken dat zij haar uit de overeenkomsten tot geldlening voortvloeiende terugbetalingsverplichting en de verplichting rente te betalen niet is nageko¬men. De gevraagde verklaring voor recht dat TTS in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseres] toerekenbaar is tekortgeschoten is derhalve ook toewijsbaar.

4.19. Ook de verwijzing naar de schadestaatprocedure is toewijsbaar, aangezien TTS ook niet heeft weersproken dat [eiseres] door voornoemde tekortkoming en voornoemd onrechtmatig handelen van TTS schade heeft geleden.

Proceskosten

4.20. Nu aan deze procedure voor de partijen [gedaagde] c.s. en TTS een einde komt, zal de rechtbank een kostenveroordeling uitspreken. Ten behoeve van de berekening van de proces¬kosten begroot de rechtbank de waarde van de vorderingen van [eiseres] op het door [eiseres] in de dagvaarding gestelde schadebedrag per 1 januari 2006 van € 1.791,734,02 (dgv. 3.1.).

4.21. Omdat de dagvaarding ten aanzien van [[gedaagde] sub 3] nietig wordt verklaard en de vorderingen jegens [gedaagde] worden afgewezen, zal [eiseres] worden veroordeeld in de kosten van [gedaagde] c.s. in de hoofdzaak en in de door [gedaagde] c.s. aangespannen vrijwaringszaken.

4.22. De kosten aan de zijde van [gedaagde] c.s. in de hoofdzaak worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 4.667,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 6.422,00 (2,0 punten × tarief EUR 3.211,00)

Totaal EUR 11.089,00

[eiseres] zal tevens worden veroordeeld in de kosten die [gedaagde] c.s. in de vrijwarings¬procedures maakt. Nu in deze vrijwaringprocedures nog geen eindvonnis gewezen, kan de rechtbank deze kosten nog niet begroten.

4.23. De vordering op TTS wordt toegewezen, reden waarom zij in de kosten van [eiseres] zal worden veroordeeld. Gelet op het geringe aandeel van de verwijten van [eiseres] jegens TTS in het geheel van aanspraken zal de rechtbank de procureurskosten met een factor 0,5 matigen:

- dagvaarding EUR 84,87

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 4.667,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.605,50 (1,0 punt × 0,5 x tarief EUR 3.211,00)

Totaal EUR 6.357,37

5. De beslissing

De rechtbank,

ten aanzien van de vorderingen jegens [[gedaagde] sub 3]:

5.1. verklaart de dagvaarding nietig,

ten aanzien van de vorderingen jegens [gedaagde]:

5.2. wijst de vorderingen af,

voorts ten aanzien van de vorderingen jegens [gedaagde] c.s.:

5.3. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, zowel in de hoofdzaak, aan de zijde van [gedaagde] c.s. tot op heden begroot op EUR 11.089,00, als in de vrijwaringsprocedures,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

ten aanzien van de vorderingen jegens TTS:

5.5. verklaart voor recht dat TTS onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld,

5.6. verklaart voor recht dat TTS toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseres],

5.7. veroordeeld TTS tot vergoeding van de door [eiseres] geleden schade, nader op te maken bij staat,

5.8. veroordeelt TTS in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 6.357,37,

5.9. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.10. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. T.P.E.E van Groeningen en mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2007.