Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:AZ9420

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-02-2007
Datum publicatie
27-02-2007
Zaaknummer
05/970007-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op de openbare weg getracht een tas met inhoud uit een fietsmand te trekken van een voorbijgangster. Toen dit niet lukte is hij weggevlucht en heeft hij vervolgens geweld gepleegd tegen een persoon die hem was achterna gegaan om hem aan te houden, door die persoon met een broekriem te slaan. Dit is een traumatische ervaring geweest voor het slachtoffer die nog steeds angstgevoelens heeft als zij zich op de openbare weg begeeft.

Verdachte is first offender en wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarde toezicht reclassering, ook als dat inhoud een ambulante behandeling. Tevens wordt hem een werkstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis onvoorwaardelijk opgelegd, met aftrek van 6 uur.

De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen (155 euro) en tevens wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten bedrage van 155 euro subsidiair 3 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Parketnummer : 05/970007-06

Datum zitting : 12 februari 2007

Datum uitspraak : 26 februari 2007

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres]

plaats : [woonplaats],

rang/stand : marinier der eerste klasse,

rnr. : [nummer],

laatstelijk ingedeeld bij het korps Mariniers te Doorn.

Raadsvrouw: mr. C.H.W. Janssen, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 2 oktober 2006, te Nijmegen, op de openbare weg, de Molenweg, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een tas (met inhoud), geheel of ten dele toebehorende aan G.E. [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft getracht om die tas uit een fietsmand en/of (vervolgens) uit de hand(en) van die [slachtoffer] te pakken/trekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die G.E. [slachtoffer] en/of A. [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte heeft getracht om die tas (met kracht) uit de hand(en) van die [slachtoffer] te rukken en/of te trekken en/of die [slachtoffer] heeft vastgepakt/vastgegrepen en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of die [slachtoffer] ten val heeft gebracht en/of met zijn, verdachtes, riem voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, althans met zijn, verdachtes, riem een slaande beweging in de richting van die [slachtoffer] heeft gemaakt;

art 312 lid 2 onder 1 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 12 februari 2007 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mevrouw mr. C.H.W. Janssen, advocaat te Nijmegen.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen:

• G.E. [slachtoffer], wonende te [adres]. Namens haar is ter terechtzitting als gemachtigde verschenen haar echtgenoot, de heer N.H.L. [naam]. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting de vordering verminderd tot een bedrag van € 155,- (éénhonderdvijfenvijftig euro), zijnde uitsluitend de kosten van de materiële schade.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling bij Kairos en/of een ambulante behandeling bij Iriszorg of een soortgelijke instelling en voorts tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren subsidiair 120 (éénhonderdtwintig) dagen vervangende hechtenis,

met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij G.E. [slachtoffer] tot het gevorderde bedrag van € 155,- (éénhonderdvijfenvijftig euro) wordt toegewezen en dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing betreffende het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 2 oktober 2006, te Nijmegen, op de openbare weg, de Molenweg, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een tas (met inhoud), toebehorende aan G.E. [slachtoffer], heeft getracht om die tas uit een fietsmand en vervolgens uit de hand(en) van die [slachtoffer] te pakken/trekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld tegen die G.E. [slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en welke poging tot diefstal werd gevolgd van geweld tegen A. [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte heeft getracht om die tas (met kracht) uit de hand(en) van die [slachtoffer] te rukken en/of te trekken en die [slachtoffer] heeft vastgepakt/vastgegrepen en tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geduwd en die [slachtoffer] ten val heeft gebracht en met zijn, verdachtes, riem voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen.

Wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

“poging tot diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg”.

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is een multidisciplinair rapport opgemaakt door drs. A.N. Fieten, psycholoog, en kolonel-arts drs. R.J.M. Mooren, psychiater, beiden van de afdeling Forensische en Sociale Psychiatrie, Cluster Gezondheidszorg te Amersfoort, gedateerd 22 januari 2007, waarin zij concluderen dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit sprake was van een persoonlijkheidstoornis NAO, met sterke antisociale en narcistische trekken, zodat verdachte alstoen wel inzicht had in de wederrechtelijkheid van het begane feit, maar hij zijn wil verminderd conform een dergelijk besef kon bepalen, zodat hij als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.

De militaire kamer verenigt zich met die conclusie en maakt die tot de hare.

In overeenstemming met deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 16 januari 2007;

- een vroeghulp interventierapport van De Grift, Gelders centrum voor

Verslavingszorg, te Arnhem, gedateerd 4 oktober 2006, betreffende verdachte;

- een briefrapport betreffende een voorgeleidingconsult van de FPD te Arnhem, gedateerd 1 november 2006, betreffende verdachte;

- een voorlichtingsrapportage van Iriszorg, afdeling Justitiële Verslavingszorg, gedateerd 9 februari 2007, betreffende verdachte en

- het hiervoor onder 5 vermelde multidisciplinair rapport opgemaakt door drs. A.N. Fieten, psycholoog, en kolonel-arts drs. R.J.M. Mooren, psychiater beiden van de afdeling Forensische en Sociale Psychiatrie, Cluster Gezondheidszorg te Amersfoort, gedateerd 22 januari 2007, betreffende verdachte.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft op klaarlichte dag op de openbare weg getracht de tas van een vrouw te stelen. Hierbij heeft verdachte geweld gebruikt tegen die vrouw. Verdachte is daarop zonder tas weggevlucht en heeft vervolgens geweld gebruikt tegen een persoon die hem wilde aanhouden voor de poging tot diefstal van de tas.

Dit is een ernstig feit, omdat deze ervaring waarbij met geweld op klaarlichte dag wordt getracht een tas af te nemen voor een slachtoffer van het gebeuren een traumatische ervaring is, die het slachtoffer nog vaak en langdurig parten kan spelen als het slachtoffer zich op de openbare weg begeeft. In het onderhavige geval heeft het slachtoffer aangegeven dat zij nog steeds angstig en bang is om zich op de openbare weg te begeven.

Om verdachte met een direct voelbare sanctie te confronteren legt de militaire kamer een taakstraf in de vorm van een werkstraf op. De duur daarvan kan naar het oordeel van de militaire kamer korter zijn dan door de officier van justitie gevorderd, aangezien verdachte first offender is en gelet op de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De militaire kamer is voorts van oordeel dat voor afdoening van deze zaak oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie gevorderd een passende strafrechtelijke reactie is.

De militaire kamer ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de richtlijnen en aanwijzingen van Iriszorg, ook als dat mocht inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos en/of een ambulante behandeling bij Iriszorg of een soortgelijke voorziening.

De militaire kamer is van oordeel dat de geschorste voorlopige hechtenis van verdachte dient te worden opgeheven.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, evenals de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft in overeenstemming met het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting de vordering beperkt tot een bedrag van € 155,- (éénhonderdvijfenvijftig euro).

De vordering van de benadeelde partij G.E. [slachtoffer] is niet betwist door verdachte en komt de militaire kamer gegrond voor. De militaire kamer zal de vordering dan ook in haar geheel toewijzen, daaronder tevens begrepen de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van het schade veroorzakende feit, zijnde 2 oktober 2006.

Voor de toewijsbare vordering geldt tevens dat de militaire kamer de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de militaire kamer toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36f, 45, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

A. een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De militaire kamer stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel niet is nagekomen de volgende bijzondere voorwaarde:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de reclassering (Iriszorg) zullen worden gegeven, ook als dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos en/of een ambulante behandeling bij Iriszorg of een andere, vergelijkbare instelling, voor zover en voor zolang dat door genoemde instellingen nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de reclassering (Iriszorg) om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

B. het verrichten van een werkstraf gedurende 140 (éénhonderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen evenals met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 70 (zeventig) dagen.

Beveelt in overeenstemming met het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 6 (zes) uren, zijnde 3 (drie) dagen hechtenis.

Heft op het met ingang van 5 oktober 2006 geschorste bevel voorlopige hechtenis van verdachte.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan G.E. [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 155,= (zegge éénhonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2006.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 155,=, subsidiair dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer G.E. [slachtoffer] (gemachtigde N.H.L. [naam]), wonende te [adres], te betalen € 155,=, (zegge éénhonderdvijfenvijftig euro) met rente, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 (drie) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer G.E. [slachtoffer], het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. E.A.A.M. Pfeil, vicepresident als voorzitter,

mr. E.W.A. Vonk, rechter,

kapitein ter zee mr. W.E. Louwerse, militair lid,

in tegenwoordigheid van J.L. de Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 februari 2007.