Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BA0115

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
138154
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen - samengevat - dat de rechtbank de betekening van het dwangbevel nietig verklaard, dan wel het dwangbevel buiten effect zal stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138154 / HA ZA 06-416

Vonnis van 14 februari 2007

in de zaak van

1. JOHANNES MATHEUS ANTONIUS ARIËNS,

wonende te Beneden-Leeuwen, Gemeente West Maas & Waal,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARIËNS VERHUUR B.V.,

gevestigd te Beneden Leeuwen, Gemeente West Maas & Waal,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.M.A. ARIËNS HOLDING B.V.,

gevestigd te Beneden Leeuwen, Gemeente West Maas & Waal,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LOON- EN GRONDWERKERS BEDRIJF ARIËNS B.V.,

gevestigd te Beneden-Leeuwen, Gemeente West Maas & Waal,

eiseressen in het verzet,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. C.J. Driessen te Beers,

tegen

de rechtspersoon naar publiekrecht

GEMEENTE WEST MAAS & WAAL,

gevestigd te Beneden-Leeuwen,

gedaagde in het verzet,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. R.M. van Bemmel te Breda.

Partijen zullen hierna Ariens c.s. en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 mei 2006,

- het proces-verbaal van comparitie van 21 augustus 2006 met bijlagen,

- de akte van Ariëns c.s. van 20 september 2006,

- de akte van de Gemeente van 20 september 2006,

- de ter gelegenheid van het pleidooi door mr. Driessen namens Ariëns c.s. en mr. Van Bemmel namens de Gemeente overgelegde pleitnotities.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij beschikking van 6 oktober 2003, verzonden op 15 oktober 2003 heeft de Gemeente Ariëns c.s. opgedragen de strijdigheid met de artikelen 4, 7 en 44 van de bestemmingsplanvoorschriften “Buitengebied”, artikel 59 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 40 van de Woningwet ten aanzien van het perceel Mosterdwal 5 te Beneden Leeuwen uiterlijk op 1 januari 2004 op te heffen. Hiertoe moesten worden verwijderd: betonijzer, een watertank, drie procestanks, twee vultrechters, betonmateriaal, ijzeren constructies, gasflessen, betonchemicaliën, betonbezinkput, betonbezinksel, grind, een graafmachine, de zandopslag, een betonmixer op vrachtwagen, machines ten behoeve van de betonproductie, een betonwagen, een vrachtwagen, interieur van vrachtwagen t.b.v. betonproductie, een grote olietank, een voormalige cabine, een vrachtautowrak en verder alle op diverse plaatsen op het terrein opgeslagen (bouw)materialen. Voorts heeft de Gemeente de toepassing van bestuursdwang aangezegd, indien de overtredingen niet binnen de gestelde termijn zouden zijn opgeheven. Tevens is aangezegd dat de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van de bestuursdwang op grond van het artikel 5:25, eerste lid Algemene wet bestuursrecht (Awb) op Ariëns c.s. zullen worden verhaald.

2.2. Het bezwaarschrift van Ariëns tegen de beschikking van 6 oktober 2003 werd in zoverre gegrond verklaard dat de begunstigingstermijn werd verlengd tot 1 juli 2004. Voor het overige werden de bezwaren van Ariëns ongegrond verklaard.

2.3. De voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem, sector bestuursrecht, oordeelde op 11 januari 2005 dat de beslissing op bezwaar ten onrechte geen aandacht besteedde aan de bedrijfsverplaatsing, noch daarvoor een termijn stelde. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde bij besluit van 16 november 2005 de beslissing van de voorzieningenrechter van deze rechtbank omdat ten onrechte een koppeling was gemaakt tussen het bestuursdwangbesluit en de bedrijfsverplaatsing. Hiermee werd de bestuursdwangbeschikking onherroepelijk.

2.4. Bij brief van 30 november 2005 heeft de Gemeente aan Ariëns c.s. laten weten dat zij tot uiterlijk 15 december 2005 in de gelegenheid werden gesteld om de uitoefening van bestuursdwang te voorkomen door - kort weergegeven - opheffing van de strijdigheid met het bestemmingsplan. Deze termijn is verlengd tot 31 december 2005.

2.5. Bij controles op 4, 6 en 9 januari 2006 bleek dat Ariëns c.s. niet aan hun uit de bestuursdwangbeschikking voortvloeiende verplichtingen hadden voldaan. Op 10 januari 2006 heeft de Gemeente bestuursdwang uitgeoefend ten aanzien van het perceel Mosterdwal 5 te Beneden Leeuwen.

2.6. Op 12 januari 2006 heeft de Gemeente een rekening groot € 79.804,10 betreffende de kosten van bestuursdwang aan Ariëns gestuurd. Ariëns heeft deze rekening niet voldaan. Op 25 januari 2006 heeft het college van B&W van de Gemeente de kosten van bestuursdwang bij dwangbevel ingevorderd. Het dwangbevel is op 31 januari 2006 aan J.M.A. Ariëns, Ariëns Verhuur B.V., J.M.A. Ariëns Holding B.V. en Loon- en Grondverzetbedrijf Ariëns B.V. betekend. De Gemeente vordert daarbij, hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, de hoofdsom van € 79.804,10, vermeerderd met rente en kosten.

3. Het geschil

3.1. Ariëns c.s. vorderen samengevat - dat de rechtbank de betekening van het dwangbevel nietig verklaard, dan wel het dwangbevel buiten effect zal stellen, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding. Ariëns c.s. gronden hun vordering op betekeningsfouten bij de uitreiking van de dwangbevelen en een groot aantal ontoelaatbare schendingen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.2. De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Ariëns c.s. in zoverre in hun verzet kunnen worden ontvangen.

4.2. Door het onder 2.3 genoemde besluit van 16 november 2005 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is de bestuursdwangbeschikking onherroepelijk geworden en heeft deze beschikking formele rechtskracht gekregen. Dit betekent dat de civiele rechter geen oordeel meer kan geven over bezwaren die aan de administratieve rechter hadden kunnen worden voorgelegd. In de verzetsprocedure kan, naast de geldigheid van het dwangbevel, enkel worden geoordeeld over de volgende vragen:

a. Heeft de overtreder inderdaad nagelaten de in de bestuursdwangbeschikking genoemde maatregelen te nemen, zodat er reden was de bestuursdwang te effectueren?

b. Heeft de effectuering zorgvuldig plaatsgevonden, met zo weinig mogelijk kosten en schade voor betrokkene?

c. Klopt de hoogte van het gevorderde bedrag?

Ten aanzien van het Dwangbevel

4.3. Ariëns c.s. hebben gesteld dat de betekening van het dwangbevel nietig was, omdat de bestuursdwangbeschikking, anders dan in het dwangbevel is aangegeven, niet aan het dwangbevel was gehecht. De Gemeente heeft deze stelling betwist.

In artikel 6:22 Awb is bepaald dat schending van een vormvoorschrift door het bestuursorgaan niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit, indien de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Nu Ariëns c.s. bezwaar en beroep hebben ingesteld tegen de bestuursdwangbeschikking, moet worden aangenomen dat zij over deze beschikking beschikten en dat zij op de hoogte zijn van de inhoud daarvan. Hieruit volgt dat zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de bestuursdwangbeschikking niet aan het dwangbevel was gehecht en wat daar ook overigens van zij Ariëns c.s. hierdoor niet zijn benadeeld. Dit geldt temeer nu gesteld noch gebleken is dat zij door het ontbreken van de bestuursdwangbeschikking werden gehinderd in deze verzetsprocedure. Daarom dient dit verweer te worden verworpen.

4.4. Voorts hebben Ariëns c.s. gesteld dat de Gemeente, alvorens het dwangbevel te betekenen, had dienen te reageren op de brieven van mr Driessen van 10, 20 en 31 januari 2006. Nu de Gemeente dit heeft nagelaten, levert dit een zodanig ontoelaatbare schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op dat het dwangbevel niet in stand mag blijven, aldus Ariëns c.s.

De bezwaren van Ariëns c.s. in voormelde brieven kunnen worden onderverdeeld in:

- bezwaren tegen de factuur van 12 januari 2006;

- bezwaren tegen de bestuursdwangbeschikking;

- bezwaren tegen beslaglegging door de Gemeente;

- en bezwaren tegen de uitvoering van de bestuursdwang.

Het opleggen van een last onder bestuursdwang heeft tot gevolg dat de kosten van de bestuursdwang kunnen worden verhaald indien de last niet wordt uitgevoerd. Het kostenverhaal vloeit direct voort uit de wet en daarvoor is geen nadere rechtshandeling nodig. De brief van 12 januari 2006 is een factuur waarin de omvang van de kosten van de bestuursdwang worden toegelicht. Daarom is de brief niet op een rechtsgevolg gericht en geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Reeds om die reden behoefde de Gemeente niet te reageren op de bezwaren van Ariëns c.s. tegen de rekening. Deze bezwaren kunnen pas na betekening van het dwangbevel in de verzetprocedure aan de orde komen.

Op de klachten in deze brieven die betrekking hebben op het bestuursdwangbesluit behoefde niet te worden gereageerd door de Gemeente omdat deze beschikking onherroepelijk is.

Verder valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom het niet beantwoorden van een verzoek tot opheffing van het beslag tot nietigheid van het dwangbevel zou moeten leiden.

De klachten die vallen onder de in rechtsoverweging 4.2 genoemde punten die in de verzetprocedure aan de orde kunnen komen, konden door Ariëns c.s. aan de civiele rechter worden voorgelegd, zoals thans ook is gebeurd. Niet valt in te zien waarom de Gemeente daarop eerder had moeten reageren en op grond waarvan het nalaten daarvan tot nietigheid van het dwangbevel zou leiden, nog daargelaten dat Ariëns c.s. niet hebben aangegeven met welk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat nalaten in strijd zou zijn geweest. Dit bezwaar tegen het dwangbevel wordt dus verworpen

Ten aanzien van de noodzaak van de effectuering van de bestuursdwang

4.5. Ariëns c.s. stellen dat het bestuursdwangbesluit niet had mogen worden uitgevoerd omdat de Gemeente niet gereageerd heeft op het herzieningsverzoek bestuursdwangbeschikking dat Ariëns c.s. bij brief van 13 december 2005 hebben gedaan. Deze stelling wordt verworpen. Zoals onder 4.2 is overwogen, was het bestuursdwangbesluit onherroepelijk zodat de Gemeente bevoegd was om over te gaan tot de uitoefening van bestuursdwang, indien en voor zover Ariëns c.s. niet tijdig gehoor gaven aan de desbetreffende last. Voorts heeft een verzoek tot herziening van een bestuursdwangbesluit geen wettelijke basis en heeft een dergelijk verzoek reeds daarom geen schorsende werking.

4.6. Voorts stellen Ariëns c.s. dat effectuering van de bestuursdwangbeschikking niet meer noodzakelijk was omdat betonproductie niet meer mogelijk was nu de vijzels, essentiële elementen bij de productie, al voor de kerst waren verwijderd. Met deze stelling miskennen Ariëns c.s. de inhoud van deze beschikking waaruit volgt dat - kort weergegeven - alles diende te worden verwijderd wat in strijd was met de agrarische bestemming van het perceel. Ook deze stelling wordt daarom verworpen.

4.7. Ook wordt de stelling gepasseerd dat Ariëns c.s. zelf al nagenoeg alle materialen die betrekking hadden op de betonmortelactiviteiten hadden verwijderd, en dat zij door overmacht - het omvallen van een kraan en slechte weersomstandigheden - niet tijdig klaar waren met de rest van de ontruiming.

Ten eerste wijst de rechtbank erop dat Ariëns c.s. tenminste vanaf oktober 2003 wisten dat, indien zij de bestuursrechterlijke procedure zouden verliezen, zij alles van het perceel moesten verwijderen wat - kort weergegeven - in strijd was met de agrarische bestemming. Ariëns c.s. moesten rekening houden met de mogelijkheid dat zij de bestuursrechtelijke procedure zouden kunnen verliezen, nu zij zonder de benodigde vergunningen een betonmortelcentrale zijn gestart op terrein waarvan zij wisten dat het een agrarische bestemming had. Na de beslissing van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 november 2005, heeft de Gemeente Ariëns c.s. op 30 november 2005 medegedeeld dat zij voor 15 december 2005 het perceel moesten ontruimen. Deze termijn is verlengd tot 31 december 2005, waarna de Gemeente pas op 10 januari 2006 tot uitoefening van bestuursdwang is overgegaan. Nu Ariëns c.s. volgens eigen zeggen de betonproductie pas “een paar dagen voor de kerst” hebben gestaakt, komt eventuele vertraging bij de ontruiming voor hun risico, ook indien deze vertraging het gevolg zou zijn geweest van overmacht.

De stelling wordt verworpen dat nagenoeg alle materialen die betrekking hebben op de betonmortelactiviteiten waren verwijderd. Deze stelling berust immers deels op een verkeerde lezing van de bestuursdwangbeslissing en is deels feitelijk onjuist. Immers ingevolge de bestuursdwangbeschikking moesten ook de op het terrein opgeslagen (bouw)materialen worden verwijderd en uit het “verslag van ontruiming” van de toezichthouders Melissen en Agterberg volgt dat de ontruiming een omvangrijke operatie was, waarbij onder meer grote hoeveelheden grondstoffen voor de betonproductie, (bouw)materialen, (beton)afval, (vracht)auto-wrakken en productiemiddelen moesten worden afgevoerd. Voor zover er bij de controle door de Gemeente gebruik is gemaakt van een lijst met de “te verwijderen onderdelen ten behoeve van de betonproductie”, hadden Ariëns c.s. gezien de tekst van de bestuursdwangbeschikking moeten begrijpen dat deze opsomming niet limitatief was.

Uit het voorgaande volgt dat Ariëns c.s. hebben nagelaten de in de bestuursdwangbeschikking genoemde maatregelen te nemen. Daarom wordt de stelling gepasseerd dat er geen reden was de bestuursdwang te effectueren.

Ten aanzien van de zorgvuldigheid van de effectuering.

4.8. Ten aanzien van de vraag of de Gemeente voldoende zorgvuldig te werk is gegaan bij de uitvoering van de bestuursdwang overweegt de rechtbank allereerst dat sprake is van een omvangrijke operatie, waarbij veel mensen en zwaar materieel moest worden ingezet. Uit de stukken en voormeld “verslag van ontruiming” volgt dat de operatie is voorbereid, dat het personeel voorafgaand aan de ontruiming is geïnstrueerd, dat de operatie is uitgevoerd onder leiding van twee gemeentelijke toezichthouders en dat de af te voeren grondstoffen, materialen en productiemiddelen van te voren zijn getaxeerd en gemerkt. Hieruit volgt dat de Gemeente alles heeft gedaan wat redelijkerwijs in haar macht was om de uitoefening van de bestuursdwang zorgvuldig te laten verlopen.

Bij omvangrijke ontruimingsoperaties als de onderhavige is ondanks een zorgvuldige planning en uitvoering schade nooit helemaal te vermijden. Voor zover deze schade wordt toegebracht aan bezittingen van de overtreder, kan er naar oordeel van de rechtbank in beginsel aanleiding bestaan de schade te verrekenen met de te verhalen kosten van de bestuursdwang. De overtreder zal dan afdoende moeten stellen en bewijzen dat er schade is geleden als gevolg van onzorgvuldig handelen van de gemeente tijdens de uitoefening van de bestuursdwang. Op de verschillende stellingen van Ariëns c.s. ten aanzien van de schending van de zorgvuldige uitvoering van de bestuursdwang wordt hierna onder 4.9 ingegaan. Indien schade ontstaat als gevolg van noodzakelijke betreding van plaatsen van derden, zijn de kosten daarvan verhaalbaar op de overtreder. De schade die is ontstaan door het parkeren van zwaar materieel in de berm van de weg is naar oordeel van de rechtbank bij een operatie met een omvang als de onderhavige niet te vermijden en kan derhalve op Ariëns worden verhaald.

4.9. De stelling wordt verworpen dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld omdat zij niet van te voren bekend heeft gemaakt wanneer de ontruiming zou plaatsvinden. De wet kent niet de verplichting tot voorafgaande bekendmaking van het moment waarop de bestuursdwang ten uitvoer wordt gelegd en ook overigens zijn geen omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden waaruit blijkt dat onzorgvuldig is gehandeld doordat in het onderhavige geval het moment van uitvoering niet van tevoren bekend is gemaakt.

Ariëns c.s. hebben een lijst in het geding gebracht, gedateerd 18 januari 2006, met daarop vermeld zaken die tijdens de ontruiming zouden zijn vernield en zaken die daarna zouden worden vermist. Ten aanzien van de stelling dat onzorgvuldig is gehandeld omdat materialen zijn vernietigd en verwijderd die niets te maken hadden met de betonmortelactiviteiten, wordt allereerst verwezen naar hetgeen hierover onder 4.7 is overwogen. De op de lijst staande (bouw)materialen worden in de last onder bestuursdwang genoemd en dienden derhalve te worden afgevoerd. Dit geldt ook voor eventuele (bouw)materialen die volgens Ariëns c.s. bestemd waren voor een in eigen beheer te bouwen stal, te meer nu de Gemeente tijdens het pleidooi onbetwist heeft aangevoerd dat Ariëns geen bouwvergunning voor een stal is verleend. Voorts heeft de Gemeente tijdens het pleidooi onbetwist gesteld dat Ariëns c.s. zelf alle waardevolle zaken hadden verwijderd voorafgaand aan de ontruiming en dat van alle zaken die nog op het terrein aanwezig waren de waarde na taxatie op nihil is gesteld. De zich op het terrein bevindende zaken behoefden daarom niet te worden opgeslagen maar konden ter recycling worden aangeboden. Ariëns c.s. hebben verschillende foto’s, offertes en verklaringen in het geding gebracht betreffende vernietigde en/of vermiste en/of beschadigde zaken. Hiermee hebben zij echter onvoldoende onderbouwd dat de afgevoerde materialen en machines een hogere dagwaarde hadden dan nihil en op kosten van de overtreder hadden moeten worden opgeslagen. Met in het geding brengen van offertes voor de aanschaf van machines wordt slechts de huidige aanschafprijs van nieuwe machines aangetoond en niet de dagwaarde van de afgevoerde machines. Ook uit de in het geding gebrachte verklaringen valt de dagwaarde van de verschillende productiemiddelen niet af te leiden. Ariëns c.s. moeten in hun financiële administratie stukken hebben waaruit de dagwaarde van de verschillende productiemiddelen is af te leiden. Deze stukken hebben zij echter niet in het geding gebracht. Voorts is uit de foto’s van de sluifsilo en de fundering van de varkensstal niet af te leiden of deze beschadigingen het gevolg zijn van de ontruiming, terwijl ook de hoogte van de door Ariëns geleden schade niet is gesteld. Gezien de gemotiveerde betwisting van de gemeente dat zij - kort weergegeven - bij het afvoeren van materialen en productiemiddelen onzorgvuldig heeft gehandeld en dat daardoor waardevolle zaken zijn zoekgeraakt of vernield, had het op de weg van Ariëns c.s. gelegen deze stelling nader te onderbouwen. Ariëns c.s. hebben dit nagelaten. Daarom wordt de stelling als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

De stelling dat niet alleen de toezichthouders, maar ook al het uitvoerend personeel zich voorafgaand aan de ontruiming had moeten legitimeren, vindt geen steun in het recht en ook overigens zijn geen omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden waaruit blijkt dat onzorgvuldig is gehandeld doordat het uitvoerend personeel zich niet heeft gelegitimeerd.

Voorts heeft Ariëns gesteld dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld nu zij bij de ontruiming - kort weergegeven - te veel personeel en te veel en te zwaar materieel heeft ingezet. Ter onderbouwing van deze stelling hebben Ariëns c.s. gewezen op de zaken die zij zelf al hadden afgevoerd en de hoogte van de offerte van sloopbedrijf Lambert. Echter uit het feit dat Ariëns c.s. - ook volgens de Gemeente - al een aanzienlijk deel van de ontruimingswerkzaamheden hadden verricht, kan niet worden afgeleid dat de Gemeente voor het resterende deel van de ontruiming te veel personeel en te veel en te zwaar materieel heeft ingezet. De door Ariëns in het geding gebrachte offerte van Lambert kan niet worden vergeleken met de rekening van Convoi nu de laatste firma aanzienlijk meer werk heeft verricht dan is geoffreerd door Lambert, waaronder het afvoeren van autowrakken en de bouwmaterialen. Voorts heeft Lambert geoffreerd op basis van de inzet van een shovel en een heftruck van Ariëns c.s. Voorts wijst de rechtbank erop dat de ontruiming van 07.30 uur tot 00.15 uur heeft geduurd, een gegeven dat niet valt te rijmen met de gestelde inzet van te veel personeel en te veel en te zwaar materieel. Na betwisting door de Gemeente heeft Ariëns haar stelling niet nader onderbouwd. Daarom zal deze stelling als onvoldoende onderbouwd worden verworpen.

De Gemeente heeft een offerte voor de ontruiming gevraagd aan Convoi, de hoofdaannemer van de ontruiming, voordat Ariëns c.s. de werkzaamheden aan Convoi hebben uitbesteed waaruit het juridisch geschil tussen hen is ontstaan. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat - zelfs indien Convoi onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens Ariëns c.s. - de Gemeente enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden doordat zij de opdracht voor de ontruiming Convoi heeft gegund. Dit geldt ook indien bij de Gemeente bekend was dat Ariëns c.s. en Convoi elkaars concurrenten zijn.

De stelling dat de werkzaamheden met een telekraan, een rupskraan en een vrachtwagen urenlang onmogelijk zijn gemaakt door de onzorgvuldige uitvoering van de bestuursdwang is niet onderbouwd en zal daarom worden gepasseerd.

Voorts wordt de stelling verworpen dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld bij de aanbesteding van de ontruiming. De Gemeente was niet verplicht tot een Europese aanbesteding van de ontruiming nu de waarde van de te verrichte diensten onder het daarvoor geldende drempelbedrag bleef. Voorts is gesteld noch overigens aannemelijk geworden dat Ariëns c.s. door deze wijze van aanbesteding zijn benadeeld. Dit geldt te meer nu de Gemeente drie bedrijven om een prijsopgave heeft verzocht, twee offertes heeft ontvangen en de opdracht aan het goedkoopste bedrijf heeft gegund.

Uit het voorgaande volgt dat Ariëns c.s. de stellingen dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld onvoldoende heeft onderbouwd, dan wel dat het verweer van de Gemeente wordt aanvaard dat de gestelde activiteiten geen onzorgvuldig handelen opleverden.

Ten aanzien van de hoogte van de kosten

4.10. Om verzet mogelijk te maken zal de Gemeente onder meer de kosten van de bestuursdwang naar redelijkheid dienen te specificeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Gemeente afdoende aan deze eis voldaan met haar rekening van 12 januari 2006 en de later in het geding gebrachte gespecificeerde rekeningen van de aannemers. Van de zeer vergaande specificaties van de kosten die Ariëns c.s. vragen is de noodzaak gesteld noch overigens aannemelijk geworden.

Nu onder 4.9 de stelling is verworpen dat er materialen onrechtmatig zijn verwijderd, kan ook de stelling dat het onrechtmatig is de kosten in rekening te brengen van de onrechtmatige verwijdering van materialen, Ariëns c.s. niet baten.

Het enkele feit dat het zand-, grind- en betonafval dichter bij de Mosterdwal 5 te Beneden Leeuwen ter verwerking had kunnen worden aangeboden, betekent niet dat de kosten van afvalverwerking onnodig hoog zijn. De Gemeente heeft immers gekozen voor de aannemer die voor de ontruiming de laagste offerte heeft uitgebracht en het afvoeren en verwerken van het afval maakte deel uit van de totale offerte. Dit geldt te meer nu het zand-, grind- en betonafval slechts een deel was van al het ter verwerking aangeboden afval en de transportkosten weer slechts een deel waren van de totale kosten van afvalverwerking.

Indien de stelling van Ariëns betreffende de verwerking van het asbest zo moet worden begrepen dat de Gemeente ten onrechte de kosten daarvan in rekening heeft gebracht, wordt deze stelling verworpen. De Gemeente deelt op de rekening van 12 januari 2006 aan Ariëns c.s. mede dat het asbest nog niet is verwijderd en dat de kosten daarvan separaat in rekening zullen worden gebracht. Ariëns c.s. schrijven vervolgens in hun brief van 20 januari 2006 aan de Gemeente dat zij het asbest zelf hebben laten verwijderen. Gesteld noch gebleken is dat de Gemeente hierna nog een factuur voor het verwijderen van asbest aan Ariëns c.s. heeft gestuurd.

Ariëns c.s. stellen dat de heer Agterberg de Gemeente zou hebben geadviseerd om (een deel van) het zware materieel af te bestellen. Zelfs indien Agterberg dit advies zou hebben uitgebracht, iets wat de Gemeente door het in het geding brengen van de verklaring van Agterberg van 31 augustus 2006 betwist, dan zou het college van B&W van de Gemeente hieraan niet zijn gebonden.

Onder 4.9 is de stelling reeds verworpen dat te veel personeel en te veel en te zwaar materieel is ingezet. Derhalve wordt ook de stelling verworpen dat hierdoor onnodig veel kosten zijn gemaakt.

Uit het voorgaande volgt dat de stellingen worden verworpen dat - kort weergegeven - de kosten van de ontruiming onnodig hoog zijn en dat deze kosten onvoldoende zijn gespecificeerd.

4.11. Ariëns c.s. hebben nog tal van andere omstandigheden opgeworpen. Hoe zeer ook deze omstandigheden in de beleving van hen deel uit zullen maken van het geschil, behandeling daarvan is niet noodzakelijk omdat zij geen verband houden met de in dit geding rechtens te beantwoorden vragen zoals die onder 4.2 zijn weergegeven.

4.12. Uit het voorgaande volgt dat het verzet van Ariëns c.s. niet kan slagen en de vordering ongegrond moet worden verklaard.

4.13. Ariëns c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- vast recht € 248,00

- salaris procureur 3.576,00 ( 4 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.824,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart het verzet ongegrond,

5.2. veroordeelt Ariëns c.s in de proceskosten tot dit vonnis, aan de zijde van de Gemeente bepaald op € 3.824,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries, mr. R.J.J. van Acht en mr. J.J.H. van Laethem en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2007. Bij afwezigheid van de voorzitter is dit vonnis ondertekend door de oudste rechter.