Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:AZ6948

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
441345 \ CV EXPL 06-1803
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering werknemer voor salaris tot einde dienstverband afgewezen. Werkgever heeft aan kunnen tonen dat werknemer akkoord is gegaan met het einde van het overeengekomen dienstverband binnen de proeftijd en dat partijen een nieuw contract voor drie maanden zijn aangegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Wageningen

zaakgegevens 441345 \ CV EXPL 06-1803 \ 163 PH

uitspraak van 24 januari 2007

Vonnis

in de zaak van

[eiser]

wonende te Veghel

eisende partij

toevoegingsnummer [toeveis]

gemachtigde Advocatenkantoor Wilschut

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde]

gevestigd te Barneveld

gedaagde partij

gemachtigde J.H. Brouwer

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- het tussenvonnis van 7 juni 2006

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 28 juni 2006 met mondelinge bewijsopdracht aan [gedaagde]

- het tussenvonnis van 28 juni 2006 waarin de datum voor de getuigenverhoren is bepaald

- het proces-verbaal van de getuigenverhoren van 27 september 2006

- de conclusie na enquête aan de zijde van [gedaagde]

- de conclusie na enquête en contra-enquête aan de zijde van [eiser].

De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

[eiser] is per 1 oktober 2005 voor de duur van 6 maanden in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van vertegenwoordiger. Op 27 oktober 2005 is [eiser] bij de directeur van [gedaagde], [[naam directeur]] op diens kantoor op gesprek geweest.

Op 3 januari 2006 heeft [[naam directeur]] opnieuw een gesprek met [eiser] gehad, waarin de arbeidsovereenkomst mondeling is opgezegd. Op 4 januari 2006 heeft [eiser] verschillende zaken van [gedaagde], die hij onder zich had, ingeleverd. Vanaf dat moment heeft hij voor [gedaagde] geen arbeid meer verricht.

De vordering en het verweer

[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van – zakelijk samengevat – het netto salaris waarop hij nog recht heeft te rekenen tot en maart 2006, vermeerderd met de vakantievergoeding, de wettelijke verhoging, de betaling van een tweetal declaraties en de wettelijke rente over alles en de vergoeding voor de niet genoten vakantiedagen. Ook wenst hij de salarisspecificaties over de maanden januari tot en met maart 2006; alles kosten rechtens.

Hij stelt daartoe dat het contract voor de duur van 6 maanden niet binnen de proeftijd van één maand is opgezegd en tussen partijen niet een nieuwe overeenkomst voor de duur van 3 maanden is gesloten.

[gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

De beoordeling

1. Partijen hebben aanvankelijk een arbeidscontract voor de duur van 6 maanden – van 1 oktober 2005 tot en 31 maart 2006 – met een proeftijd van één maand gesloten.

Op 27 oktober 2005 heeft de directeur van [gedaagde], [[naam directeur]], met [eiser] een functioneringsgesprek gehouden. Als niet voldoende door [eiser] betwist, staat wel vast dat dit gesprek als insteek had dat het functioneren van [eiser] niet aan de verwachtingen van [gedaagde] voldeed.

2. Over het verloop van dit gesprek verschillen partijen van mening.

Volgens [gedaagde] heeft [[naam directeur]] [eiser] medegedeeld dat hij tijdens de proeftijd van één maand het dienstverband beëindigde en hij zou [eiser] een schriftelijke beëindigingsmededeling hebben uitgereikt. Nadat dit was gebeurd zou hij [eiser] een nieuw contract hebben aangeboden voor de duur van 3 maanden – tot en met 31 januari 2006.

[eiser] houdt staande dat Vrielink tijdens het gesprek het dienstverband niet heeft opgezegd en geen nieuw contract als hiervoor bedoeld heeft aangeboden.

3. Bij mondeling tussenvonnis is [gedaagde] belast met het bewijs dat tijdens het gesprek met [eiser] op 27 oktober 2005 het arbeidscontract is opgezegd en [eiser] een nieuw contract voor de duur van 3 maanden is aangeboden en deze dat heeft geaccepteerd.

Als getuigen zijn gehoord Vrielink, Smits en [eiser].

4. Getuige Smits heeft onder meer verklaard dat hij als verkoopleider van [gedaagde] [eiser] op 26 oktober 2006 aan het eind van de middag vanuit de file heeft gebeld en met hem heeft afgesproken dat hij de volgende dag bij de directeur Vrielink op gesprek zou komen. Het gesprek was al begonnen, toen Smits zich op de 27e bij Vrielink en [eiser] voegde.

Weliswaar heeft [eiser] ontkend dat bij zijn gesprek met Vrielink iemand anders aanwezig is geweest, maar hij heeft naderhand niets gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de op dit punt gelijkluidende verklaringen van Vrielink en Smits niet geloofwaardig zouden zijn.

De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat Smits bij het laatste deel van het gesprek tussen Vrielink en [eiser] aanwezig is geweest.

Zakelijk samengevat heeft Smits verklaard dat hij na zijn binnenkomst van Vrielink een samenvatting van het gesprek tot dusver had gekregen. Vrielink zei dat hij [eiser] een nieuw contract met een looptijd van 2 of 3 maanden had gegeven. Het precieze aantal maanden herinnerde Smits zich niet. Wel wist hij dat het eerste contract een looptijd van 6 maanden had gehad.

5. Over diverse punten verschillen partijen van mening of zij verbinden daaraan tegenstrijdige conclusies.

Zo zou Vrielink [eiser] tijdens het gespek een beëindigingsverklaring hebben overhandigd, die hij ter plekke uit het computerbestand van [gedaagde] zou hebben uitgedraaid. Smits heeft bevestigd dat een dergelijke tekst in de bestanden van [gedaagde] aanwezig is, maar heeft niet gezien dat Vrielink een dergelijke verklaring aan [eiser] heeft uitgereikt. [eiser] ontkent dat hij de als productie 1 bij antwoord overgelegde verklaring heeft ontvangen.

Verder heeft [eiser] op 1 november 2005 een mail aan Vrielink gestuurd, c.c. aan Smits, waarin hij na enkele opmerkingen over artikelen uit het assortiment van [gedaagde] schrijft: Ook heb ik het contract per mail niet ontvangen.

Volgens [gedaagde] betreft dit een verbeterde versie (namelijk in de mannelijke, in plaats van de vrouwelijk vorm opgemaakte tekst) van het op 27 oktober uitgereikte nieuwe contract voor 3 maanden.

Volgens [eiser] zou het gaan om een toevoeging aan het oude contract, waarin zou worden vastgelegd dat Vrielink hem de komende maanden zou gaan begeleiden.

[gedaagde] heeft opgemerkt dat het oude contract geen bepaling omtrent begeleiding bevatte en heeft ontkend dat een dergelijke afspraak – die zij overigens niet ontkent - schriftelijk in de arbeidsovereenkomst vastgelegd zou worden.

Ook heeft [eiser] op 7 november 2005 aan Vrielink een mail gestuurd met als enige inhoud: Hier het getekende contract retour, heb ook per post retour gestuurd.

Als getuige heeft [eiser] desgevraagd verklaard dat hij deze mail had verstuurd na een telefoongesprek met Vrielink, waarin hij deze had meegedeeld dat hij het niet eens was met de tekst van het contract dat hij op 3 november per mail van [gedaagde] had ontvangen. Hij zou de tekst van het mailbericht van 7 november al vóór het telefoongesprek hebben gereed gemaakt en zonder verder nadenken na het gesprek hebben verstuurd.

Tenslotte hebben partijen langdurig stil gestaan bij de vraag of de handtekening die [gedaagde] – naar zij stelt – in digitale vorm heeft ontvangen als los bestandje bij het door [eiser] op 7 november 2005 teruggemailde nieuwe contract wel ([gedaagde]) of niet ([eiser]) van laatstgenoemde afkomstig was.

De Kantonrechter is met partijen het roerend eens dat het uiterlijk van [eiser]s handtekening veelvormig is. Verschillende niet omstreden en onderling nogal afwijkende voorbeelden zijn in de stukken aanwezig. Met name de variatie in krullen dringt zich op, waarbij de kantonrechter speciaal is opgevallen dat de handtekening onder de verklaring die [eiser] als getuige heeft afgelegd, wat het aantal krullen betreft, de kroon spant. Dit valt te meer op omdat in dat verhoor de authenticiteit van de handtekening onder het toegestuurde contract aan de orde is geweest. Dat, door [gedaagde] geproduceerde voorbeeld, is de minst krullerige variant.

[eiser] heeft er op gewezen dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn herhaalde verzoeken om het ondertekende exemplaar – dat hij volgens [gedaagde] per post aan haar had toegestuurd – in originali ter griffie te deponeren. Hij betitelt dit als een krampachtige weigering van [gedaagde] die niet anders kan worden uitgelegd dan dat mogelijk sprake is van valsheid in geschrifte.

[gedaagde] heeft vóór de comparitie van partijen een kopie van het per post ontvangen exemplaar van de overeenkomst overgelegd. De kantonrechter merkt op dat onder die kopie een handtekening staat die zo op het oog goed past bij de gemiddeld krullerige, niet omstreden voorbeelden van [eiser]s handtekening.

Verder heeft [gedaagde] aangeboden om de door haar op 7 november 2005 van [eiser] ontvangen mail met het handtekeningbestand aan een door de kantonrechter op te geven mailadres van de rechtbank te sturen, opdat de kantonrechter zich er zelf van kan overtuigen dat de bestandsgrootte van het terugontvangen bestand groter is dan die van het aan [eiser] toegezonden bestand. Daaruit zou blijken dat het [eiser] is geweest die aan het oorspronkelijke document (het toegezonden contract) een bestandje heeft toegevoegd.

6. Dit overziende hecht de kantonrechter betekenis aan een opvallende inconsistentie in het betoog van [eiser].

Naar zijn zeggen zou hij op 7 november 2005 telefonisch aan Vrielink hebben gezegd dat hij het niet eens was met het toegezonden contract (met een looptijd van 3 maanden). Niettemin zou hij na afloop van dat gesprek een reeds tevoren door hem gereed gemaakt bericht hebben verstuurd, waaruit zijn instemming met het contract blijkt.

[eiser] heeft onverklaard gelaten, waarom hij het, blijkens zijn alvast – in alle rust - opgeschreven antwoord, vóór het telefoongesprek eens was met het contract en tijdens het telefoongesprek zou hebben gezegd dat hij het er niet mee eens was. Deze draai is onverklaard en acht de kantonrechter daardoor onbegrijpelijk.

Ook verdient nadere toelichting – welke ontbreekt – waarom hij zich de strekking van het eenregelig bericht niet heeft gerealiseerd meteen nadat het had verzonden en waarom hij het niet onmiddellijk heeft herroepen.

De kantonrechter kan hieruit niet anders afleiden dan dat [eiser] wel degelijk heeft ingestemd met het nieuwe contract.

De kantonrechter verbindt daaraan de conclusie dat er een aanleiding was om een nieuw contract te sluiten. De verklaring die [gedaagde] daarvoor heeft gegeven – opzegging van het eerste contract binnen de proeftijd – past logischerwijs goed daarbij.

De door [eiser] gegeven verklaring – er moest een nieuwe bepaling over de begeleiding in het contract worden opgenomen – overtuigt niet, reeds omdat dat onderwerp niet in het eerst contract was geregeld en geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die verklaren dat dit onderwerp van zodanig zwaarwegend gewicht was dat het per se in de schriftelijke overeenkomst moest worden opgenomen. Naar zijn aard is het geen kernbepaling van de overeenkomst.

Om die reden moeten [eiser]s overige stellingen in overeenstemming hiermee worden uitgelegd.

[gedaagde] is geslaagd in het opgedragen bewijs.

7. Nu op grond van het voorgaande voldoende vaststaat dat het eerste contract op reguliere wijze binnen de proeftijd is beëindigd, stond het partijen vrij om aansluitend een nieuwe overeenkomst te sluiten met een looptijd tot en met 31 januari 2006.

De vordering van [eiser] is in zoverre toewijsbaar.

Omdat [gedaagde] ten dele in het ongelijk wordt gesteld, behoort zij de proceskosten aan de zijde van [eiser] te betalen.

De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] tot betaling tegen behoorlijke kwijting aan [eiser]:

• het netto-equivalent van € 1.350,- per maand over de maand januari 2006, onder aftrek van de reeds ontvangen € 498,21 netto;

• de maandelijkse vakantievergoeding van 8% over het overeengekomen salaris;

• als wettelijke verhoging 15% over het nog niet uitbetaalde bedrag

• € 167,93 wegens nog niet betaalde declaraties uit oktober en november 2005

• de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf 13 april 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening

• de vergoeding voor de niet benutte vakantiedagen

met veroordeling van [gedaagde], verder, tot afgifte van de salarisspecificatie over de maand januari 2006, alsmede een deugdelijke eindspecificatie binnen acht dagen na betekening van dit vonnis,

en tot betaling aan [eiser] van de proceskosten tot aan deze uitspraak aan diens zijde begroot op € 680,87 in totaal, welk bedrag bestaat uit € 84,87 aan dagvaardingskosten, € 196,-aan vastrecht en € 400,- aan salaris voor de gemachtigde;

bepaalt dat [gedaagde] van het totaalbedrag aan proceskosten het door [eiser] zelf betaalde deel van het vastrecht van € 49,- moet betalen aan (de gemachtigde van) [eiser] en het restantbedrag van € 147,- aan de griffier van de rechtbank te Arnhem, waarvoor een acceptgirokaart wordt toegestuurd;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. P.A. Huidekoper en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2007.