Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:AZ9247

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-02-2007
Datum publicatie
23-02-2007
Zaaknummer
AWB 06/1864 en AWB 06/4787
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling 17 WRO. Tijdelijkheid niet aannemelijk op grond van concrete, objectieve gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummers: AWB 06/1864 en AWB 06/4787.

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerder van 27 februari 2006 (besluit I).

Besluit van verweerder van 21 juli 2006 (besluit II).

2. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2005 heeft verweerder aan het Van Lodensteincollege te Amersfoort (hierna: vergunninghouder) tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend voor de duur van maximaal 5 jaar, voor de bouw van een “tijdelijk schoolgebouw” ten behoeve van de vestiging van het Witsiuscollege op een perceel gelegen op de hoek Oldenbarnevelderweg/Oude kleuterweg, kadastraal bekend gemeente Barneveld, sectie G, nrs. 3180 en 4283, (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft verweerder aan vergunninghouder tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO en bouwvergunning verleend voor de duur van maximaal 5 jaar, voor de bouw op het perceel van een “tijdelijke zendmast” voor datacommunicatie ten behoeve van het Witsiuscollege.

Bij besluit van 5 september 2005 heeft verweerder aan vergunninghouder tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO verleend voor de duur van maximaal 5 jaar, om de bouw op het perceel mogelijk te maken van een “tijdelijke gymaccommodatie” ten behoeve van het Witsiuscollege.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit I heeft verweerder de door eiser tegen de besluiten van 19 april 2005, 30 augustus 2005 en 5 september 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en die besluiten gehandhaafd.

Tegen het in rubriek 1 aangeduide besluit I heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit II van 21 juli 2006 heeft verweerder, met gebruikmaking van voormeld vrijstellingsbesluit van 5 september 2005, bouwvergunning verleend voor de duur van maximaal 5 jaar, voor de bouw op het perceel van een “tijdelijke gymaccommodatie” ten behoeve van het Witsiuscollege.

Tegen besluit II heeft eiser bezwaar gemaakt.

In zijn bezwaarschrift heeft hij verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank, als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb.

Bij brief van 15 september 2006 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser doorgezonden aan de rechtbank en heeft hij de rechtbank medegedeeld dat hij heeft beslist met het verzoek van eiser in te stemmen.

Vergunninghouder is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 30 januari 2007. Eiser is aldaar verschenen in persoon, bijgestaan door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. Hoekstra, werkzaam bij de gemeente Barneveld.

3. Overwegingen

Het perceel is gelegen op gronden die ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied 2000” zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, op welke bestemming artikel 7 van de planvoorschriften van toepassing is.

De bouw van de school met de daarbij behorende zendmast en gymaccommodatie (hierna: de school c.a.) is met dit bestemmingsplan in strijd.

Teneinde de bouw van de school c.a. – gelet op het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet – niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder de bouwvergunningen daarvoor met toepassing van artikel 17 van de WRO verleend.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO – voor zover hier van belang – kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan, welke termijn, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren kan belopen.

Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de wet slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vloeit voort – zoals bijvoorbeeld reeds blijkt uit haar uitspraak van 27 juni 1995 in zaaknrs. H01.95.0029 en H01.95.0034, gepubliceerd in de Gemeentestem 7036, nr. 6 – dat toepassing van artikel 17 van de WRO slechts mogelijk is, indien het tijdelijke karakter van de voorgenomen afwijking van het bestemmingsplan op grond van concrete, objectieve gegevens aannemelijk moet worden geacht. De enkele wens van de bouwer of het bestuursorgaan is onvoldoende om die tijdelijkheid aannemelijk te achten.

Eiser heeft betoogd dat in dit geval niet aan deze voorwaarde voor toepassing van artikel 17 van de WRO is voldaan. Hij vreest als eigenaar en bewoner van een der nabijgelegen percelen langdurige overlast door de aanwezigheid van de school c.a. te zullen ondervinden. Hij heeft daartoe gesteld dat onvoldoende is verzekerd dat de bouwwerken inderdaad na verloop van de gestelde instandhoudingstermijn, zullen zijn verwijderd, met andere woorden, dat onvoldoende is verzekerd dat de voorgenomen afwijking van het bestemmingsplan niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven.

Dit betoog treft doel. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Met de bouw van de school c.a. wordt voorzien in de vestiging van het Witsiuscollege als nevenvestiging van vergunninghouder. Aannemelijk is dat daarmee in een niet onaanzienlijke behoefte aan reformatorisch voortgezet onderwijs zal worden voorzien. Omdat een definitieve locatie voor het Witsiuscollege ten tijde van het nemen van de primaire en de bestreden besluiten nog niet beschikbaar was – en ook thans nog niet is – is met die besluiten beoogd om, in afwachting van het beschikbaar komen van een definitieve locatie, tijdelijke huisvesting mogelijk te maken op het betrokken perceel.

Geoordeeld moet derhalve worden – hetgeen ook eiser heeft gesteld – dat is beoogd in een permanente behoefte te voorzien op een tijdelijke locatie.

Ten tijde van de besluitvorming bestond evenwel nog geen zekerheid omtrent de definitieve locatie. Naar verwachting zou de school in de toekomst kunnen worden gevestigd hetzij in een nieuw te bouwen complex aan de Lunterseweg, hetzij in het thans nog in gebruik zijnde gebouw van het Groen van Prinsterercollege aan de Schoutenstraat. Inmiddels is – nadat de bestreden besluiten waren genomen – door de raad der gemeente Barneveld bij besluit van 21 september 2006 het “Masterplan onderwijshuisvesting” vastgesteld, waarin laatstgenoemde locatie voor de definitieve huisvesting van het Witsiuscollege is aangewezen. Vervolgens heeft die raad besloten in te stemmen met de financiële dekking van deze locatiekeuze in de meerjarenbegroting 2007-2010, en heeft hij beslist dat medio 2009 met de functionele en bouwtechnische renovatie van het betrokken schoolgebouw kan worden aangevangen.

Wat betreft de toekomstige definitieve locatie elders moet derhalve worden geoordeeld dat weliswaar de intentie van verweerder – en van vergunninghouder – ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten, en ook thans nog, zonder twijfel is gericht op verwezenlijking daarvan binnen een termijn van vijf jaar, en dat mag worden verwacht dat daartoe de nodige inspanning zal worden verricht, maar dat er – gelijk eiser heeft gesteld – onvoldoende concrete objectieve aanknopingspunten aanwezig zijn op grond waarvan kan worden aangenomen dat die verwezenlijking ook binnen die termijn haar beslag zal hebben gekregen. Zo ontbreekt een concreet bouwplan of andere documenten of concrete afspraken – bijvoorbeeld tussen het gemeentebestuur en vergunninghouder omtrent de beschikbaarstelling van de grond waaruit met een voldoende mate van zekerheid kan worden afgeleid dat de thans beoogde locatie inderdaad binnen de gestelde termijn in gebruik zal worden genomen. Bovendien biedt de gemeentelijke structuurvisie 2015 geen enkele zekerheid dat de vergunde school c.a. op het perceel zal worden verlaten en verwijderd, reeds omdat het perceel is gelegen in een strook die daarin is aangeduid als “voorzieningen”, op grond waarvan in elk geval niet zonder meer kan worden aangenomen dat het gemeentelijk planologisch beleid is gericht op handhaving van de huidige agrarische bestemming.

Ook overigens bevat hetgeen verweerder in de bestreden besluiten heeft overwogen en verder nog naar voren heeft gebracht, onvoldoende concrete objectieve gegevens ter staving van de tijdelijkheid van de school c.a.

Dat de huurovereenkomst tussen vergunninghouder en de grondeigenaar binnen de termijn van vijf jaar afloopt, biedt onvoldoende zekerheid omtrent de tijdelijkheid, reeds omdat die overeenkomstig de wil van partijen kan worden verlengd. Dat dat thans niet de bedoeling is, doet daaraan niet af.

Datzelfde geldt mutatis mutandis voor de terugkoopgarantie die met betrekking tot de bouwwerken in de overeenkomst tussen vergunninghouder en de aannemer is opgenomen.

Ook de aard van de gekozen bouwmaterialen biedt geen garantie dat de school c.a. voor of bij het einde van de gestelde termijn plots zal zijn tenietgegaan.

De in artikel 17, vierde tot en met zesde lid, van de WRO vervatte regeling tot herstel biedt, anders dan verweerder meent, geen garantie dat dit onmiddellijk na het verstrijken van de termijn zal zijn geschied.

Uit het vorenstaande volgt dat eiser met juistheid heeft betoogd dat verweerder ten behoeve van de verwezenlijking van de school c.a. geen gebruik mocht maken van de vrijstellingsprocedure als vervat in artikel 17 van de WRO.

De beroepen zijn gegrond.

De bestreden besluiten moeten worden vernietigd; besluit I wegens strijd met artikel 17 van de WRO, besluit II wegens strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet.

Er bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en berekend overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4. Beslissing

De rechtbank

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt de bestreden besluiten;

III. veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, te betalen door de gemeente Barneveld aan eiser;

IV. wijst het meer of anders gevorderde af;

V. gelast dat de gemeente Barneveld aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 282,00 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M. Groverman, voorzitter, mrs. S.W. van Osch-Leysma en M.J.P. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Litjens, griffier, en door de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2007.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: