Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA0821

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/1302
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kwijtscheldingswinst in de zin van artikel 3.13, eerste lid, aanhef onder a Wet IB 2001, ondanks eerdere standpunt paulianeuze handelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/28.1.3
FutD 2007-0538
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1302

Uitspraakdatum: 14 februari 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Winterswijk, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag (aanslagnummer [00].H26) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 148.064 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.283.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 januari 2006 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 142.415 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.283.

Eiser heeft daartegen bij brief van 10 februari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 13 februari 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde drs. J.H.M. Demmer. Namens verweerder is verschenen mr. J.M.B. Koeman.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 Eiser is buiten gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [A] (hierna: de echtgenote).

2.2 Eiser heeft op 5 januari 1998 een overeenkomst gesloten met [B] NV te België (hierna: de NV). De overeenkomst behelst dat eiser als zelfstandig agent onder de naam [C] in opdracht van de NV gefabriceerde producten met de naam [D] gaat verkopen en leveren aan retailorganisaties in Nederland, België en Duitsland. De overeenkomst met de NV wordt aangegaan voor een periode van drie jaren, waarna een voortzetting voor onbepaalde tijd plaatsvindt zolang de omzet gelijk of hoger is dan de omzet van het derde jaar minus 10% van de omzet. Eiser heeft recht op 50% van de brutowinst. De NV zal de agent een renteloos voorschot op de provisie geven van f 10.000 per maand gedurende het eerste volle jaar van de overeenkomst. Vanaf 31 januari 1999 zal een regeling van kracht worden in verband met de verrekening van de voorschotten.

2.3 De NV heeft van februari 1998 tot en met april 2002 aan eiser voorschotten op de provisie verstrekt van f 10.000 per maand. Na verrekening van commissiebeloningen heeft eiser van de NV een bedrag van € 199.739 aan voorschotten ontvangen.

2.4 In de periode april/mei 2002 zijn eiser en de NV in onderhandeling over de wijze waarop eiser zijn schuld aan de NV zal terugbetalen. Deze onderhandelingen leiden niet tot resultaat.

2.5 Bij brief van 7 juni 2002, aangevuld bij brief van 25 juni 2002, wordt eiser door de advocaat van de NV gesommeerd een bedrag van € 207.757,83 te betalen aan de NV. Tot dit bedrag behoren de onder 2.3 genoemde voorschotten. De hoogte van deze schuld aan de NV wordt door eiser niet betwist. Hij betaalt niet binnen de gestelde termijn.

2.6 Eiser heeft ter onttrekking aan verhaal zijn woning en auto overgedragen aan zijn echtgenote. De woning, gelegen aan de [a-]laan 26 te [Q], is op 1 mei 2002 aan zijn echtgenote verkocht en geleverd voor een bedrag van € 324.452. De koop is door de echtgenote gefinancierd door overneming van de hypotheekschuld van € 155.646. Voor het restantbedrag heeft eiser aan zijn echtgenote een renteloze lening verstrekt. Op 28 mei 2002 heeft de echtgenote de woning voor een bedrag van € 340.335,16 verkocht aan [E] Vastgoed BV (hierna: [E]). De levering van de woning vindt plaats uiterlijk op 15 oktober 2002. De echtgenote en [E] zijn voorts overeengekomen dat [E] voortvarend opdracht geeft aan [F] Makelaardij [R] om de woning zo spoedig mogelijk te verkopen. Zij komen overeen dat de echtgenote recht heeft op het verschil tussen die verkoopopbrengst minus de tussen hen overeengekomen koopprijs, met dien verstande dat daarop nog een aantal bedragen in mindering worden gebracht. De woning wordt op 25 oktober 2002 door [E] verkocht aan derden. Na aftrek van bepaalde bedragen ontvangt de echtgenote van eiser nog een bedrag van € 27.913,37.

2.7 Op 29 augustus 2002 worden eiser, zijn echtgenote en [E] door de NV gedagvaard om op 11 september 2002 bij de rechtbank te verschijnen. De NV stelt zich op het standpunt dat de verkoop van de woning en de auto als paulianeuze rechtshandelingen moeten worden aangemerkt. De NV heeft voorts conservatoir paulianabeslag doen leggen op de woning.

2.8 Op 5 september 2002 bereiken de NV en eiser overeenstemming over de afwikkeling van de schuld van eiser aan de NV. Zij komen overeen dat eiser binnen 10 dagen een bedrag ineens betaalt van € 68.139,39, waarna voor het resterende bedrag algehele en finale kwijting wordt verleend. Voorts komen zij overeen dat alle geëntameerde procedures worden ingetrokken en dat de beslagen zullen worden opgeheven.

2.9 Verweerder heeft bij eiser een boekenonderzoek gehouden, waarbij onder meer de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV over het jaar 2002 is onderzocht. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 november 2004. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de winst die is ontstaan door de kwijtschelding van de schuld door de NV aan eiser niet is vrijgesteld op grond van artikel 3.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). De winstcorrectie die hierop betrekking heeft bedraagt € 146.707. De aanslag IB/PVV over het jaar 2002 is overeenkomstig dit standpunt vastgesteld.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de kwijtscheldingswinst van € 146.707 is vrijgesteld op grond van artikel 3.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet. Meer in het bijzonder staat centraal of sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van voormeld artikel. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van het prijsgeven van rechten.

4. Beoordeling van het geschil

Artikel 3.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bepaalt dat niet tot de winst behoren voordelen verkregen door het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers, voor zover de voordelen de som van het verlies uit werk en woning dat overigens mocht zijn geleden en de volgens afdeling 3.13 te verrekenen verliezen uit het verleden overtreffen (vrijgestelde kwijtscheldingswinst).

De vraag of sprake is van voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van voormeld artikel moet worden beoordeeld vanuit het oogpunt van de crediteur. Indien deze op grond van voor hem kenbare, ten tijde van de kwijtschelding bestaande, feiten en omstandigheden zakelijk handelde door (een deel van) de vordering kwijt te schelden, is sprake van niet voor verwezenlijking vatbare rechten in de zin van artikel 3.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet (Hoge Raad 24 december 2004, nr. 39.522).

De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast op eiser rust om aannemelijk te maken dat sprake is van vrijgestelde kwijtscheldingswinst. Eiser voert daartoe aan dat de NV genoegen heeft genomen met een betaling van € 68.139,39, terwijl bekend was dat hij vermogensbestanddelen aan verhaal heeft onttrokken, en de juridische procedures in gang waren gezet. Eiser stelt dat de NV kennelijk een inschatting heeft gemaakt van haar proceskansen bij voortzetting van de procedures en toen heeft besloten een overeenkomst met eiser te sluiten. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat eiser betoogt dat vanuit het oogpunt van de NV sprake is geweest van een overeenkomst die op basis van zakelijke overwegingen is gesloten.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat er, afgezien van een zakelijke relatie en het feit dat eiser en de directeur van de NV elkaar uit het (zakelijke) verleden kenden, tussen eiser en de NV geen sprake was van gelieerdheid in de aandeelhoudersrelatie. Naar het oordeel van de rechtbank moet er dus van worden uitgegaan dat de overeenkomst van 5 september 2002 is aangegaan tussen onafhankelijke derden.

Indien sprake is van een overeenkomst tussen niet gelieerde partijen volgt daaruit als veronderstelling dat die partijen zakelijk met elkaar hebben gehandeld. De bewijslast dat de NV door het sluiten van de overeenkomst op 5 september 2002 toch onzakelijk heeft gehandeld door genoegen te nemen met een bedrag van € 68.139,39 rust op verweerder.

Verweerder heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat de NV onzakelijk heeft gehandeld juridisch advies ingewonnen. In dit advies wordt aangegeven dat de NV een harde vordering had en dat de positie van de NV, voor wat betreft het uiteindelijke verhaal van de vordering, in de door haar geïnitieerde procedure goed verdedigbaar was. De conclusie van het advies luidt dan ook dat het prijsgeven van de vordering door de NV vanuit zakelijk oogpunt niet kan worden verklaard en er dus andere, niet zakelijke motieven moeten zijn geweest. Verweerder wijst in dat verband erop dat eiser en de directeur van de NV elkaar van vroeger kenden en zij waarschijnlijk bij nader inzien het conflict niet op de spits wilden drijven.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze omstandigheden van onvoldoende gewicht om aannemelijk te achten dat de NV bij het sluiten van de overeenkomst onzakelijk heeft gehandeld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser een juridisch advies heeft overgelegd waarin – in tegenstelling tot het advies van verweerder – wordt geconcludeerd dat het zeer goed is voor te stellen dat de NV de procedure niet heeft voortgezet, maar heeft ingestemd met een schikking. Voorts wijst de rechtbank erop dat er geen enkele aanwijzing is dat het feit dat partijen elkaar uit het verleden kenden van invloed is geweest op de uiteindelijke afwikkeling van de vordering.

Het vorenstaande leidt ertoe dat verweerder ten onrechte de kwijtscheldingswinst tot de winst heeft gerekend en eiser de toepassing van de vrijstelling van artikel 3.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet heeft onthouden.

Dit betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt moet worden berekend:

winst volgens verlies- en winstrekening € 5.068

zelfstandigenaftrek -6.358

meewerkaftrek -74

desinvesteringsbijtelling 835

winst uit onderneming -529

eigen woning forfait 696

hypotheekrente -5.649

belastbare inkomsten uit eigen woning -4.953

negatief inkomen uit werk en woning -5.482

kwijtscheldingswinst 146.707

vrijgesteld op basis van artikel 3.13 van de Wet € 141.225

belastbaar inkomen uit werk en woning nihil

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.283;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken door mr. I. Linssen, voorzitter, en mrs. J.J. Catsburg en M.M. Bijker - Veen, rechters in tegenwoordigheid van mr. A.C. Munniks, griffier, op 14 februari 2007.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.