Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BJ2722

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-09-2006
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
AWB 05/4048
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Kampeerauto. Geen beroep op vertrouwensbeginsel daar fictieve prijslijsten zijn overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4048

Uitspraakdatum: 11 september 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P]n, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 23 juli 2001 tot en met 28 januari 2004, met dagtekening 3 mei 2004, een naheffingsaanslag (kenmerk [L-04]) Belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (BPM) (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd. Eiseres is tegen de naheffingsaanslag in bezwaar gekomen.

Verder is eiseres in bezwaar gekomen tegen de voldoening op 18 aangiften BPM in 2004, genummerd 1 tot en met 18 conform het overzicht in de uitspraak op bezwaar.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 september 2005 in één geschrift de naheffingsaanslag gehandhaafd, de bezwaren tegen de voldoening op de aangiften, genummerd 5, 6, 9, 10, 11 en 12 niet-ontvankelijk verklaard en de overige bezwaren tegen voldoening op aangifte ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 7 oktober 2005, ontvangen bij de rechtbank op 10 oktober 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2006 te Arnhem.

Namens eiseres is daar verschenen drs. [A], bijgestaan door mr. [B], werkzaam bij [C] te [Z]. Namens verweerder is verschenen mr. [D], bijgestaan door [E] en [F].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres is sinds 1998 importeur en verkoper van kampeerauto’s, onder meer van de merken [G], [H], [I] en [J] Deze kampeerauto’s worden gebouwd op onderstellen/ chassis-cabines van bekende automerken zoals Fiat, Ford en Mercedes. De kampeerauto van [G] werd en wordt gebouwd op het onderstel van de Fiat Ducato.

In 1999 is [G] SA, gevestigd in Spanje, gestart met het aanvragen van een Europese typegoedkeuring voor haar kampeerauto’s, een zogeheten ééntraps-typegoedkeuring. Dit type goedkeuring wordt afgegeven voor het voertuig als geheel. Het kentekenbewijs vermeldt als merknaam de naam van de camperfabrikant, in casu [G]. Voordien vermeldde het kentekenbewijs als merknaam de naam van de fabrikant van de chassis-cabine. Het certificaat van de Europese goedkeuring vermeldt als ‘manufacturer of the base vehicle’ Fiat.

Vanwege de Europese typegoedkeuring voor de [G]-camper kon eiseres als importeur van die kampeerauto’s van het eigen merk [G] voortaan de (netto) catalogusprijs voor de BPM vaststellen.

Namens eiseres is voor de BPM aangifte gedaan door haar directeur [A] (hierna: [A]) op het BPM-aangiftepunt te Almelo. Tot juli 2001 heeft [A] met toepassing van § 14.3.2 van de Leidraad BPM als grondslag voor de berekening van de verschuldigde BPM de netto catalogusprijs gehanteerd van de met de camper vergelijkbare gesloten bestelauto. Voor de kampeerauto [G] was dat de bestelauto Fiat Ducato.

Vanaf juli 2001 heeft eiseres voor de kampeerauto [G] aangifte gedaan voor de BPM op basis van door haar opgemaakte prijslijsten van diverse uitvoeringen bestel en chassiscabine, diverse motortypes en wielbasis. Op die prijslijsten staat vermeld dat [G] alleen met camperopbouw te koop is en dat de genoemde prijzen exclusief opbouw zijn. Eiseres is ook vanaf juli 2001 gebruik blijven maken van § 14.3.2 van de Leidraad BPM.

Er bestaan geen (gesloten) bestelauto’s van het merk [G].

Eiseres heeft de prijslijsten uitsluitend gebruikt ten behoeve van het doen van aangifte BPM.

Naar aanleiding van klachten van concurrenten van eiseres over de door haar gehanteerde maatstaf van heffing voor de BPM van de [G]-campers heeft verweerder een onderzoek ingesteld. De bevindingen daarvan hebben geleid tot de bestreden naheffingsaanslag. Eiseres heeft vervolgens vanaf de aangifte BPM van februari 2004 ervoor gekozen bij het doen van aangifte de berekeningswijze van verweerder te volgen en daartegen vervolgens in bezwaar te komen. Dit heeft geleid tot de aangiften, in de uitspraak op bezwaar genummerd van 1 tot en met 18.

3. Geschil

In geschil is:

1. of eiseres in het tijdvak 23 juli 2001 tot en met 28 januari 2004 de juiste grondslag heeft gehanteerd voor de berekening van de verschuldigde BPM en, indien die vraag ontkennend moet worden beantwoord, of eiseres een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel kan doen;

2. of verweerder de bezwaren tegen de voldoening op de aangiften, genummerd 1 tot en met 4, 7, 8, en 13 tot en met 18 terecht ongegrond heeft verklaard;

3. of verweerder de bezwaren tegen de voldoening op de aangiften, genummerd 5, 6, 9, 10, 11 en 12 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Niet in geschil is de juistheid van de berekeningen van verweerder indien het gelijk aan verweerder is.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag, ontvankelijk verklaring van de bezwaren tegen de voldoening op de aangiften, genummerd 5, 6, 9, 10, 11 en 12 en vermindering van de op de aangiften, genummerd 1 tot en met 18 verschuldigde BPM met een bedrag van € 54.440. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

1. De naheffingsaanslag, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

1.1 De naheffingsaanslag.

Ingevolge artikel 3 Wet BPM zijn kampeerauto’s aan te merken als personenauto’s en als zodanig onderworpen aan de heffing van BPM.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, Wet BPM wordt de belasting berekend op basis van de netto catalogusprijs, waar volgens het derde lid onder wordt verstaan de catalogusprijs verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting. Ingevolge het vierde lid wordt onder catalogusprijs verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In die geadviseerde verkoopprijs is de BPM zelf niet begrepen. Is een zodanige prijs niet bekend, dan wordt hij door vergelijking bepaald.

In de Leidraad BPM 1992 (Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 1 juni 1999, VB98/2647, later vervangen door het Wijzigingsbesluit van 24 april 2002, CPP 2002/313) (hierna: de Leidraad) is in § 14.3.2 met betrekking tot kampeerauto’s het volgende goedgekeurd:

“Goedgekeurd wordt dat de BPM voor kampeerauto’s niet wordt berekend over dat deel van de catalogusprijs, dat is toe te rekenen aan de recreatieve functie. Indien een gesloten bestelauto wordt ingericht als kampeerauto, kan de BPM worden berekend over de catalogusprijs van die bestelauto. Indien een gesloten bestelauto wordt gebruikt als basis voor een qua wielbasis van die bestelauto afwijkende kampeerauto, of als een kampeerauto is afgeleid van een ander soort auto (bijvoorbeeld een chassis-cabine), kan de BPM worden berekend over de catalogusprijs van een zoveel mogelijk met de verkregen kampeerauto vergelijkbare gesloten bestelauto. Daarbij dient achtereenvolgens rekening te worden gehouden met:

- het merk en type van de gebruikte auto of chassis-cabine;

- het motortype (…);

- de wielbasis van de kampeerauto.”

De rechtbank stelt vast dat eiseres steeds aangifte voor de BPM heeft gedaan met toepassing van het beleid van § 14.3.2 van de Leidraad. Niet in geschil is dat de kampeerauto’s van eiseres voldoen aan de in de Leidraad gestelde eisen en dat zij terecht op het beleid een beroep heeft gedaan. Derhalve is uitsluitend de vraag aan de orde of eiseres voor de berekening van de BPM de Leidraad juist heeft uitgelegd.

De kampeerauto’s van eiseres zijn gebouwd op een chassis-cabine van bekende automerken, zoals de Fiat Ducato. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat aan de chassis-cabine aanpassingen hebben plaatsgevonden, maar dit doet naar het oordeel van de rechtbank niet eraan af dat de basis de chassis-cabine van (bijvoorbeeld) Fiat blijft. Dit blijkt onder meer ook uit de technische gegevens op het certificaat van de ééntraps-typegoedkeuring. Dit betekent bij toepassing van de Leidraad dat de BPM wordt berekend over de catalogusprijs van een zoveel mogelijk met de verkregen kampeerauto vergelijkbare gesloten bestelauto, waarbij onder meer rekening dient te worden gehouden met het merk en type van de chassis-cabine. Eiseres heeft vanaf juli 2001 de BPM berekend door de netto catalogusprijs die [G] SA berekent voor een chassis-cabine te verhogen met de meerprijs van een gesloten bestelauto met een hoog dak, vastgesteld door vergelijking, indien deze ook door [G] zou worden berekend.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres met de door haar gehanteerde berekening van de BPM een onjuiste uitleg heeft gegeven aan § 14.3.2 van de Leidraad door uit te gaan van een fictieve berekening van de heffingsgrondslag. [G] heeft immers geen eigen gesloten bestelauto. Gelet op het vorenstaande dient als uitgangspunt te worden gehanteerd de catalogusprijs van de vergelijkbare gesloten bestelauto, bijvoorbeeld van de Fiat Ducato, afhankelijk van het merk chassis-cabine. Daaraan doet de ééntraps-typegoedkeuring niet af. Verweerder heeft dan ook de BPM die eiseres met de door haar gevolgde berekeningswijze te weinig heeft afgedragen, terecht nageheven.

1.2. Het vertrouwensbeginsel.

Eiseres stelt dat zij vanaf het moment in 2001 waarop zij op andere wijze aangifte voor de BPM is gaan doen vanwege de ééntraps-typegoedkeuring, zij dit in overleg heeft gedaan met de douanemedewerkers van het BPM-aangiftepunt te Almelo, met name met [F]. Eiseres stelt dat zij hieraan het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat zij op juiste wijze en tot het juiste bedrag aangifte deed.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt en overweegt daartoe het volgende.

Basis voor het doen van aangifte vanaf juli 2001 zijn de door [A] overgelegde prijslijsten geweest. Die prijslijsten betroffen echter niet de geadviseerde verkoopprijzen van de kampeerauto’s, maar fictieve prijslijsten die – zoals [A] ter zitting heeft verklaard – uitsluitend voor het doen van de BPM-aangiften werden gebruikt. Dat het fictieve prijslijsten betrof werd de douanemedewerkers niet meegedeeld. Reeds hierom kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van opgewekt vertrouwen. Immers, welke standpunten de douaneambtenaren, met name [F], jegens eiseres ook hebben ingenomen, deze waren gebaseerd op de onjuiste informatie van [A]. Onder die omstandigheden kan van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel geen sprake zijn. Ook hetgeen eiseres overigens met betrekking tot het vertrouwensbeginsel heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

1.3. Het zorgvuldigheidsbeginsel.

Eiseres stelt dat verweerder zozeer in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld dat dit vernietiging van de naheffingsaanslag en vermindering van de op aangiften afgedragen BPM rechtvaardigt. Eiseres voert daarbij onder meer een brief aan van 1 september 2003 van [K] aan verweerder, het onderzoek door verweerder, het opleggen van de naheffingsaanslag en de positie van eiseres door het gewijzigde standpunt van verweerder.

Met betrekking tot de brief van 1 september 2003 van [K] constateert de rechtbank dat deze gericht is aan verweerder met het herhaalde verzoek om uitleg omtrent de BPM-heffing bij eiseres in verband met de eigen BPM-heffing. De rechtbank is van oordeel dat deze brief ziet op de informatieverstrekking door verweerder aan een derde. Onzorgvuldig handelen jegens eiseres is daarbij niet aan de orde. Het standpunt van eiseres dat verweerder heeft nagelaten naar aanleiding van die brief onderzoek te verrichten naar de aangiften BPM van eiseres is onbegrijpelijk, nu die brief juist mede aanleiding is geweest tot een onderzoek door verweerder naar de BPM-aangiften van eiseres.

Ook hetgeen eiseres overigens met betrekking tot de zorgvuldigheid heeft aangevoerd kan, wat daar ook van zij, geen aanleiding zijn tot vernietiging van de naheffingsaanslag dan wel vermindering van de BPM. Een mogelijke onzorgvuldigheid betekent immers op zich zelf niet dat sprake is van een onjuiste belastingheffing.

2. De voldoening op de aangiften, genummerd 1 tot en met 4, 7, 8, en 13 tot en met 18.

Eiseres heeft in deze aangiften de verschuldigde BPM berekend in overeenstemming met de zienswijze van verweerder.

Gelet op het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de naheffingsaanslag zijn de bezwaren van eiseres tegen de voldoening op die aangiften, nu eiseres de berekeningen van de af te dragen BPM als zodanig niet betwist, door verweerder terecht ongegrond verklaard.

3. De ontvankelijkheid van de bezwaren tegen de voldoening op de aangiften, genummerd 5, 6, 9, 10, 11 en 12.

Ingevolge artikel 22j, aanhef en tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vangt in afwijking van artikel 6:8 van de Awb de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht.

Eiseres heeft niet betwist dat bij de zes genoemde aangiften ten tijde van het indienen van de desbetreffende bezwaarschriften, betaling op die aangiften nog niet had plaatsgevonden. Eiseres heeft de bezwaarschriften derhalve te vroeg ingediend. Nu, anders dan eiseres stelt, artikel 6:10, eerste lid, van de Awb in de onderhavige situatie toepassing mist, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.H.M. Delnooz-Engels, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M.C.G.J. van Well, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Gankema, griffier, op 11 september 2006.

De voorzitter,

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.