Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA0706

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
AWB 06/2976
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De door eiser en zijn schoonouders bewoonde delen van de woning worden niet beschouwd als gedeelten in de zin van artikel 16, onderdeel c, van de Wet WOZ. Verweerder heeft deze delen derhalve ten onrechte als twee onroerende zaken aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/472
FutD 2007-0513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2976

Uitspraakdatum: 13 februari 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [X], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rheden, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij beschikking met nummer 65797 krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1], per waardepeildatum 1 januari 2003, vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 (eigenaar en gebruiker [X]).

Eiser heeft hiertegen achtereenvolgens bezwaar en beroep (zaaksnummer 05/4234) ingesteld.

Bij brief van 8 december 2005 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de beschikking met nummer 65797 zal worden vernietigd en dat in de plaats daarvan twee nieuwe beschikkingen zullen worden vastgesteld.

Verweerder heeft bij brief met dagtekening 27 december 2005 de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1], per waardepeildatum 1 januari 2003, vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 op

€ 364.000 (eigenaar en gebruiker [X]) en de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1], per waardepeildatum 1 januari 2003, voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 vastgesteld op € 109.000 (eigenaar [X] en gebruiker [A]).

Eiser heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de beschikking met nummer 65797 op 24 januari 2006 ingetrokken.

Eiser heeft bij brief van 5 februari 2006 tegen de beschikkingen vervat in de brief van 27 december 2005 bezwaar ingesteld.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 april 2006 de bij de beschikking van 27 december 2005 vastgestelde Woz-waarden en de aanslagen voor de jaren 2005 en 2006 gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de brief van verweerder van 8 december 2005 en tegen de uitspraak op bezwaar van 7 april 2006 bij brief van 18 mei 2006, ontvangen bij de rechtbank op 19 mei 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2006 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen

mevrouw Y. van Setten en [taxateur], taxateur bij Tog Nederland Midden b.v..

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser is eigenaar van een vrijstaande woning gelegen aan de [a-straat 1] te [X].

De woning is in 1890 gebouwd. In 1960 is de woning voorzien van een aanbouw. De woning bestaat uit drie verdiepingen en een kelder. De oppervlakte van het perceel bedraagt

1.325 m2.

De schoonouders van eiser gebruiken het achterste deel van de benedenverdieping. Dit deel omvat mede de aanbouw. Dit deel van de woning bestaat uit onder meer een gang, een bergruimte, slaapkamer, badkamer met toilet en een woonkamer met een open keuken. De gang geeft toegang tot de hiervoor genoemde vertrekken. De inhoud van dit deel van de woning bedraagt 218 m³. De oppervlakte van het perceel bedraagt 200 m2. Volgens een taxatierapport opgemaakt op 21 augustus 2006 door [taxateur], is de waarde van dit deel van de woning per peildatum € 109.000. De badkamer en de berging worden ook door eiser gebruikt.

De rest van de woning is alleen bij eiser in gebruik. Dat deel van de woning bestaat uit onder meer een hal, toilet, woonkamer, keuken, badkamer, drie slaapkamers en een zolderruimte met slaapkamer. De inhoud van dit deel bedraagt 729 m³. Bij dit deel van de woning behoren voorts een garage met een inhoud van 350 m³ en een kelder van 52 m³. De oppervlakte van het perceel bedraagt 1.125 m2. Volgens een tweede taxatierapport opgemaakt op 21 augustus 2006 door [taxateur], is de waarde van dit deel van de woning per peildatum € 364.000.

Tussen de hal en de hiervoor genoemde gang bevindt zich een deur.

Voor de toepassing van de Wet WOZ heeft verweerder voor het onderhavige tijdvak het deel van de woning dat door eiser wordt bewoond en het deel van de woning dat wordt bewoond door de schoonouders van eiser aangemerkt als twee afzonderlijke objecten.

3. Geschil en standpunten van partijen

Tussen partijen is in geschil of de woning voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken moet worden aangemerkt als één onroerende zaak zoals eiser voorstaat, dan wel, zoals verweerder bepleit, de delen van de woning die bij respectievelijk eiser en zijn schoonouders in gebruik zijn als afzonderlijke onroerende zaken moeten worden aangemerkt.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen hierover in de stukken is vermeld.

Ter zitting heeft eiser – kort samengevat en zakelijk weergegeven – hieraan nog het volgende toegevoegd:

Mijn situatie komt overeen met die in het arrest HR 9 september 1992, nr. 28 352,

BNB 1992/341. Mijn schoonouders betalen € 400 per maand. De slaapkamer beneden is uitsluitend in gebruik bij mijn schoonouders. Mijn schoonouders komen nooit boven. Behalve mijn vrouw, mijn schoonouders en ikzelf woont er niemand in het huis. De tussendeur kan niet op slot. Er zit zelfs geen slot in. Mijn schoonouders wonen sinds 1994 bij mij. Sinds 2000 zijn zij hulpbehoevend. Langzamerhand hebben zij steeds meer voorzieningen nodig. Bezoek voor mijn schoonouders komt over mijn oprit via de achterdeur binnen. Mijn schoonouders betalen alleen een kleine vergoeding voor stookkosten en elektriciteit. Door de handelwijze van verweerder is voor de inkomstenbelasting een deel van de hypotheekrente niet meer aftrekbaar voor de inkomstenbelasting en is het bedrag van

€ 109.000 belast in box 3. Als ik het deel dat door mijn schoonouders wordt bewoond zou willen verkopen, heb ik een splitsingsvergunning nodig.

Ter zitting is hieraan – kort samengevat en zakelijk weergegeven –namens verweerder nog het volgende toegevoegd:

Op de deur zit wel een passend slot maar de sleutel daarvan is zoek. Omdat niet bekend was dat sprake was van twee woningen is eerder één beschikking afgegeven. Daartegen is bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan is de eerste beschikking vernietigd en zijn twee nieuwe beschikkingen vastgesteld. Voor de toepassing van artikel 16, onderdeel c, van de Wet WOZ is niet relevant of het deel van de woning dat door de schoonouders wordt gehuurd afzonderlijk verkoopbaar of verhuurbaar is. Ik denk dat dit deel wel verkoopbaar of verhuurbaar is.

4. Beoordeling van het geschil

Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 7 april 2006

Op grond van het bepaalde in artikel 16, onderdeel a, van de Wet WOZ wordt een gebouwd eigendom als één onroerende zaak aangemerkt. Ingevolge het bepaalde in artikel 16, onderdeel c, van de Wet WOZ, wordt in afwijking daarvan een gedeelte van een eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, aangemerkt als een afzonderlijke onroerende zaak.

Voor het antwoord op de vraag of de door eiser en zijn schoonouders bewoonde delen van de woning tezamen als één onroerende zaak moet worden beschouwd dan wel als twee onroerende zaken, acht de rechtbank het volgende van belang.

Nagegaan moet worden of de delen van het woonhuis die respectievelijk bij eiser en zijn schoonouders in gebruik zijn, bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. In zijn arresten van 16 december 1987, nr. 25 015, BNB 1988/91* en van 9 september 1992,

nr. 28 352, BNB 1992/341 heeft de Hoge Raad in verband met kantoorgebouwen overwogen dat voor een bevestigend antwoord op de vraag of een gedeelte daarvan blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt op zijn minst is vereist dat zodanig gedeelte redelijk afsluitbaar is en aldus kan worden afgescheiden van de overige delen van het gebouw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze eis eveneens voor woningen te gelden. De rechtbank ziet althans geen goede grond om deze eis niet daaraan te stellen. Een redelijke uitlegging van die eis brengt met zich mee onder een afsluitbaar gedeelte slechts te rekenen die gedeelten die op 1 januari 2003 feitelijk afsluitbaar zijn en niet ook die delen die, door het alsnog aanbrengen van een deurslot, afsluitbaar kunnen worden gemaakt (vergelijk Hof Arnhem, 17 februari 1999, nr. 98/1265, BB 2000/667).

Verweerder heeft gesteld dat de tussendeur is voorzien van een slot. Eiser heeft dit betwist. Verweerder heeft hierover tegenstrijdige verklaringen afgelegd. In het verweerschrift heeft verweerder gesteld dat het slot stuk was. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het de sleutel zoek is. Voorts blijkt uit de taxatierapporten niets over de afsluitbaarheid van de tussendeur. De rechtbank hecht daarom meer geloof aan de verklaring van eiser dat de deur niet afsluitbaar is. Dat de deur niet afsluitbaar is, brengt mee dat eiser zich vrijelijk toegang kan verschaffen tot alle vertrekken van zijn schoonouders en dat zijn schoonouders zich in beginsel ook vrijelijk toegang kunnen verschaffen tot de vertrekken die bij eiser in gebruik zijn. Nu de door eiser en de door zijn schoonouders bewoonde delen van de woning niet redelijk afsluitbaar zijn, kunnen deze delen niet worden beschouwd als gedeelten in de zin van artikel 16, onderdeel c, van de Wet WOZ. Verweerder heeft deze delen derhalve ten onrechte als twee onroerende zaken aangemerkt. Dit brengt mee dat het beroep van eiser gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit en de beschikkingen vervat in de brief van 27 december 2005 moeten worden vernietigd.

Beroep tegen de brief van verweerder van 8 december 2005

Deze brief is geen uitspraak op bezwaar en houdt mitsdien geen voor beroep vatbaar besluit in. Dit beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. Proceskosten

Eiser heeft zich niet laten bijstaan door een gemachtigde. Andere kosten zijn door eiser niet gesteld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

6. Beslissing

Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 7 april 2006

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- vernietigt de beschikkingen als vervat in de brief van 27 december 2005 en

- gelast de gemeente Rheden het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 38

aan hem te vergoeden.

Beroep tegen de brief van verweerder van 8 december 2005

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 13 februari 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van G.W. Jansink, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagplattegrond;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.