Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:AZ9462

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
144101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 144101 / HA ZA 06-1412

Vonnis van 24 januari 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] ADVOCATUUR B.V.,

gevestigd te '[woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. P.M. Wilmink,

advocaat mr. C.A.M.H. Vink te 's-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde in conventie],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. R. Dhalganjansing te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres in conventie] BV en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 november 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 15 januari 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde in conventie] heeft de Roemeense nationaliteit. Zij was gehuwd met [betrokkene 1]. Het huwelijk werd gesloten in Roemenië. Zij hebben in op 15 november 1999 een zoon gekregen, [betrokkene 2]. Eerder was [betrokkene 1] gehuwd geweest met mevr. J. [betrokkene 3]. [betrokkene 1] en [betrokkene 3] hebben drie dochters gekregen.

2.2. In 2003/2004 hebben [gedaagde in conventie] en [betrokkene 1] gesproken over beëindiging van hun huwelijk.

2.3. [betrokkene 1] is overleden op 15 maart 2005. In zijn testament heeft hij bepaald dat zijn dochters hun legitieme portie zouden ontvangen en dat de rest van zijn vermogen zou worden nagelaten aan [betrokkene 2]. [betrokkene 1] heeft [gedaagde in conventie] niet tot erfgenaam benoemd. [betrokkene 1] heeft zijn accountant, [betrokkene 4], benoemd tot executeur-testamentair. [betrokkene 4] is tevens benoemd tot bewindvoerder over het vermogen van [betrokkene 2]. Tot de nalatenschap behoorden onder meer de aandelen in [betrokkene 1] Beheer B.V. - hierna: Beheer. Dochteronderneming van Beheer was [betrokkene 1] Pensioen B.V. - hierna: Pensioen.

2.4. [gedaagde in conventie] heeft onder meer voor de verdeling van de nalatenschap juridische bijstand gezocht. Zij had met [betrokkene 4], [betrokkene 3] en de dochters van [betrokkene 1] een verschil van mening over onder meer het huwelijksgoederenregime en de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. [betrokkene 4] stelde zich op het standpunt dat [betrokkene 1] en [gedaagde in conventie] naar Roemeens recht waren gehuwd en dat er geen algehele gemeenschap van goederen bestond. [gedaagde in conventie] stelde zich op het standpunt dat zij naar Nederlands recht waren getrouwd, dat er sprake was van algehele gemeenschap van goederen en dat zij daarom recht had op de helft van het vermogen. [betrokkene 4] stelde zich verder op het standpunt dat [betrokkene 3] op basis van het met [betrokkene 1] gesloten echtscheidingsconvenant aanspraak had op afstorting van een lijfrente-uitkering van € 632.295 uit Pensioen. [gedaagde in conventie] betwistte deze aanspraak met de stelling dat het echtscheidingsconvenant tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] volledig was uitgevoerd. Eerst heeft mr. [betrokkene 5], advocaat te Nijmegen, [gedaagde in conventie] bijgestaan. Vanaf 1 juni 2005 heeft mr. J.L. [eiseres in conventie] - hierna:[eiseres in conventie] - [gedaagde in conventie] bijgestaan.

2.5. Via [eiseres in conventie] is de heer [betrokkene 6] AA, accountant te ‘[woonplaats], ingeschakeld om ten behoeve van [gedaagde in conventie] het haar toekomende vermogen vast te stellen. [betrokkene 6] heeft de opdracht op 10 juni 2005 aanvaard.

2.6. In september 2005 heeft [gedaagde in conventie] een uitkering uit een bij AMEV gesloten overlijdensrisicoverzekering ontvangen van € 90.757,00.

2.7. Op 13 september 2005 heeft [gedaagde in conventie] een brief aan [eiseres in conventie] geschreven met een aantal vragen, waarop zij graag antwoord zou willen krijgen. De vragen hadden onder meer betrekking op het huwelijksgoederenregime, pensioen en verzekeringen. [eiseres in conventie] heeft daarop op 16 september 2005 geantwoord.

2.8. De echtelijke woning aan het [adres] te [woonplaats] stond op naam van [betrokkene 1]. [gedaagde in conventie] en [betrokkene 4], de laatste namens de erfgenamen, hebben omstreeks mei 2005 makelaar [betrokkene 7] opdracht gegeven het huis ter verkoop aan te bieden. De vraagprijs was € 699.000,00. [gedaagde in conventie] verbleef met [betrokkene 2] in de woning. De woonlasten werden uit de boedel door [betrokkene 4] betaald.

2.9. [betrokkene 4] heeft [eiseres in conventie] op 27 oktober 2005 geschreven dat er een bod van € 600.000,00 was uitgebracht en gevraagd of [gedaagde in conventie] kon instemmen met een tegenbod van € 675.000,00 à 680.000,00 en een uiteindelijke afwikkeling voor € 625.000,00.

2.10. [eiseres in conventie] heeft [betrokkene 4] op 17 november 2005 geschreven dat hij met [betrokkene 7] heeft gesproken, die hem heeft verteld dat hij overeenstemming over de koopprijs had met een koper. Hij heeft, na overleg met [gedaagde in conventie], de opschortende voorwaarden waaronder zij bereid is in te stemmen met de verkoop, welke voorwaarden hij eerder aan de makelaar had voorgehouden, bericht aan [betrokkene 4]. De opschortende voorwaarden hielden in dat de kantonrechter machtiging zou geven namens [betrokkene 2] tot de verkoop en dat de boedel tussen alle belanghebbenden zou zijn verdeeld.

2.11. Medio november 2005 hebben [betrokkene 7] en de heer en mevrouw [betrokkene 9] overeenstemming bereikt over verkoop van de echtelijke woning aan het [adres] te [woonplaats] voor een koopsom van € 632.500,00 en levering op 1 mei 2006.

2.12. [betrokkene 4] heeft op 6 december 2005 een uitgebreide brief aan [eiseres in conventie] geschreven. In die brief heeft hij [eiseres in conventie] onder meer verzocht mee te werken aan afstorting ten behoeve van een lijfrente-uitkering voor [betrokkene 3] van € 632.295 en in te stemmen met levering van de echtelijke woning op 1 mei 2006 tegen een koopsom van € 632.500,00.

2.13. [eiseres in conventie] heeft [betrokkene 4] op 8 december 2006 geantwoord. Hij heeft gevraagd waarom [gedaagde in conventie] toestemming moest verlenen voor de afstorting van het pensioen. Verder heeft hij geschreven dat [gedaagde in conventie] alleen akkoord gaat met verkoop van de woning als de opschortende voorwaarden, genoemd in 2.10 zijn vervuld.

2.14. Op 2 maart 2006 heeft [betrokkene 7] onder meer het volgende aan [eiseres in conventie] geschreven.

“Halverwege november 2005 zijn partijen tot overeenstemming gekomen aangaande de prijs en de opleverdatum van de [adres] te [woonplaats]. Er is destijds door u, in naam van mevrouw A.D. [gedaagde in conventie], een voorwaarde gesteld dat er een financieel overzicht beschikbaar moet zijn in combinatie met de daarbijbehorende verdeling. Op dat moment zou dat, volgens partijen, gezien de overeengekomen opleverdatum geen probleem moeten zijn. Helaas moeten wij vaststellen dat tot op heden het blijkbaar niet is gelukt door partijen om tot een vergelijk te komen. Wij zullen hier verder niet over uitweiden maar ons beperken tot de hoofdzaak voor ons kantoor.

De opleverdatum van 1 mei 2006 nadert en wij zijn genoodzaakt u de, door andere partijen getekende koopakte van de [adres] te [woonplaats] toekomen. Wij vragen u zorg te dragen voor spoedige ondertekening van deze akte zodat de opleverdatum en de gemaakte afspraken alsnog nagekomen worden.”

2.15. Omstreeks maart 2006 is aan [gedaagde in conventie] een bedrag van € 83.556,76 als uitkering uit een overlijdensrisicoverzekering bij AMEV betaald.

2.16. [eiseres in conventie] heeft op 22 maart 2006 aan [betrokkene 4] geschreven dat hij zich meende te herinneren dat [betrokkene 4] ooit heeft opgemerkt dat de verplichtingen van Pensioen tegenover [betrokkene 3] zouden worden voldaan uit de liquide middelen van Pensioen.

2.17. [eiseres in conventie] heeft [gedaagde in conventie] op 5 april 2006 onder meer geschreven:

“Ten aanzien van het pand in [woonplaats] heeft U voorwaarden gesteld, die blijkens de correspondentie tussen de makelaars niet duidelijk is of niet wordt ingevuld. Uw stelling is dat, indien op 1 mei 2006 de boedelscheiding een feit is, er geleverd kan worden.”

2.18. [eiseres in conventie] heeft [betrokkene 4] op 22 april 2006 onder meer het volgende geschreven:

“Pensioenrechten

Ten aanzien van dit punt geldt dat cliënte, mede in het belang van haar zoon, gewogen beslissingen wenst te nemen. (...) Cliënte heeft u daar een concrete vraag over gesteld, daar zij uit de stukken heeft mogen opmaken dat er voldaan is aan het afstorten van de bedragen, die aan het ondernemersvermogen zijn onttrokken. In een schrijven van uw kantoor d.d. 11 april 2000 wordt heel helder aangegeven dat op dat moment ten titel van het afstorten van pensioenreserve een bedrag wordt vastgesteld groot ƒ 133.774,00. Met dat in het achterhoofd heeft cliënte de vraag gesteld. (...) Waarom dient een immens hoog bedrag te worden aangewend voor deze post?”

2.19. De drie dochters van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] als bewindvoerder van [betrokkene 2] hebben toestemming gegeven tot verkoop van de woning [adres] te [woonplaats]. De kantonrechter heeft daarvoor machtiging verleend.

2.20. [gedaagde in conventie] heeft geweigerd de koopovereenkomst te ondertekenen, omdat de opschortende voorwaarde dat de boedel zou zijn verdeeld, niet in vervulling was gegaan. [eiseres in conventie] heeft haar geadviseerd dit standpunt in te nemen en dit standpunt aan de andere betrokken partijen meegedeeld. Het echtpaar [betrokkene 9] heeft daarop [gedaagde in conventie] in kort geding gedagvaard en gevorderd dat [gedaagde in conventie] wordt bevolen mee te werken aan het opstellen en ondertekenen van de schriftelijke koopovereenkomst en het passeren van de leveringsakte. De voorzieningenrechter heeft deze vordering bij vonnis van 7 juli 2006 (zaak-/rolnummer: 141654 / KG ZA 06-356) toegewezen, omdat niet is komen vast te staan dat de opschortende voorwaarde was meegedeeld aan de kopers, zodat deze voorwaarde niet tussen partijen was overeengekomen.

2.21. [gedaagde in conventie] heeft de opdracht aan [eiseres in conventie] beëindigd op 23 juni 2006.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres in conventie] BV vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde in conventie] tot betaling van EUR 15.585,19, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde in conventie] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde in conventie] vordert samengevat - veroordeling van [eiseres in conventie] tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten.

3.4. [eiseres in conventie] BV voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. [eiseres in conventie] BV vordert betaling van declaraties over de periode van november 2005 tot en met juni 2006 in verband met de juridische bijstand die [eiseres in conventie] over die periode heeft verleend aan [gedaagde in conventie] bij de afwikkeling van de nalatenschap van [betrokkene 1].

4.2. [gedaagde in conventie] stelt dat [eiseres in conventie] is tekort geschoten in zijn belangenbehartiging tegenover haar. Hij zou hebben nagelaten rechtsmaatregelen te nemen tegen het wegsluizen van gelden uit de nalatenschap door derden. [eiseres in conventie] zou verder tegenover haar hebben aangedrongen op het zo spoedig mogelijk meewerken aan het verkopen van de echtelijke woning en zou hij de kopers hebben meegedeeld dat er een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde was. Daardoor moest [gedaagde in conventie] meewerken aan de verkoop en levering van de echtelijke woning tegen een bodemprijs van € 632.500,00 terwijl de woning € 725.000,00 waard is. Voorts zou [eiseres in conventie] er niet op hebben gewezen dat [betrokkene 1] toestemming nodig had van [gedaagde in conventie] voor het sluiten van een echtscheidingsconvenant met [betrokkene 3] in 1998 of 1999, omdat [betrokkene 1] toen met haar was getrouwd. Ook heeft [eiseres in conventie] onvoldoende voortvarend gewerkt: de huidige advocaat heeft in korte tijd weten te bewerkstelligen dat [betrokkene 4] en [betrokkene 3] hun stellingen hebben laten varen. Zou [eiseres in conventie] dat eerder hebben gerealiseerd, dan was het niet nodig geweest de echtelijke woning te verkopen. [gedaagde in conventie] zou [eiseres in conventie] opdracht hebben gegeven om een verkoop van de echtelijke woning te voorkomen en te zorgen dat de gelden uit de nalatenschap aan haar zouden worden betaald, zodat ze daarmee de woonlasten kon dragen. Ten slotte hoeft [gedaagde in conventie] de declaraties niet te betalen, omdat zij met [eiseres in conventie] is overeengekomen dat dat pas verschuldigd was als de boedel zou zijn verdeeld. Bovendien heeft [eiseres in conventie] geen urenspecificaties gegeven.

4.3. [eiseres in conventie] heeft al deze stellingen gemotiveerd betwist.

4.4. [eiseres in conventie] heeft onweersproken gesteld dat hij van [gedaagde in conventie] een laptop van [betrokkene 1] heeft gekregen, dat daarop informatie voorkwam, waaruit kon worden afgeleid dat [betrokkene 1] vermogen had weggesluisd naar Roemenië en dat [eiseres in conventie] aan relaties die bekend in Roemenië waren, heeft gevraagd of zij voor hem onderzoek konden doen. Uit de door [eiseres in conventie] overgelegde correspondentie blijkt dat [eiseres in conventie] regelmatig aan [betrokkene 4], maar ook aan mr. [betrokkene 8], advocaat van [betrokkene 1], heeft gevraagd naar zaken die volgens hem uit de boedel waren verdwenen, waarop [betrokkene 4] heeft geantwoord dat hem daarover niets bekend was. In het licht van deze stellingen en dit schriftelijke bewijsmateriaal heeft [gedaagde in conventie] onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen, in welk opzicht [eiseres in conventie] haar belangen onvoldoende heeft behartigd en welke rechtsmaatregelen hij had moeten treffen.

4.5. [gedaagde in conventie] heeft tezamen met [betrokkene 4] in mei 2005 [betrokkene 7] van [naam] opdracht gegeven tot verkoop van de echtelijke woning aan het [adres] te [woonplaats]. Toen was [eiseres in conventie] nog niet de advocaat van [gedaagde in conventie]. Met [eiseres in conventie] heeft zij besproken dat zij de woning alleen wenste te verkopen onder de opschortende voorwaarden dat de kantonrechter machtiging had verleend en de boedel zou zijn verdeeld. Deze voorwaarden zijn meegedeeld aan [betrokkene 4] en [betrokkene 7]. Uit de correspondentie blijkt dat [eiseres in conventie] [betrokkene 4] en [betrokkene 7] daarop bij herhaling heeft gewezen. Hij heeft [gedaagde in conventie] geadviseerd de koopovereenkomst, waarin deze opschortende voorwaarden niet waren vermeld, niet te tekenen en ook overigens geadviseerd geen medewerking aan de koopovereenkomst en de levering te verlenen. [gedaagde in conventie]s stelling dat [eiseres in conventie] haar zou hebben geadviseerd mee te werken aan de verkoop en levering is dus onjuist, evenals de stelling dat [eiseres in conventie] tegenover het echtpaar [betrokkene 9] zou hebben aangegeven dat er een koopovereenkomst zou zijn.

4.6. [gedaagde in conventie]s stelling dat zij [eiseres in conventie] zou hebben gezegd dat haar wens was dat de woning niet zou worden verkocht, maar dat zij met het geld dat zij uit de boedel/nalatenschap zou ontvangen, de woonlasten zou betalen, is in het licht van de schriftelijke bewijsstukken en de onweersproken stellingen van [eiseres in conventie] onvoldoende uitgewerkt. [gedaagde in conventie] heeft zelf opdracht gegeven aan [betrokkene 7] tot verkoop van de woning. In haar brief aan [eiseres in conventie] van 13 september 2005, waarin zij de bij haar op dat moment levende vragen op een rijtje heeft gezet, heeft zij geen vraag gesteld over de echtelijke woning die op dat moment in de verkoop was. Als zij daadwerkelijk [eiseres in conventie] opdracht had gegeven te voorkomen dat de echtelijke woning zou worden verkocht, zou het bepaald voor de hand hebben gelegen dat zij daarover in die brief een vraag had gesteld, vooral ook omdat [gedaagde in conventie] rond die tijd een uitkering van € 90.757,00 uit een overlijdensrisicoverzekering had ontvangen, waarmee ze mogelijk de woonlasten zou kunnen betalen. In de daarop volgende, intensieve correspondentie tussen [gedaagde in conventie] en [eiseres in conventie] heeft [eiseres in conventie] bij herhaling de strategie over de verkoop van de echtelijke woning uiteengezet: [gedaagde in conventie] zou toestemming verlenen voor de verkoop/levering van de woning onder meer onder de opschortende voorwaarde dat de boedel zou zijn verdeeld. Als [gedaagde in conventie] het werkelijk niet met deze strategie eens zou zijn geweest, dan had het voor de hand gelegen dat zij daarover een brief had geschreven of dat uit de correspondentie van [eiseres in conventie] bleek dat zij die wens had. Er is echter in de correspondentie niets te vinden wat erop duidt dat [gedaagde in conventie] de woning überhaupt niet wenste verkopen. Ten slotte heeft [eiseres in conventie] onweersproken gesteld dat hij aan enkele assurantietussenpersonen heeft verzocht te berekenen of het mogelijk was dat [gedaagde in conventie] met het vermogen dat zij uit de boedel zou ontvangen, de woning zou kunnen financieren. De assurantietussenpersonen hebben [eiseres in conventie] bericht dat dit niet mogelijk was, omdat de hypotheekschuld hoger was dan de waarde van de woning en het vermogen te gering was en het inkomen van [gedaagde in conventie] te laag was. In het licht van al dit bewijsmateriaal heeft [gedaagde in conventie] onvoldoende gesteld. Dat betekent dat van [eiseres in conventie] niet kan worden gezegd dat hij niet is opgetreden als een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat, zodat [gedaagde in conventie]s stellingen op dit punt zullen worden verworpen.

4.7. De woning heeft van mei tot november 2005 te koop gestaan voor een vraagprijs van € 699.000,00. Er was weinig belangstelling van gegadigden. De woning is in november 2005 voor € 632.500,00 verkocht. Onder deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat de woning onder de marktwaarde is verkocht. De door [gedaagde in conventie] in het geding gebrachte taxatie van de echtelijke woning op € 700.000,00 à 725.000,00 door [betrokkene 10] te Arnhem van 7 juli 2006 is daartoe onvoldoende. Van een eventuele verkoop onder de marktwaarde zou [eiseres in conventie] overigens geen verwijt kunnen worden gemaakt, omdat het bepalen van de waarde van een woning niet zijn deskundigheid is.

4.8. [gedaagde in conventie]s stelling dat zij toestemming had moeten verlenen voor ondertekening door [betrokkene 1] van het echtscheidingsconvenant dat hij met [betrokkene 3] heeft gesloten tijdens zijn huwelijk met [gedaagde in conventie], is onjuist. Het daarop steunende verwijt aan [eiseres in conventie] is ongegrond.

4.9. Verder is het verwijt aan [eiseres in conventie] dat hij onvoldoende voortvarend de pensioenkwestie heeft behandeld, ongegrond. Uit de correspondentie tussen [gedaagde in conventie] en [eiseres in conventie] in 2005, begin 2006 blijkt dat de pensioenkwestie geen hoge prioriteit had. Uit de brief van [gedaagde in conventie] van 13 september 2005, waarin zij een vraag stelt over het in Pensioen opgebouwde pensioen, spreekt geen gevoel van urgentie dat deze zaak snel moet worden uitgezocht. Verder blijkt uit de overgelegde correspondentie tussen [eiseres in conventie] en [betrokkene 4] dat [eiseres in conventie] telkens alert heeft gereageerd op brieven van [betrokkene 4]. [eiseres in conventie] heeft bij brieven aan [betrokkene 4] van 22 maart en 22 april 2006 om informatie gevraagd over het in Pensioen opgebouwde pensioen. Gezien deze correspondentie kan niet worden geconcludeerd dat [eiseres in conventie] zich onvoldoende heeft ingespannen om de aanspraken van [gedaagde in conventie] op het in Pensioen opgebouwde vermogen te realiseren.

4.10. [eiseres in conventie] en [gedaagde in conventie] hebben de afspraak gemaakt dat [gedaagde in conventie] de declaraties van [eiseres in conventie] zou betalen, zodra zij uitkeringen uit de boedel zou ontvangen. [gedaagde in conventie] heeft in september 2005 € 90.757,00 en in maart 2006 € 83.556,76 ontvangen. Dat betekent dat zij voldoende middelen heeft ontvangen om de declaraties van [eiseres in conventie] te voldoen. Dat betekent dat de declaraties vanaf dat moment opeisbaar waren. [eiseres in conventie] heeft weliswaar geen urenverantwoording overgelegd, maar dat is voor de toewijsbaarheid van de vordering niet noodzakelijk. Ook deze verweren worden verworpen.

4.11. Uit al het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat [eiseres in conventie] tekort is geschoten in de uitvoering van de hem door [gedaagde in conventie] verleende opdracht en dat ook de overige verweren van [gedaagde in conventie] ongegrond zijn. Daarom zal de vordering in reconventie worden afgewezen en zal de in de conventie gevorderde hoofdsom van € 15.585,19 worden toegewezen, vermeerderd met de tot 20 juli 2006 verschenen wettelijke rente van € 168,96 en de wettelijke rente over € 15.585,19 vanaf 21 juli 2006. Omdat [eiseres in conventie] BV het beroep op de algemene voorwaarden ter comparitie heeft laten varen, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten volgens Voor-werk worden bepaald op twee punten van het liquidatietarief, te weten € 904,00.

4.12. [eiseres in conventie] BV vordert [gedaagde in conventie] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. Het opgevoerde vast recht voor het beslagrekest zal echter worden afgewezen, omdat dit vast recht al is verrekend met het vast recht dat in deze zaak verschuldigd is. De beslagkosten worden begroot op EUR 249,77 voor verschotten en EUR 452,00 voor salaris procureur (1 rekest x EUR 452,00).

4.13. [gedaagde in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres in conventie] BV worden begroot op:

- dagvaarding EUR 71,32

- vast recht 425,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.400,32

4.14. [gedaagde in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij ook in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres in conventie] BV worden begroot op:

- salaris procureur EUR 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde in conventie] om aan [eiseres in conventie] BV te betalen een bedrag van EUR 16.658,15 (zestienduizendzeshonderdachtenvijftig euro en vijftien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 15.585,19 vanaf 21 juli 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde in conventie] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 701,77,

5.3. veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres in conventie] BV tot op heden begroot op EUR 1.400,32,

5.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6. wijst de vorderingen af,

5.7. veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres in conventie] BV tot op heden begroot op EUR 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2007.