Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:AZ9944

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
07-03-2007
Zaaknummer
05/950005-06 en 05/520157-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim anderhalf jaar zeer regelmatig handelingen verricht met zijn zoontje welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Ondanks de wisselende verklaringen van verdachte, is de rechtbank in het onderhavige geval van oordeel dat de bekennende verklaringen van verdachte voor het bewijs gebruikt kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Verkort vonnis

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Parketnummer : 05/950005-06 en 05/520157-06

Datum zitting : 19 april 2006, 28 juni 2006, 30 augustus 2006, 22 november 2006,

13 december 2006 en 21 februari 2007

Datum uitspraak : 7 maart 2007

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein,

De Liesbosch 100 te Nieuwegein.

Raadsman: mr. M.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

parketnummer 05/950005-06:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 mei 2004 tot 23 november 2005 te [woonplaats], althans in Nederland, met (zijn zoon) [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) (een) handeling(en) heeft gepleegd die (mede) bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het (telkens) duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de anus van voornoemde [slachtoffer] en/of het (telkens) tongzoenen van/met die [slachtoffer] en/of het die [slachtoffer] (telkens) laten trekken aan zijn, verdachtes, (stijve)

penis;

parketnummer 05/520157-06:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand juli 2004 tot en met de maand september 2005, althans de periode van de maand juni 2005 tot en met de maand september 2005, te [woonplaats], althans in Nederland,

met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) (een) handeling(en) heeft gepleegd die (mede) bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het (telkens) duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de anus van voornoemde [slachtoffer 2] en/of het (telkens) tongzoenen van/met die [slachtoffer 2] en/of het door verdachte (telkens) in de mond nemen van en/of zuigen aan de penis van die [slachtoffer 2].

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 21 februari 2007 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

Ter terechtzitting van 19 april 2006 zijn de zaken van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

Als benadeelde partij heeft zich, ten aanzien van het tenlastegelegde met parketnummer 05/950005-06, schriftelijk in het geding gevoegd:

• [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], vertegenwoordigd door zijn moeder [moeder], zijnde zijn wettelijk vertegenwoordiger.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde met parketnummer 05/520157-06.

De officier van justitie heeft voorts geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde met parketnummer 05/950005-06 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft tenslotte verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] volledig wordt toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.231,07 en dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 56 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 05/520157-06 is tenlastegelegd en zal hem daarvan vrijspreken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/950005-06 tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank bezigt hiertoe onder meer de aangifte van [moeder], zijnde de moeder van [slachtoffer], het ambtelijk verslag met betrekking tot het studioverhoor van [slachtoffer], de verklaring van de oma van [slachtoffer] [oma], de verklaring van [leerkracht], zijnde de leerkracht van [slachtoffer], de verklaring van [vriendin], zijnde een vriendin van de moeder van [slachtoffer] en de bekennende verklaring(en) van verdachte tot het bewijs.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de verklaring(en) van verdachte als volgt.

Verdachte heeft in eerste instantie tegenover de politie bekend handelingen te hebben gepleegd met zijn minderjarige zoontje [slachtoffer], welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van [slachtoffer]. Deze bekennende verklaring heeft verdachte herhaald bij de officier van justitie en de rechter-commissaris. Vervolgens is verdachte wisselend gaan verklaren. Hij heeft het tenlastegelegde achtereenvolgens ontkend, wederom bekend, weer ontkend en tenslotte op de laatste terechtzitting wederom bekend.

De rechtbank is van oordeel dat in zijn algemeenheid zorgvuldig dient te worden omgegaan met sterk wisselende verklaringen van verdachten en verklaringen waarin verdachten terugkomen op eerdere afgelegde bekennende verklaringen.

De rechtbank is in het onderhavige geval, met name gelet op de zeer uitgebreide en gedetailleerde bekennende verklaring van verdachte direct na zijn aanhouding afgelegd tegenover de politie, welke verklaring qua inhoud op belangrijke punten overeenstemt met de inhoud van de overige bewijsmiddelen, van oordeel dat de bekennende verklaring(en) van verdachte naar waarheid zijn afgelegd en voor het bewijs gebruikt kunnen worden.

De rechtbank acht bewezen dat:

Parketnummer 05/950005-06:

hij op tijdstippen in de periode van 01 mei 2004 tot 23 november 2005 te [woonplaats], met (zijn zoon) [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger in de anus van voornoemde [slachtoffer] en/of het tongzoenen van/met die [slachtoffer] en/of het die [slachtoffer] laten trekken aan zijn, verdachtes, (stijve) penis.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/950005-06:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

E.H. Ameling, psycholoog, en H.A. Gerritsen, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht (Psychiatrische Observatiekliniek) hebben op 14 februari 2007 omtrent verdachte een rapport uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen. Ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit was verdachte lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - hem slechts in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich met die conclusie en maakt die tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 31 januari 2007; en

- een briefrapport van de Forensisch Psychiatrische Dienst Arnhem, betreffende verdachte, gedateerd 13 januari 2006; en

- een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, betreffende verdachte, gedateerd 30 maart 2006; en

- een pro justitia rapportage opgemaakt door M.B.M. Vermeulen, neuroloog verbonden aan het Meander Medisch Centrum, betreffende verdachte, gedateerd 24 juli 2006; en

- een pro justitia rapportage opgemaakt door prof. dr. J.J. Baneke, klinisch en forensisch psycholoog, betreffende verdachte, gedateerd 21 maart 2006; en

- een pro justitia rapportage opgemaakt door J.M.J.F. Offermans, psychiater, betreffende verdachte, gedateerd 8 augustus 2006; en

- een rapportage van het Pieter Baan Centrum opgemaakt door E.H. Ameling, psycholoog en H.A. Gerritsen, psychiater, betreffende verdachte, gedateerd 14 februari 2007.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim anderhalf jaar zeer regelmatig, naar zijn eigen zeggen ongeveer 3 keer in de week, handelingen verricht met zijn zoontje [slachtoffer], welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer]. Op het moment dat de handelingen begonnen was [slachtoffer] nog geen vier jaar.

Verdachte heeft door zijn handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn minderjarige zoontje [slachtoffer] in hem als vader heeft gesteld en heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van zijn zoontje geschaad.

De rechtbank houdt rekening met hetgeen door E.H. Ameling, psycholoog en H.A. Gerritsen, psychiater beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht in hun rapport naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend:

Diagnostisch is er sprake van een lichte zwakbegaafdheid bij een 43-jarige man met een persoonlijkheidsstoornis met overwegend afhankelijke en onrijpe, maar ook theatrale trekken. Er bestaat een beperkt verband tussen het tenlastegelegde feit en de psychopathologie.

Gelet op het beperkte verband tussen de bij betrokkene geconstateerde lichte zwakbegaafdheid en de persoonlijkheidsstoornis (en dan in het bijzonder de afhankelijke trekken daarin) en het tenlastegelegde feit, kan er geen uitspraak worden gedaan over het gevaar voor herhaling van vergelijkbare feiten op basis van de pathologie.

Betrokkene werd ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit slechts in beperkte mate belemmerd in zijn vermogen om keuzes en afwegingen te maken, terwijl de beschikbaarheid van handelingsalternatieven vanuit zijn stoornis niet duidelijk verminderd was. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor behandeling of begeleiding van betrokkene in een strafrechtelijk kader.

De rechtbank neemt deze conclusie over en zal dan ook volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf aan verdachte, zonder oplegging van een verplichte behandeling of begeleiding van verdachte in een strafrechtelijk kader.

De rechtbank legt, gelet op het feit dat naar het oordeel van de behandelaars van verdachte van het Pieter Baan Centrum te Utrecht geen uitspraak kan worden gedaan over het gevaar voor herhaling van vergelijkbare feiten op basis van de pathologie van verdachte, een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op.

Dit voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is bedoeld om verdachte er in de toekomst van te weerhouden (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

De rechtbank legt aan verdachte een deels voorwaardelijk gevangenisstraf op omdat zij van oordeel is dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf meer passend is dan een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie

Bij de bepaling van de duur van de (deels voorwaardelijk) gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het bewezen verklaarde feit verdachte, vanwege de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, slechts in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De rechtbank zal de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] volledig toewijzen en verdachte veroordelen om dit bedrag te betalen.

Voor de toegewezen vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

Indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verlichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 57 en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/520157-06 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, ten¬zij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], te [woonplaats], [adres], te betalen € 5.231,07 (zegge vijfduizendtweehonderdeenendertig euro en zeven eurocent).

Maatregel van schadevergoeding ad € 5.231,07, subsidiair 56 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], te [woonplaats], [adres], te betalen € 5.231,07 (zegge vijfduizendtweehonderdeenendertig euro en zeven eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 56 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. E.G. Smedema, rechter, als voorzitter,

mr. G. Perrick, rechter,

mr. J.B.J. Driessen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Graat, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 maart 2007.