Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:AZ8636

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
AWB 07/29
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking DHW-vergunning; dwingende karakter; afzien van horen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 07/29

Uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

De vennootschap onder firma

Café 't Witte Peerd,

verzoekster,

gevestigd te Westervoort,

vertegenwoordigd door mr. M.C. Brans

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westervoort, verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A.M.W. Erinkveld.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2003, gewijzigd op 16 maart 2004, is aan [A] en [B], beiden vennoten van verzoekster, vergunning verleend als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW) voor het uitoefenen van een horecabedrijf aan de Klapstraat 209 te Westervoort.

Bij besluit van 22 december 2006 heeft verweerder deze vergunning ingetrokken.

Tegen dit besluit is namens verzoekster op 28 december 2006 bezwaar gemaakt. Tevens is de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken nadat op de namens verzoekster ingediende bezwaren is beslist.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 januari 2007. Van de zijde van verzoekster zijn aldaar verschenen [A] en [B], bijgestaan door mr. M.C. Brans, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.W.M. Erinkveld, ambtenaar van de gemeente Westervoort.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge het bepaalde in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW wordt een vergunning ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 en 10 van deze wet geldende eisen. In het vierde lid van dit artikel is bepaald

– voor zover hier relevant – dat de intrekking van een vergunning krachtens het eerste lid, onder b, eerst kan geschieden een maand nadat van het voornemen daartoe aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan, voor zover de grond tot intrekking niet de persoon van de vergunninghouder betreft.

Ingevolge het bepaalde artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de DHW mogen leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Op voet van artikel 8, derde lid van de DHW worden bij algemene maatregel van bestuur naast de in het tweede lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan de in dat lid, onder b gestelde eis nader worden omschreven.

Aan deze bepaling is uitvoering gegeven door het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (hierna: het besluit 1999).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c en g, van het besluit 1999 – verkort weergegeven – is een leidinggevende niet binnen de laatste vijf jaar bij meer dan één uitspraak onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,00 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, onder a, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wegens dan wel mede wegens overtreding van (onder meer) artikel 417 Sr (heling) respectievelijk de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid wordt gelijk gesteld betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht.

Vast staat dat [A] zowel (mede)vergunninghouder als leidinggevende is van de horeca-inrichting aan de Klapstraat 209 te Westervoort.

Door verzoekster wordt niet betwist dat [A] op 15 november 2006 door de rechtbank te Zutphen is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 200 uur wegens overtreding van artikel 417 Sr (heling). Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld, zodat sprake is van een onherroepelijke veroordeling. Voorts wordt niet betwist dat [A], wegens verschillende overtredingen van de Wet wapens en munitie, een geldsom heeft betaald als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, Sr ter hoogte van (in totaal) € 500,00.

Gelet op het vorenstaande en gezien het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef, onder c en g van het besluit 1999 moet worden geoordeeld dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b van de DHW gehouden was de verleende vergunning in te trekken Voor een beoordeling van de vraag of – zoals verzoekster heeft gesteld – hetzelfde resultaat zou kunnen worden bereikt met minder stringente middelen, namelijk door [A] als vergunninghouder en leidinggevende van de Drank- en Horecavergunning te verwijderen, is in dit geval geen plaats. In aanmerking genomen het dwingende karakter van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, voornoemd, kan voorts niet staande worden gehouden dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid dan wel ondeugdelijk is gemotiveerd. Het betoog van verzoekster kan ook overigens niet slagen, gezien het gebonden karakter van de intrekking.

Het betoog van verzoekster tot slot dat zij overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb voorafgaande aan de intrekking had moeten gehoord, leidt evenmin tot de beoogde schorsing van het bestreden besluit. Voor zover meergenoemd artikel 31, vierde lid, van de DHW niet reeds aan artikel 4:8 Awb derogeert (de term “voornemen” impliceert in zekere zin dat van een definitief besluit nog geen sprake is), kan dit gebrek in bezwaar worden hersteld door verzoekster alsnog te (doen) horen. Dit zou slechts anders zijn indien zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten, maar daarvan is de voorzieningenrechter niet gebleken.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. W.F. Bijloo, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van Hoof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2007.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden op: