Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BD0950

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-06-2006
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
AWB 05/3769
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Premie volksverzekeringen. Eiser is niet premieplichtig voor de volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3769

Uitspraakdatum: 19 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te Cambodja, eiser,

gemachtigde [gemachtigde],

en

de inspecteur van de Belastingdienst Rivierenland/ kantoor Nijmegen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag (aanslagnummer [00].H.36) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, waarbij een premie volksverzekeringen van € 9.073 is berekend naar een premie-inkomen van € 28.850.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 september 2005 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen op 23 september 2005 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2006 te Arnhem.

Namens eiser is daar verschenen [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [gemachtigde].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser verrichtte het gehele jaar 2003 in Mali werkzaamheden voor [A] NV (hierna: [A]) voor projecten op het gebied van rurale electrificatie. Eiser woonde in 2003 in Mali. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 (hierna IB/PVV) heeft hij aangegeven recht te hebben op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting alsmede niet onderworpen te zijn aan de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen in Nederland.

Op 27 april 2005 handelt verweerder de aangifte af die resulteert in een aanslag met dagtekening 19 mei 2005. Daarin is opgenomen wegens “Vermindering wegens keuze binnenlandse belastingplicht” een bedrag van € 16.048. De vrijstelling premieheffing volksverzekeringen is niet verleend.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vragen:

- of eiser premieplichtig is voor de volksverzekeringen en

- of verweerder terecht het verzoek om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase heeft afgewezen.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de premie volksverzekeringen met € 9.073 tot nihil in verband met de vrijstelling premieheffing volksverzekeringen.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

De rechtbank overweegt dat in de aanslagfase aan eiser en [A] schriftelijk vragen zijn gesteld. Vast staat dat deze vragen door [A] niet zijn beantwoord. Partijen verschillen van mening of eiser de vragen heeft beantwoord. Eiser stelt dat hij bij brief van 1 april 2005 bedoelde vragen heeft beantwoord, verweerder ontkent genoemde brief te hebben ontvangen. Wat hiervan ook zij, verweerder heeft zonder nadere informatie op basis van de aangifte de aanslag op 27 april 2005 geregeld en daarbij blijkens de aanslag belastingvermindering verleend in verband met de omstandigheid dat eiser niet in Nederland woonachtig was en de inkomsten (kennelijk) in een ander land zouden zijn belast.

Naar verweerder ter zitting heeft verklaard had deze “Vermindering wegens keuze binnenlandse belastingplicht” niet verleend mogen worden. Eveneens heeft verweerder ter zitting verklaard dat de in de bezwaarfase verzonden vragenbrief van 25 juli 2005 onjuist is voor zover daarin is vermeld dat de vragen over het ambtenaarschap geen beantwoording behoeven.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers verzoek om premievrijstelling voor de volksverzekeringen niet te beoordelen is omdat eiser geen arbeidsovereenkomst, uitzendovereenkomst of andere overeenkomst heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij bij [A] in dienstbetrekking werkzaam is en op welke condities de uitzending naar Mali heeft plaatsgevonden. Verder heeft verweerder zich, naar de rechtbank begrijpt, ter zitting nog beroepen op artikel 7.2, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, tekst 2003, alsmede op de mogelijkheid dat de premieplicht uit een verdrag voortvloeit.

Ten aanzien van het toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge het ten tijde hier van belang geldende artikel 6 van de Wet financiering volksverzekeringen is premieplichtig voor de volksverzekeringen de verzekerde.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) en de gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, is verzekerd degene die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en ingezetene is, of geen ingezetene is doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Ingevolge het derde lid van genoemd artikel kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van – onder meer – het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.

Hieraan is uitvoering gegeven in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Besluit van 24 december 1998, Stb. 746, hierna: het Besluit). Artikel 3, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat verzekerd is de niet in Nederland wonende Nederlander, voor zover niet reeds begrepen onder artikel 2, die uit hoofde van een dienstbetrekking met een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon buiten Nederland arbeid verricht ten behoeve van die rechtspersoon, tenzij hij:

a. ten tijde van aanwerving niet in Nederland woonde;

b. buiten Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de vorenbedoelde dienstbetrekking;

c. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid; of

d. werkzaam is bij een volkenrechtelijke organisatie en op hem een regeling inzake sociale zekerheid van die

organisatie van toepassing is.

Gelet op het voorgaande wordt het toetsingskader in dit geval beheerst door artikel 6, eerste lid, van de AOW, juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit.

Anders dan verweerder heeft gesteld is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang of Nederland naar de regels van internationaal belastingrecht heffingsbevoegd is voor de inkomstenbelasting. Dit betekent immers niet dat daarmee ook de premieplicht voor de volksverzekeringen is gegeven. Ter ondersteuning verwijst de rechtbank nog naar de onderdelen 3.16 en 3.17 van de conclusie van procureur-generaal mr. C.W.M. van Ballegooijen van 29 december 2005 in de zaken met nummers 41.242 en 41.243 (LJN: AV1705 ) waaruit blijkt dat de premieplicht niet is gekoppeld aan de heffingsbevoegdheid voor de inkomstenbelasting doch daarvoor een apart toetsingskader geldt.

Niet in geschil is dat de verzekeringsplicht niet stoelt op het eerste lid van artikel 6 van de AOW, nu vast staat dat eiser het gehele jaar 2003 geen ingezetene was en evenmin in Nederland in dienstbetrekking arbeid heeft verricht.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat, bij gebrek aan gegevens, verzekeringsplicht moet worden aangenomen, hetzij op grond van artikel 3, eerste lid van het Besluit, hetzij op grond van enig verdrag. De rechtbank volgt verweerder hierin niet.

Allereerst kan niet worden gezegd dat verzekeringsplicht het gevolg is van het niet verstrekken van relevante gegevens.

Verder heeft ook verweerder ter zitting verklaard dat [A] in 2003 niet is aan te merken als een publiekrechtelijke rechtspersoon, zodat partijen hierover niet van mening verschillen.

Verweerder heeft ter zitting bestreden dat eiser een dienstbetrekking heeft met [A]. De rechtbank overweegt in dit verband dat zelfs bij gebreke van een dienstbetrekking met [A] nog allerminst vast staat dat eiser wel een dienstbetrekking zou hebben met enige Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon. Immers slechts in dat geval zou verzekeringsplicht uit artikel 3, eerste lid, van het Besluit voortvloeien. Dat eiser binnen [A] de status “ambtenaar” heeft en dat de loonheffing geschiedt volgens de loonbelastingtabellen voor ambtenaren, maakt het voorgaande evenmin anders, immers het criterium is uitsluitend of eiser in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon.

Nu op grond van de nationale regelgeving geen verzekeringsplicht en premieplicht aanwezig is, komt de vraag of Nederland op grond van enig verdrag premie mag heffen niet meer aan de orde.

Voor omkering van de bewijslast wegens schending van de informatieplicht als bedoeld in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) zoals door verweerder ter zitting bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding, reeds omdat artikel 47 van de AWR ziet op inlichtingen die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn en blijkens de tekst niet ziet op inlichtingen ter zake van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser geen verzekerde en daarmee niet premieplichtig is voor de volksverzekeringen.

Ten aanzien van de vraag of verweerder terecht de vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase heeft geweigerd overweegt de rechtbank als volgt. Nu verweerder op eisers verzoek hem de premievrijstelling volksverzekeringen had moeten verlenen moet de aanslag in zoverre worden vernietigd. Daarmee is de onrechtmatigheid van het primaire besluit gegeven welke onrechtmatigheid naar het oordeel van de rechtbank aan verweerder is te wijten. Nu eiser in het bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de kosten zal de rechtbank verweerder veroordelen in bedoelde kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). De reis- en verblijfkosten van eisers gemachtigde zijn reeds begrepen in genoemde vergoeding. Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 2003 tot een waarbij het daarin

begrepen bedrag aan premie volksverzekeringen 2003 op nihil wordt gesteld;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 805, en wijst de Staat der

Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

de griffier de rechter

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.