Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BD5913

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-12-2006
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
148224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1) Bezwaar tegen het niet verschijnen van gewraakte rechter tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek afgewezen, omdat art.39, lid 2 Rv. geen verplichting inhoudt om op het verzoek te worden gehoord.

2) Warkingsverzoek toegewezen. Verstoorde sfeer tussen gewraakte rechter en de raadsman van verzoekers tot wraking tijdens comparitie van partijen in bodemzaak. In het midden kan blijven aan wie dat te wijten is geweest. Nu gewraakte rechter erkent dat eventuele toekomstige communicatie tussen hem en die raadsman in de bodemzaak niet meer goed zal kunnen verlopen, is de mogelijkheid ontstaan dat die rechter niet meer de volledige onpartijdigheid in de bodemzaak zal kunnen bewaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Wrakingskamer

Zaak-/rekestnummer: 148224/06-228

Datum uitspraak: 14 december 2006

Beschikking

naar aanleiding van het verzoek van

1. [verzoeker sub 1],

2. [verzoeker sub 2],

echtelieden,

beiden wonende te Vredepeel, gemeente Venray,

verzoekers,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem,

advocaat mr. P.H.W. Pennings te ’s-Hertogenbosch,

tot wraking ex artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van

[de rechter],

in zijn hoedanigheid van rechter, belast met de behandeling van de zaak onder zaak-/ rolnummer 138302/HA ZA 06-439 tussen verzoekers als eisers en de besloten vennootschap Bongers & Lemmers Bemmel B.V. alsmede de [gedaagden].

De procedure

Op 7 november 2006 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift van mr. P.H.W. Pennings, advocaat en procureur te ’s-Hertogenbosch, ingediend door de procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek, namens het [echtpaar], strekkende tot wraking van [de rechter].

[de rechter] heeft niet in de wraking berust. Hij heeft op 17 november 2006 een verweerschrift daartegen ingediend. Daarvan is een afschrift aan de beide procureurs van partijen toegezonden.

Bij brief van 24 november 2006 heeft de advocaat van gedaagden in bovengenoemde procedure, mr. E. van Houweninge Graftdijk te Rotterdam, via haar procureur gereageerd op het haar toegezonden afschrift van het wrakingsverzoek en daarbij aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is bepaald op 30 november 2006.

Op die dag is verzoekster sub 2, bijgestaan door mr. Pennings, ter terechtzitting verschenen. [de rechter] is toen niet verschenen. Hij heeft tevoren aan (het secretariaat van) de wrakingskamer te kennen gegeven niet te zullen verschijnen.

Mr. Pennings heeft aan de hand van schriftelijke opmerkingen het verzoek toegelicht.

Ten slotte is de uitspraak bepaald op heden.

De motivering van de beslissing

1. Voor de grondslag van het verzoek en de inhoud van het daartegen gevoerde verweer wordt verwezen naar het in fotokopie aan deze beschikking gehechte verzoek- en verweerschrift.

2. Verzoekers maken - naar de rechtbank begrijpt - allereerst bezwaar tegen het niet verschijnen van [de rechter] bij de mondelinge behandeling van het verzoekschrift.

Zij stellen dat het wel horen van verzoekers en het niet horen van [de rechter] niet in overeenstemming is met de wil/bedoeling van de wetgever, met name omdat daardoor de uitspraken van [de rechter] in zijn verweerschrift - waarin [de rechter] onder meer stelt

overwogen te hebben een klacht tegen de advocaat van verzoekers in te dienen bij de Deken van de Orde van Advocaten - niet kunnen worden geverifieerd.

De rechtbank verwerpt dit bezwaar. Artikel 39, lid 2 Rv. bepaalt dat de verzoeker en de gewraakte rechter in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord. Een verplichting tot dat verhoor valt in dat artikel echter niet te lezen.

3. Het wrakingsverzoek berust, kort weergegeven, op de grond dat [de rechter] tijdens de tussen eisers en gedaagden in de procedure onder bovengenoemd zaak-/ rolnummer op 26 oktober 2006 gehouden comparitie van partijen verzoekster en haar advocaat mr. Pennings op boze en emotionele wijze heeft bekritiseerd naar aanleiding van het bezwaar van mr. Pennings tegen het niet accepteren van zijn tevoren op schrift gestelde aantekeningen ten behoeve van de comparitie. Volgens verzoekers heeft [de rechter] daarbij grievende en laatdunkende opmerkingen tegen verzoekster en mr. Pennings gemaakt en geen dan wel onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van verzoekers. Naar de mening van verzoekers blijkt uit deze feiten en omstandigheden dat er serieuze en objectieve twijfel bestaat aan de onpartijdigheid van

[de rechter], althans dat [de rechter] op zijn minst hierdoor de schijn heeft gewekt niet onpartijdig te zijn.

4. [de rechter] geeft in zijn verweerschrift (onder punt 3) een andere lezing van de tijdens de comparitie voorgevallen gebeurtenissen. Hij heeft van zijn kant kritiek geuit op het tijdens de comparitie getoonde volstrekt ongepaste gedrag van mr. Pennings, die volgens [de rechter] met luide stemverheffing en getoonde verontwaardiging over de gang van zaken het roer toen heeft overgenomen.

[de rechter] besluit zijn verweerschrift (onder punt 7) met de opmerking dat hij op zichzelf de zaak in volle onpartijdigheid kan beoordelen, maar dat “met mr. Pennings aan

het eisende roer de eventuele toekomstige communicatie niet goed meer zal kunnen verlopen”. [de rechter] refereert zich aan het oordeel van de wrakingskamer.

5. Uit hetgeen verzoekers en [de rechter] naar voren hebben gebracht is voldoende komen vast te staan dat de sfeer tijdens de comparitie van partijen op 26 oktober 2006 gaandeweg verstoord is geraakt. Wat er toen precies is gebeurd c.q. aan wie dat te wijten is geweest – waarover betrokkenen van mening verschillen – kan echter in het midden worden gelaten, nu [de rechter] erkent dat eventuele toekomstige communicatie met mr. Pennings als raadsman in deze zaak niet meer goed zal kunnen verlopen. Hiermee is de mogelijkheid ontstaan dat [de rechter] in de zaak niet meer de volledige onpartijdigheid zal kunnen bewaren, zodat het wrakingsverzoek zal worden toegewezen.

De beslissing

De rechtbank, beschikkende,

wijst het verzoek tot wraking toe.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E.G. Smedema, voorzitter, I.D. Jacobs en M.J. Blaisse, rechters, en in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters in het openbaar uitgesproken op 14 december 2006.

de griffier de voorzitter