Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:AZ8017

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-02-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
AWB 05/5116
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Vergunning gebruik buitenlandse personenenauto met vrijstelling BPM. Eiser heeft met auto in Nederland gebruik gemaakt van de openbare weg. Naheffingsaanslag BPM en boete. In geschil is of artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM juncto artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM in strijd is met de artikelen 10,43 en/of 49 van het EG-Vedrag. Strijd met artikel 43 van het EG-Vedrag. Geen rechtvaardiging. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/21.20 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0245 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2007/326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/5116 BPM

Uitspraakdatum: 2 februari 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [P],

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser op 24 september 2004 een naheffingsaanslag Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 10.295, alsmede een boete van € 5147.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2005 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 28 november 2005 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2006 te Arnhem.

Namens eiser is verschenen [A], belastingadviseur te [Z] en [B] (firmant). Namens verweerder is verschenen [C], bijgestaan door [D]

2. Feiten

Eiser is woonachtig in Nederland en vennoot van een in Duitsland gevestigde onderneming, genaamd [E], waarvan hij directeur en eigenaar is. Door de Duitse onderneming is aan eiser een personenauto, merk Mercedez-Benz, type S 320 Cdi, kenteken [***-**-****] (hierna: de auto) ter beschikking gesteld.

Met dagtekening van 31 maart 2003 is aan eiser op grond van artikel 3 Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: het Besluit) voor de auto een vergunning gebruik buitenlandse personenauto met vrijstelling van BPM afgegeven. In de vergunning is onder meer vermeld:

“De auto mag worden ingezet voor woon-werkverkeer tussen uw woonplaats in Nederland en de plaats van uw werkzaamheden in het buitenland.”.

Op 4 september 2003 is door verweerder geconstateerd dat eiser met de auto in Nederland gebruik maakte van de openbare weg.

Eiser heeft verklaard dat hij met behulp van een met de auto verbonden aanhangwagen een verkochte personenauto had afgeleverd in Chaam (NL) en dat hij ten tijde van de controle op de terugweg naar Duitsland was.

3. Het geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag BPM en de vergrijpboete terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM juncto artikel 3 van het Besluit in strijd is met de artikelen 10, 43 en/of 49 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-Verdrag).

4. Beoordeling van het geschil

Artikel 10 van het EG-Verdrag luidt als volgt:

“De Lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak.

Zij onthouden zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen.”.

Artikel 43 van het EG-Verdrag betreffende het recht van vestiging bepaalt:

“In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen van de vrijheid van vestiging van onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een Lid-Staat die op het grondgebied van een Lid-Staat zijn gevestigd.

De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.”.

Artikel 49 betreffende de diensten bepaalt:

“In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden ten aanzien van de onderdanen der Lid-Staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. (…)”.

In de Wet BPM zijn ten tijde van belang onder andere de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 1

1. Onder de naam ‘belasting van personenauto’s en motorrijwielen’ wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto’s en motorrijwielen.

2.De belasting is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto of een motorrijwiel krachten de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.

3.(…)

4.(…)

5.Ingeval een niet geregistreerde personenauto of een niet geregistreerd motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, is de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 14

1.Bij algemene maatregel van bestuur kan, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen vrijstelling van belasting worden verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto’s, en motorrijwielen die voor specifieke doeleinden, dan wel onder specifieke omstandigheden naar Nederland zijn gebracht.

2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur.

In het Besluit dat onder andere uitvoering geeft aan het hiervoor geciteerde artikel 14 van de Wet BPM zijn ten tijde van belang onder andere de volgende bepalingen opgenomen.

Artikel 2

1.Vrijstelling van belasting wordt verleend voor personenauto’s en motorrijwielen die zijn geregistreerd in het buitenland en door een in dat land gevestigde werkgever ter beschikking zijn gesteld aan een als werknemer bij hem in dienst zijnde in Nederland wonende persoon, indien:

a.de personenauto of het motorrijwiel hoofdzakelijk is bestemd voor de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer buiten Nederland, alsmede voor persoonlijk, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen;

b.de werkgever blijkens een schriftelijke verklaring heeft toegestaan dat de personenauto of het motorrijwiel mede voor persoonlijk gebruik wordt aangewend; en

c.de werknemer als gevolg van de arbeidsverhouding tussen hem en zijn werkgever in beginsel geen invloed kan uitoefenen op de beslissing in welk land de personenauto of het motorrijwiel of wordt geregistreerd.

(…)

Artikel 3

1.Vrijstelling van belasting wordt verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s die zijn geregistreerd in het buitenland en die worden gebruikt door Nederlandse ingezetenen die elders dan in Nederland:

–hoofd zijn van een éénmansbedrijf, of

–lid zijn van een maatschap, of

–bestuurder, vennoot of aandeelhouder zijn van een onderneming, opgericht in de vorm van een vennootschap, een en ander mits de eigenaar of houder niet een werknemer is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c.

2.De vrijstelling als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend indien:

a.de personenauto of het motorrijwiel uitsluitend wordt gebruikt door de eigenaar of de houder zelf; en

b.uitsluitend de afstand van de woonplaats naar de in het buitenland gelegen werkplaats en omgekeerd wordt overbrugd.

(…)”.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor de beantwoording van de vraag of artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM juncto artikel 3 van het Besluit in strijd is met het EG-Verdrag dienen de volgende vragen te worden beantwoord (zie o.a. Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (hierna HvJEG), 21 maart 2002, Cura Anlagen, C-451/99 en HvJEG, 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04):

a.Belemmert deze bepaling het vrije verkeer van goederen, personen of diensten binnen de Europese Gemeenschap (hierna: EG)? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord:

b.Is deze belemmering gerechtvaardigd? Als ook deze vraag bevestigend wordt beantwoord:

c.Is het evenredigheidsbeginsel in acht genomen, dat wil zeggen gaat de bepaling niet verder dan strikt noodzakelijk is om het beoogde (gerechtvaardigde) doel te bereiken?

Ten aanzien van a. Belemmering van het vrije verkeer van personen

De bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrije verkeer van personen beogen het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker te maken, om het even welk beroep uit te oefenen op het gehele grondgebied van de gemeenschap, en staan in de weg aan regelingen die deze onderdanen minder gunstig behandelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten ( HvJEG 15 september 2005, Commissie/Denemarken, C-464/02, HvJEG 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, HvJEG 2 oktober 2003, Van Lent, C-232/01).

Bepalingen die een onderdaan van een lidstaat beletten of ervan weerhouden, zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, leveren derhalve belemmeringen van die vrijheid op, zelfs wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn (zie de hiervoor aangehaalde arresten van HvJEG).

De rechtbank is van oordeel dat artikel 1, vijfde lid van de Wet BPM juncto artikel 3 van het Besluit een belemmering vormt van het vrije verkeer van zelfstandigen, als geregeld in artikel 43 van het Verdrag. Deze belemmering bestaat in casu hierin dat eiser, een inwoner van Nederland, wordt benadeeld doordat hij niet onbeperkt gebruik kan maken van een door zijn, in een andere lidstaat gevestigde, onderneming beschikbaar gestelde auto. Eiser ondervindt die belemmering zowel ten aanzien van het privé-gebruik als ten aanzien van het zakelijk gebruik van die auto. Het laatste blijkt zonneklaar uit hetgeen hiervoor is weergegeven onder de feiten. Eiser kan niet zonder dat dat hoge kosten, te weten het verschuldigd worden van BPM, met zich meebrengt, met zijn door zijn onderneming ter beschikking gestelde auto, goederen afleveren in Nederland.

In dit verband wijst de rechtbank op de hiervoor reeds aangehaalde arresten van het HvJEG waarin in soortgelijke situaties is bepaald dat er sprake is van een belemmering van het vrije verkeer van personen.

Ten aanzien van b. Rechtvaardiging

Een maatregel als artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM juncto artikel 3 van het Besluit kan slechts worden toegestaan indien het gaat om één van de in artikel 46, eerste lid van het EG-Verdrag uitdrukkelijk genoemde maatregelen of indien het zijn rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat er in casu geen sprake is van een maatregel als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van het EG-Verdrag. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM juncto artikel 3 van het Besluit rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang.

Blijkens vaste jurisprudentie van het HvJEG is het een lidstaat om redenen van algemeen belang toegestaan een registratiebelasting te heffen over een voertuig dat ter beschikking van één van zijn inwoners is gesteld door een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap, wanneer dit voertuig hoofdzakelijk bestemd is voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt (HvJEG, 21 maart 2002, Cura Anlagen, C-451/99, Beschikking HvJEG, 27 juni 2006, Van de Coevering, C-241/05).

Dat betekent in casu naar het oordeel van de rechtbank dat het verweerder is toegestaan om BPM te heffen over de aan eiser ter beschikking gestelde auto indien deze auto bestemd is om duurzaam gebruikt te worden of feitelijk duurzaam gebruikt wordt in Nederland.

Ter zitting heeft [B] aangegeven dat de auto nauwelijks gebruikt wordt in Nederland. Verweerder heeft dit niet weersproken.

Verweerder heeft in deze procedure niet aangegeven dat en welke andere redenen van algemeen belang toepassing van artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM juncto artikel 3 van het Besluit rechtvaardigen.

In dit verband merkt de rechtbank ook op dat volgens vaste jurisprudentie van het HvJEG de artikelen 39 (vrijheid van verkeer van werknemers) en 43 (vrijheid van vestiging) dezelfde rechtsbescherming verlenen (HvJEG, 5 februari 1991, Roux, C-363/89 en HvJEG, 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04). In dat licht bezien is het naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet gerechtvaardigd dat aan zelfstandigen een vrijstelling van BPM wordt verleend onder verdergaande voorwaarden dan wanneer aan werknemers een dergelijke vrijstelling wordt verleend. De rechtbank verwijst voor de verschillen naar de hiervoor geciteerde artikelen 2 en 3 van het Besluit.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er in casu redenen van algemeen belang zijn die toepassing van artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM juncto artikel 3 van het Besluit kunnen rechtvaardigen.

Ten aanzien van c. Evenredigheidsbeginsel

De vraag of het evenredigheidsbeginsel in acht is genomen hoeft gelet op vorenstaande niet te worden beantwoord.

Nu gebleken is van een niet gerechtvaardigde belemmering van de vrijheid van vestiging (artikel 43 van het EG-Verdrag) behoeven de artikelen 10 en 49 van het Verdrag niet nader te worden onderzocht.

Gelet op vorenstaande is het beroep van eiser gegrond, zowel ten aanzien van de naheffingsaanslag als ten aanzien van de boetebeschikking.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vernietigt de naheffingsaanslag en bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-vernietigt de boetebeschikking;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,-, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

-gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 138 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 2 februari 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.M. Bijker-Veen, voorzitter, en mr. I. Linssen en mr. E.C.G. Okhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.