Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:AZ6306

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/2490
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht. Geen matiging ondanks lage bedrag van de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten opzichte van hoogte griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2490

Uitspraakdatum: 15 januari 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzet van:

[X], wonende te [Z], opposant,

tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Awb gedane uitspraak van de rechtbank, van 11 september 2006.

1. Behandeling van het verzet

Bij genoemde uitspraak van deze rechtbank is het beroep van opposant (met bovengenoemd procedurenummer) met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard, op grond van het niet betalen van het griffierecht.

Bij fax van 23 oktober 2006 heeft opposant verzet gedaan tegen deze uitspraak.

De opposant is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord.

Opposant is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 26 oktober 2006 aan opposant op het adres [a-straat] 9 te [0000 AA] [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Opposant is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu voormelde brief niet ter griffie is terugontvangen is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden.

De rechtbank heeft het verzet behandeld ter zitting van 15 december 2006.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten en de gronden van het verzet

Het beroepschrift van opposant is op 19 april 2006 ontvangen ter griffie van de rechtbank.

Bij aangetekend schrijven van 22 juni 2006, ter post bezorgd op dezelfde datum en gericht aan het adres [a-straat] 9 te [0000 AA] [Z], heeft de griffier van de rechtbank opposant erop gewezen dat deze ter zake van het instellen het beroep een griffierecht van € 38 is verschuldigd. In dit schrijven is vermeld dat bij niet tijdige betaling het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het verschuldigde recht is niet betaald.

Bij de in verzet bestreden uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank is het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard.

De gronden waarop opposant het verzet baseert, staan vermeld in het verzetschrift.

3. Beoordeling van het verzet

Opposant stelt in het verzetschrift dat hij wil worden behandeld volgens de Wet Mulder, net als in Rotterdam. Hij merkt op dat er een groot verschil is tussen een bekeuring parkeren in Rotterdam of in regio Arnhem.

De rechtbank verwerpt deze argumenten. In de onderhavige zaak gaat het om een naheffingsaanslag parkeerbelasting waarop de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften, aangeduid als de Wet Mulder, niet van toepassing is. De regeling in artikel 36 van de Wet Mulder, die inhoudt dat in bepaalde gevallen geen griffierecht is verschuldigd, kan door de rechtbank in dit geval dus niet worden toegepast. Aangenomen moet worden dat de zaak van opposant in Rotterdam niet over een naheffingsaanslag parkeerbelasting ging maar over een parkeerovertreding die niet onder de fiscale regels viel. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen.

Op de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting is de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van toepassing en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge artikel 8:41, derde lid, van de Awb en artikel 27b van de AWR moet er in dit geval griffierecht worden betaald tot een bedrag van € 38.

Het tweede lid van artikel 8:41 van de Awb bepaalt dat bij niet tijdige betaling van het griffierecht het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Opposant heeft niets aangevoerd dat kan leiden tot het oordeel dat hij redelijkerwijs niet in verzuim was.

Opposant heeft in het verzetschrift verder nog aangevoerd dat hij al veel kosten (reistijd en brandstof [Z]/Arnhem) heeft moeten maken om het bedrag van € 45,60 (het bedrag van de naheffingsaanslag parkeerbelasting) terug te krijgen.

Ook als zou moeten worden aangenomen dat opposant inderdaad veel kosten heeft gemaakt (hetgeen nergens uit blijkt), kan dit argument opposant niet baten. Het maken van kosten is inherent aan procederen. Hoewel het griffierecht in dit geval relatief hoog is ten opzichte van het te betalen bedrag van de naheffingsaanslag, is er in de wet geen mogelijkheid opgenomen om in een dergelijk geval het griffierecht te matigen.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding om het griffierecht met toepassing van artikel 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) te matigen, aangezien er geen sprake is van een fiscale boete en ook overigens niet kan worden gezegd dat het recht op vrije toegang tot de rechter wordt belemmerd doordat een griffierecht van € 38 wordt geheven. Dit geldt temeer nu opposant niets heeft gesteld over zijn financiële omstandigheden.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door

mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem, griffier,

op 15 januari 2007.

De griffier De rechter

Afschrift aangetekend verzonden aan opposant en aan de wederpartij in het bodemgeschil op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen opposant en de wederpartij in het bodemgeschil binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het beroep in cassatie.