Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BD7482

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
17-07-2008
Zaaknummer
AWB 06/513
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Oplegging vergrijpboete voor verzwegen inkomsten op buitenlandse bankrekening is terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/513 IB

Uitspraakdatum: 6 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Rivierenland, kantoor Arnhem, verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft met dagtekening 4 oktober 2005 aan eiser navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd over de jaren 1994 tot en met 2000.

De navorderingsaanslag 1994 (aanslagnummer [00].H.47) is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 54.925, met een (als “boete” aangeduide) verhoging van 100% van de nagevorderde belasting, waarvan 50% is kwijtgescholden. De verhoging is aldus berekend op een bedrag van ƒ 1.415.

De navorderingsaanslag 1995 (aanslagnummer [00].H.57) is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 56.851, met een verhoging van 100% van de nagevorderde belasting, waarvan 50% is kwijtgescholden. De verhoging is aldus berekend op een bedrag van ƒ 1.688.

De navorderingsaanslag 1996 (aanslagnummer [00].H.67) is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.319, met een verhoging van 100% van de nagevorderde belasting, waarvan 50% is kwijtgescholden. De verhoging is aldus berekend op een bedrag van ƒ 1.659.

De navorderingsaanslag 1997 (aanslagnummer [00].H.77) is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 58.177, met een verhoging van 100% van de nagevorderde belasting, waarvan 50% is kwijtgescholden. De verhoging is aldus berekend op een bedrag van ƒ 1.655.

De navorderingsaanslag 1998 (aanslagnummer [00].H.87) is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 55.456. Daarbij is bij beschikking een boete opgelegd van ƒ 1.692, zijnde 50% van de nagevorderde belasting.

De navorderingsaanslag 1999 (aanslagnummer [00].H.97) is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 59.299. Daarbij is bij beschikking een boete opgelegd van ƒ 1.655, zijnde 50% van de nagevorderde belasting.

De navorderingsaanslag 2000 (aanslagnummer [00].H.07) is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 100.812. Daarbij bij beschikking is een boete opgelegd van ƒ 2.212, zijnde 50% van de nagevorderde belasting.

Verweerder heeft de uitspraak op bezwaar van 2 december 2005 de navorderingsaanslagen en de daarin begrepen verhogingen onderscheidenlijk de daarbij opgelegde boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2006 te Arnhem.

Partijen zijn daar verschenen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

Op de voet van artikel 4 (spontane uitwisseling van inlichtingen) van de richtlijn 77/799 EEG van de Raad van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 (79/1070 EEG), betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (Pb. EG L336) heeft Duitsland aan het onderdeel FIOD-ECD van de rijksbelastingdienst gegevens verstrekt waaruit blijkt dat eiser op 3 februari 1993 bij de bank [A], kantoor [Q] te Duitsland, een storting in contanten heeft gedaan van ƒ 120.000.

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij brief van 27 juni 2005 aan eiser verzocht om opgaaf te doen van zijn buitenlands vermogen.

Bij brief van 4 juli 2005 heeft eiser effectenoverzichten verstrekt waaruit naar voren komt dat eiser het gestorte bedrag heeft aangewend voor de aankoop van waardepapieren, te weten zogenaamde pandbrieven. Blijkens de effectenoverzichten (bijlage 8 bij het verweerschrift) waren de nominale waarde en de rentepercentages van de pandbrieven als volgt.

Datum Nominale waarde Rentepercentage

31-12-1994 DM 109.000 7,25

31-12-1995 DM 109.000 7,25

31-12-1996 DM 109.000 7,25

31-12-1997 DM 109.000 7,25

31-12-1998 DM 109.000 7.25

31-12-1999 € 55.730,82 7,25

31-12-2000 € 55.730,82 7,25

In de jaren 1994 tot en met 1999 is eiser niet uitgenodigd tot het doen van aangifte en heeft hij geen aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting. Voor het jaar 2000 is wel een aangiftebiljet aan eiser uitgereikt en heeft hij aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting. In deze aangifte zijn geen inkomensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op voormelde pandbrieven.

Met dagtekening 4 oktober 2005 heeft verweerder door middel van de onderhavige navorderingsaanslagen de over de jaren 1994 tot en met 2000 ontvangen rente ter zake van de pandbrieven nagevorderd. Ter zitting heeft verweerder een spreadsheet overgelegd waarin is aangegeven hoe het bij de navorderingsaanslagen vastgestelde belastbaar inkomen is opgebouwd. Uit deze spreadsheet blijkt dat het bedrag van de rente-inkomsten is berekend op ƒ 8.851 (DM 109.000 x 7,25% x 1,12) per jaar, met uitzondering van het jaar 1994. Voor het jaar 1994 is het bedrag van de nagevorderde rente berekend op ƒ 7.425.

Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslagen zijn aan eiser verhogingen en vergrijpboetes opgelegd van - per saldo - 50%.

3. Geschil

In geschil is of de onderhavige navorderingsaanslagen alsmede de boetes terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

4. Beoordeling van het geschil

Navorderingsaanslagen

Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder op grond van het artikel 16, eerste en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de navorderingsaanslagen kon opleggen.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de navorderingsaanslagen tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) zijn inkomsten uit vermogen alle niet als winst uit onderneming, als winst uit aanmerkelijk belang of als inkomsten uit arbeid aan te merken voordelen die worden getrokken uit onroerende en roerende zaken en uit rechten die niet op zaken betrekking hebben.

Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij niet betwist dat hij in de jaren 1994 tot en met 2000 ter zake van de pandbrieven rente-inkomsten heeft genoten ter grootte van 7,25% van DM 109.000 per jaar, maar dat hij niet wist dat hij hiervan aangifte had moeten doen.

De rechtbank stelt voorop dat deze rente-inkomsten in het onderhavige geval tot de inkomsten uit vermogen behoren en derhalve in de inkomstenbelastingheffing dienen te worden betrokken.

Verweerder heeft de rente-inkomsten omgerekend naar Nederlandse guldens waarbij hij is uitgegaan van een wisselkoers van 1,12 (1 DM = ƒ 1,12). Eiser heeft gesteld dat deze wisselkoers te hoog is en bepleit een wisselkoers van 1,10 (ƒ 120.000 / DM 109.000), zoals die gold ten tijde van de oorspronkelijke storting bij de bank [A] op 3 februari 1993. Deze door eiser verdedigde wisselkoers kan echter niet worden gevolgd, nu deze niets zegt over de geldende wisselkoers in de jaren waarop de navorderingsaanslagen betrekking hebben en eiser niets heeft aangevoerd over de hoogte van de wisselkoers in die jaren. Nu de rechtbank de door verweerder gehanteerde wisselkoers voor de jaren 1994 tot en met 2000 niet te hoog acht, heeft verweerder terecht een bedrag van ƒ 7.425 voor het jaar 1994 en van ƒ 8.851 voor de jaren 1995 tot en met 2000 in aanmerking genomen als rente-inkomsten.

Eiser heeft betoogd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de rentevrijstelling en de bankkosten die hij in verband met het houden van de pandbrieven heeft gemaakt.

Ten aanzien van de rentevrijstelling overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting heeft verklaard – en door eiser is onvoldoende betwist – dat eiser en zijn echtgenote ook uit Nederland in de desbetreffende jaren rente-inkomsten hebben genoten, dat de rentevrijstelling jaarlijks reeds volledig op die rente-inkomsten is toegepast en dat de navordering beperkt is gebleven tot de uit Duitsland afkomstige rente. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de juistheid van deze door verweerder afgelegde verklaring te twijfelen. De klacht van eiser dient te worden verworpen.

De stelling van eiser inzake de bankkosten slaagt. Uit de effectenoverzichten blijkt dat aan eiser in de jaren 1994 tot en met 2000 de volgende bankkosten in rekening zijn gebracht:

Jaar Bankkosten Omrekenkoers Bedrag in guldens

1994 DM 250,70 1,12 ƒ 281

1995 DM 269,76 1,12 ƒ 302

1996 DM 274,39 1,12 ƒ 307

1997 DM 270,76 1,12 ƒ 303

1998 DM 276,52 1,12 ƒ 310

1999 € 134,99 2,20371 ƒ 297

2000 € 131,05 2,20371 ƒ 289

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat bij de vaststelling van de navorderingsaanslagen ten onrechte geen rekening is gehouden met deze bankkosten. De rechtbank zal deze kosten dan ook in mindering brengen op de nagevorderde rente-inkomsten en het bedrag van de inkomsten uit vermogen als volgt nader vaststellen:

Jaar Inkomsten uit vermogen

1994 ƒ 7.144 (ƒ 7.425 -/- ƒ 281)

1995 ƒ 8.549 (ƒ 8.851 -/- ƒ 302)

1996 ƒ 8.544 (ƒ 8.851 -/- ƒ 307)

1997 ƒ 8.548 (ƒ 8.851 -/- ƒ 303)

1998 ƒ 8.541 (ƒ 8.851 -/- ƒ 310)

1999 ƒ 8.554 (ƒ 8.851 -/- ƒ 297)

2000 ƒ 8.562 (ƒ 8.851 -/- ƒ 289)

Eiser heeft nog gesteld dat zijn belastbaar inkomen dient te worden verlaagd in verband met aftrekposten voor kosten die hij in de jaren 1994 tot en met 2000 heeft gemaakt. Eiser noemt de betaalde hypotheekrente, de ziektekosten en de giften. De rechtbank overweegt in dit verband dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat eiser, die aanspraak maakt op toepassing van aftrekposten, bij betwisting door verweerder het bewijs moet leveren van het bestaan en de omvang van bedoelde aftrekposten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voor wat betreft de omvang van de aftrekposten niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser geen bedragen heeft genoemd van de omvang van de desbetreffende aftrekposten in de onderhavige jaren noch bewijsstukken daarvan heeft overgelegd. Hoewel eiser ter zitting heeft verklaard, en de rechtbank acht dit aannemelijk, dat hij diverse pogingen heeft gedaan om de benodigde bewijsstukken op te vragen bij verschillende instanties, is hij daarin niet geslaagd. De stelling van eiser kan dan ook niet worden gevolgd. Voor een verdere verlaging van het belastbaar inkomen vanwege de bedoelde aftrekposten bestaat derhalve geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande dient het belastbaar inkomen van eiser over de jaren 1994 tot en met 2000 als volgt te worden vastgesteld.

Jaar Belastbaar inkomen

1994 ƒ 54.644 (ƒ 54.925 -ƒ 281)

1995 ƒ 56.549 (ƒ 56.851 -ƒ 302)

1996 ƒ 57.012 (ƒ 57.319 -ƒ 307)

1997 ƒ 57.874 (ƒ 58.177 -ƒ 303)

1998 ƒ 55.146 (ƒ 55.456 -ƒ 310)

1999 ƒ 59.002 (ƒ 59.299 -ƒ 297)

2000 ƒ 100.523 (ƒ 100.812 -ƒ 289)

Het beroep is in zoverre gegrond.

Boete

Verweerder heeft primair het standpunt ingenomen dat het aan opzet van eiser is te wijten dat over de jaren 1994 tot en met 2000 te weinig belasting is geheven. Subsidiair stelt verweerder dat sprake is van grove schuld.

Ingevolge artikel 18 van de AWR juncto paragraaf 21, tweede lid van het Voorschrift Administratieve Boeten 1993 (voor de jaren 1994 tot en met 1997) alsmede artikel 67e van de AWR juncto paragraaf 25, derde lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (voor de jaren 1998 tot en met 2000) kan de inspecteur bij het opleggen van een navorderingsaanslag, indien het aan opzet van de belastingplichtige te wijten is dat te weinig belasting is geheven, een vergrijpboete (voor de jaren 1994 tot en met 1997: een verhoging) opleggen van 50%. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijke opzet. Onder voorwaardelijke opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de reële kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden dan wel niet of niet tijdig betaald is.

Ingevolge artikel 18 van de AWR juncto paragraaf 21, eerste lid van het Voorschrift Administratieve Boeten 1993 (voor de jaren 1994 tot en met 1997) alsmede artikel 67e van de AWR juncto paragraaf 25, tweede lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (voor de jaren 1998 tot en met 2000) kan de inspecteur bij het opleggen van een navorderingsaanslag, indien het aan grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat te weinig belasting is geheven, een vergrijpboete (voor de jaren 1994 tot en met 1997: een verhoging) opleggen van 25%. Onder grove schuld wordt verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid.

Het is aan verweerder om aan te tonen dat er sprake is van (voorwaardelijke) opzet of grove schuld.

Verweerder heeft gesteld dat het van algemene bekendheid is dat over ontvangen rente belasting verschuldigd is en dat eiser dit, gelet op zijn maatschappelijke positie, behoorde te weten. Volgens verweerder had eiser daarvan in ieder geval op de hoogte moeten zijn na de uitvoerige berichtgeving in de media over het feit dat de belastingdienst beschikte over gegevens van buitenlandse banktegoeden van inwoners van Nederland. Verder heeft verweerder gesteld dat eiser de gelden naar Duitsland heeft overgebracht met de bedoeling om deze buiten het zicht van de Nederlandse belastingdienst te houden. Voorts is het eiser te verwijten dat hij heeft nagelaten advies in te winnen bij een deskundige, aldus verweerder.

Eiser stelt daar tegenover dat hij in die jaren niet bekend was met de fiscale regelgeving en dat hij niet wist dat rente-inkomsten belast waren. Zo wist hij ook niet dat betaalde hypotheekrente, ziektekosten en giften aftrekbaar waren, terwijl hij die uitgaven in de betreffende jaren wél heeft gedaan. Eiser heeft toegelicht dat hij sinds 1983 een teruggetrokken leven leidt aan boord van een woonarkje. Omdat hij geen aangiftebiljetten kreeg uitgereikt verkeerde hij in de veronderstelling dat hij niets met de belastingdienst ‘van doen had’. Ter zitting heeft eiser nog verklaard dat hij het geld op een Duitse bankrekening heeft gestort, enkel omdat de rente in Duitsland beduidend hoger was dan in Nederland.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het aan (voorwaardelijke) opzet van eiser is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De rechtbank overweegt daartoe dat weliswaar in brede kring bekend is dat over rente – althans tot 2001 – belasting is verschuldigd, maar dat daarmee, anders dan verweerder stelt, nog niet kan worden gezegd dat de belastbaarheid van rente-inkomsten als een feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt en dat eiser hiervan op de hoogte was. Verder heeft verweerder niet aangegeven welke positie eiser in de maatschappij inneemt, nog daargelaten dat een maatschappelijke positie van een belastingplichtige in het algemeen nog niets zegt over de wetenschap van die belastingplichtige over de belastingwetgeving. Voorts neemt de rechtbank uitdrukkelijk in aanmerking dat eiser in het verleden nooit rekening heeft gehouden met aftrekposten, hoewel eiser dergelijke aftrekposten naar eigen zeggen, en de rechtbank ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen, wel heeft betaald. Onder die omstandigheden is niet aannemelijk dat eiser willens en wetens de rente-inkomsten heeft verzwegen teneinde belastingheffing daarover te voorkomen, noch dat hij willens en wetens de reële kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Tenslotte hecht de rechtbank waarde aan de verklaring van eiser dat hij het geld op een bankrekening in Duitsland heeft gestort, enkel omdat hij daar een hogere rente kon ontvangen dan in Nederland. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de storting op een Duitse bankrekening een ander oogmerk van eiser ten grondslag lag. De omstandigheid dat de post door de Duitse bank in een neutrale envelop aan eiser werd verzonden, is daartoe onvoldoende, nu eiser ter zitting geloofwaardig heeft verklaard dat uit navraag bij de Duitse bank is gebleken dat dit de standaard handelwijze van de bank was en de toezending op die wijze dus niet op zijn verzoek plaatsvond.

De rechtbank is met verweerder wél van oordeel dat sprake is van grove schuld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser ter zitting heeft bevestigd dat hij heeft kennis genomen van de berichtgeving in de media over het feit dat de belastingdienst beschikte over gegevens van buitenlandse banktegoeden van inwoners van Nederland. Eiser heeft – naar eigen zeggen - daaraan de conclusie verbonden dat hij geen geld in het buitenland meer mocht aanhouden en dat hij daarom in 2003 zijn geld heeft overgebracht naar een Nederlandse bank. Naar het oordeel van de rechtbank had deze berichtgeving in de media voor eiser aanleiding moeten zijn om te twijfelen aan de fiscale behandeling van de rente-inkomsten en had hij informatie daarover moeten inwinnen. Dit heeft eiser echter niet gedaan. Door dit na te laten heeft eiser dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan zijn grove schuld is te wijten dat over de jaren 1994 tot en met 2000 te weinig belasting is geheven. De rechtbank zal de opgelegde verhogingen respectievelijk vergrijpboetes dan ook beperken tot 25% van de nagevorderde belasting. Voorts zijn geen andere omstandigheden gebleken die aanleiding geven deze verhogingen en boetes nog verder te matigen. De rechtbank acht een boete van 25% van de nagevorderde belasting in de omstandigheden van dit geval passend en geboden.

Het beroep is ook in zoverre gegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, omdat de rechtbank niet gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag over 1994 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar

inkomen van ƒ 54.644, met een verhoging van 25% van de nagevorderde belasting;

- vermindert de navorderingsaanslag over 1995 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar

inkomen van ƒ 56.549, met een verhoging van 25% van de nagevorderde belasting;

- vermindert de navorderingsaanslag over 1996 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar

inkomen van ƒ 57.012, met een verhoging van 25% van de nagevorderde belasting;

- vermindert de navorderingsaanslag over 1997 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar

inkomen van ƒ 57.874, met een verhoging van 25% van de nagevorderde belasting;

- vermindert de navorderingsaanslag over 1998 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar

inkomen van ƒ 55.146;

- vermindert de boete over 1998 tot 25% van de nagevorderde belasting;

- vermindert de navorderingsaanslag over 1999 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar

inkomen van ƒ 59.002;

- vermindert de boete over 1999 tot 25% van de nagevorderde belasting;

- vermindert de navorderingsaanslag over 2000 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar

inkomen van ƒ 100.523;

- vermindert de boete over 2000 tot 25% van de nagevorderde belasting;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bewaar;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.H.M. Delnooz-Engels, rechter, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier, op 6 juni 2006.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem;

dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.