Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:AZ9598

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
130093
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In tussenvonnis is neuroloog tot deskundige benoemd. Aan hem is gevraagd te onderzoeken, kort gezegd, welke klachten en beperkingen eiseres thans nog ondervindt, de omvang daarvan en het al dan niet bereikt zijn van een eindtoestand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 130093 / HA ZA 05-1433

Vonnis van 31 januari 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. T.J. van Veen,

advocaat mr. J.S. Wurfbain te Ede,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek,

advocaat mr. A.E. Klaassen te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Bovemij genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 februari 2006

- het deskundigenbericht

- de akte ter rolle van [eiseres]

- de conclusie na deskundigenbericht van Bovemij.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In voornoemd tussenvonnis is neuroloog dr. [betr[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) tot deskundige benoemd. Aan hem is gevraagd te onderzoeken, kort gezegd, welke klachten en beperkingen [eiseres] thans nog ondervindt, de omvang daarvan en het al dan niet bereikt zijn van een eindtoestand, waarbij het rapport van [betrokkene 2] als uitgangspunt diende te worden genomen.

2.2. [betrokkene] heeft in zijn rapport, kort samengevat, geschreven dat de pijnklachten in de ruime nekregio, zoals eerder door [betrokkene 2] geconstateerd, nog steeds aanwezig zijn, evenals de belastingafhankelijke component waardoor [eiseres] genoodzaakt is haar bewegingspatroon te ontzien en meer te rusten. Zijn anamnese strookt vrijwel volledig met die van [betrokkene 2] en er hebben zich volgens [betrokkene] ook geen wezenlijke verschillen voorgedaan in de voor een post whiplashsyndroom kenmerkende klachten. Volgens [betrokkene] is er een eindtoestand bereikt. Het percentage functieverlies stelt [betrokkene] op 4%. Wat betreft de concentratiestoornissen waarover [eiseres] klaagt, schrijft [betrokkene] dat deze hem niet zijn opgevallen en dat ter nadere objectivering daarvan een neuropsychologisch onderzoek dient te geschieden. Hij wijst er op dat volgens [eiseres] zelf met name door concentratieverlies en andere cognitieve klachten zij niet in staat is fulltime te werken.

2.3. [eiseres] heeft geen bezwaren aangevoerd tegen de inhoud van het rapport van [betrokkene]. Bovemij heeft tegen dat deskundigenbericht aangevoerd dat daaruit naar voren is gekomen dat er bij [eiseres] op 15-jarige leeftijd foto’s zijn gemaakt van de halswervelkolom. Niet uit te sluiten valt, aldus Bovemij, dat er destijds nekklachten zijn geweest. Om die reden verzoekt Bovemij [eiseres] opheldering te verschaffen door informatie uit het medische dossier (röntgenfoto en medische informatie van de mogelijk toentertijd behandelend specialist) te verstrekken, welke gegevens vervolgens in het deskundigenonderzoek moeten worden betrokken.

2.4. [betrokkene 2] heeft op dit punt in zijn rapport het volgende geschreven:

p. 10: “4. Röntgenonderzoek: ik had inzage in haar röntgenmap uit het Ziekenhuis Gelderse Vallei te Ede. De map bevatte enkele submappen met beschrijving door de radioloog maar er was geen enkele foto aanwezig; deze zijn blijkbaar dus aan betrokkene bij verhuizing naar Twello meegegeven en vervolgens zoek geraakt. Beschrijvingen radioloog:

CWK: d.d. 13-05-96: “Er bestaat laag-cervicaal kyfose i.p.v. lordose. De weke delen zijn normaal. De corpora, disci en boven tonen geen afwijkingen. Geen halsribben. Conclusie: hyptertone nekmusculatuur laag-cervicaal zonder verdere bijzonderheden.”

Op de vraag of pre-existente ziekten of aandoeningen van invloed zijn op de huidige klachten en beperkingen van [eiseres], heeft [betrokkene 2] geantwoord:

p. 13:“Naar mijn mening zijn deze klachten en beperkingen een direct gevolg van het ongeval in kwestie en zijn er geen pre-existente ziekten en/of aandoeningen die hierop van invloed zijn. Hierbij moet ik voor een belangrijk deel uitgaan van de anamnese maar ook de beschikbare gegevens vanuit de medisch-curatieve sector geven geen aanleiding om anders te veronderstellen. Het feit dat er enige jaren vóór het letsel ook al röntgenonderzoek CWK is verricht doet hieraan niet af, er is anamnestisch toen alleen een zeer passagère pijn in een arm geweest.”

2.5. Bovemij heeft in haar commentaar op het conceptrapport van [betrokkene] onder meer geschreven dat de röntgenfoto’s uit 1996 aanleiding zouden moeten vormen om aanvullende medische informatie over de klachten van [eiseres] in verband daarmee op te vragen en in het rapport te verwerken. In zijn reactie hierop heeft [betrokkene] geschreven:

“Als reactie op deze opmerking met betrekking tot de eerdere klachten van betrokkene zou ik willen wijzen op het feit dat betrokkene op 15-jarige leeftijd, nadat ze lange tijd haar linker arm in een bepaalde positie had gehouden, tijdelijk last heeft gehad van pijnklachten in de linker elleboog, niet van de nek (…). Na enkele weken zijn volgens haar de klachten spontaan hersteld en ik heb geen aanwijzingen dat deze klachten later nog opgetreden zijn dan wel tot beperkingen aanleiding hebben gegeven in haar studie of op andere wijze in haar functioneren. Ik ben daarom niet van mening dat nadere analyse van deze klacht zal leiden tot andere gezichtspunten. Bovendien zijn de huidige pijnklachten vooral bepaald door nekklachten en worden pijnklachten in de linker elleboog niet meer door betrokkene genoemd. Desalniettemin heb ik geen bezwaar tegen het opvragen van nadere gegevens hieromtrent bij de huisarts. Hiertoe heb ik na toestemming van betrokkene met haar huisarts contact opgenomen. Het blijkt echter dat het gedeelte van het huisartsenjournaal dat betrekking heeft op deze periode waarschijnlijk vanwege verhuizing niet meer aanwezig is.”

2.6. De rechtbank ziet geen aanleiding om gehoor te geven aan het verzoek van Bovemij tot overlegging door [eiseres] van nadere medische gegevens omtrent de röntgenfoto’s uit 1996. Allereerst lijkt dit, zo volgt uit beide deskundigenrapporten, praktisch niet meer uitvoerbaar omdat de röntgenfoto’s en het huisartsenjournaal over de betreffende periode niet meer beschikbaar zijn. Daarbij komt echter dat beide deskundigen kennis hebben genomen van hetgeen er - volgens de radioloog - uit die röntgenfoto’s zou zijn gebleken. Dat beeld, tezamen met de eigen mededeling van [eiseres] dat zij nooit eerder last heeft gehad van nekklachten en het feit dat zij voor het ongeval een druk bezet leven lijkt te hebben geleid dat niet verenigbaar lijkt met nekklachten vormde voor de deskundigen aanleiding om te concluderen dat er geen sprake is geweest van pre-existente ziekten of aandoeningen die de huidige klachten zouden kunnen hebben veroorzaakt. De rechtbank neemt die conclusie over. Zou immers uit de röntgenfoto’s al anders hebben moeten worden afgeleid, gelet op de door de radioloog gegeven omschrijving van het beeld dat uit die foto’s volgde, dan was het aan Bovemij om dit, bijgestaan door haar medisch adviseur, gemotiveerd naar voren te brengen. Zoals ook al in het tussenvonnis van 1 februari 2006 (rov. 4.5.) is vastgesteld heeft zij dit echter niet gedaan zodat het er dan ook voor moet worden gehouden dat de foto’s op zichzelf onvoldoende steun bieden voor de opvatting dat [eiseres] destijds al nekklachten had.

2.7. Nu Bovemij overigens geen bezwaren tegen het rapport van [betrokkene] heeft geformuleerd, zal de rechtbank uitgaan van de bevindingen en conclusies van [betrokkene] en deze overnemen. Dat betekent dat kort samengevat vast is komen te staan dat [eiseres] ook thans als gevolg van het ongeval whiplashachtige klachten ondervindt, leidend tot een percentage aan blijvende invaliditeit van 4%.

2.8. Volgens [eiseres] heeft zij als gevolg van het ongeval ook last van cognitieve klachten, waaronder concentratiestoornissen. [betrokkene] heeft hierover, net als [betrokkene 2], gerapporteerd dat dergelijke stoornissen hem niet zijn opgevallen maar dat ter nadere objectivering van deze klachten een neuropsychologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd. [eiseres] heeft in haar akte na deskundigenbericht ook om zo’n onderzoek gevraagd, Bovemij acht zo’n onderzoek daarentegen ‘gelet op de inhoud van het expertiserapport’ niet opportuun.

2.9. Aangezien [eiseres] heeft gesteld dat zij niet in staat is fulltime (40 uur per week) te werken vanwege cognitieve klachten, waartegenover Bovemij zich op het standpunt stelt dat [eiseres] wel fulltime (36 uur per week) kan werken, acht de rechtbank het noodzakelijk dat door een neuropsycholoog een deskundigenonderzoek zal worden verricht naar het bestaan en de omvang ervan. Het feit dat [betrokkene 2] en [betrokkene] geen cognitieve klachten hebben waargenomen doet aan de opportuniteit van dit te gelasten deskundigenonderzoek niet af. Onderzoek naar die stoornissen behoort immers niet tot de expertise van [betrokkene 2] en [betrokkene] en daarbij is hun onderzoeksmethodiek niet ingericht op het vaststellen van dergelijke stoornissen. Partijen zullen zich bij akte mogen uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige en de te stellen vragen. De kosten van dit deskundigenonderzoek komen, op grond van hetgeen de rechtbank eerder heeft overwogen (4.8. vorige vonnis), voor rekening van Bovemij.

2.10. In de akte na het voornoemde, nog te gelasten deskundigenbericht zal [eiseres] nog nader moeten ingaan op de diverse kosten die zij heeft gevorderd (productie 6 bij dagvaarding) in het licht van het in dat verband door Bovemij gevoerde verweer (onder 38 en 52 conclusie van antwoord).

2.11. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van 28 februari 2007 voor uitlating aan de zijde van beide partijen als bedoeld in rov. 2.9.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. C.M.E. Lagarde en mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2007.