Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BC0490

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
AWB 05/3150 en 05/3151
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BP9743, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ6776, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overbrenging bouwkavel naar prive is terecht belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3150 en 05/3151

Uitspraakdatum: 12 juli 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Winterswijk, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1999 een aanslag (aanslagnummer [00].H96) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 58.737.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1999 een aanslag (aanslagnummer [00].W96) premie wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd, berekend naar een (maximum) premie inkomen van f 84.000.

Verweerder heeft bij de uitspraken op bezwaar van 7 juli 2005 de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij faxbericht van 17 augustus 2005 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006 te Arnhem. Beide zaken zijn gevoegd behandeld.

Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast.

Eiser heeft in 1999 eenmanszaak. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit de exploitatie van een melkveehouderij en een vleesvarkenshouderij.

In het kader van de ruilverkaveling [A] heeft eiser in 1999 zijn onderneming verplaatst van de locaties [a-straat 1] en [b-straat 1] te [R] naar de locatie [c-straat 1] te [S].

Eiser heeft 18.53.69 hectare cultuurgrond behorende bij de locaties [a-straat] en [b-straat] geruild tegen 23.89.02 hectare cultuurgrond aan de [c-straat].

De waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming van de verkregen cultuurgrond is ƒ 7.50 per m2.

In de door eiser met de (plv) Directeur Dienst Landelijk gebied gesloten overeenkomst boerderijverplaatsing (bijlage 18 bij het verweerschrift) is onder andere het volgende bepaald:

7. Tussen de verplaatser en de landinrichtingscommissie [A] zal een overeenkomst gesloten worden om het bedrijf te verplaatsen naar een locatie aan de [c-straat] te [Z] (.....).

8. De gemeente [S] heeft haar medewerking toegezegd aan het verlenen van de vergunningen die benodigd zijn voor de hervestiging van het bedrijf aan de [c-straat] te [Z] (.....).

In het kader van de ruilverkaveling verkreeg eiser de voor zijn bedrijf benodigde milieuvergunningen en het recht om een bedrijfswoning te bouwen.

Eiser heeft in 1999 op de locatie [c-straat] op 0.07.50 hectare een woning gebouwd, waarvoor op 30 maart 1999 door de gemeente [S] een bouwvergunning is afgegeven. Deze bouwvergunning voor de woning en diverse bedrijfsopstallen, was reeds aangevraagd op 16 oktober 1998.

Eiser heeft het perceel van 0.07.50 hectare (hierna: het perceel) bij verkrijging direct aangemerkt als privé-vermogen.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht een winstcorrectie heeft toegepast van ƒ 84.375, zijnde het verschil tussen ƒ 90.000 en ƒ 5.625.

4. Beoordeling van het geschil

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verschil tussen de aankoopprijs, zijnde ƒ 5.625 (ƒ 7,50 x 750m2), en de waarde in het economisch verkeer, zijnde ƒ 90.000, belast moet worden als winst uit onderneming. Immers, de verkrijging van de grond is onlosmakelijk verbonden met de activiteiten van de onderneming. Verweerder voegt daaraan toe dat ook als het perceel bij verkrijging direct tot het privé-vermogen gerekend mag worden, er nog steeds sprake is van winst uit onderneming. De onderneming heeft eiser in staat gesteld de waardestijging te realiseren, aldus verweerder.

Eiser stelt zich primair op het standpunt dat het perceel tot het keuzevermogen behoort en hij het direct bij verkrijging tot zijn privé-vermogen mocht rekenen. Daarom kan er geen sprake zijn van winst uit onderneming, aldus eiser. Subsidiair stelt eiser dat de verkrijgingsprijs van het perceel gelijk is aan de waarde in het economisch verkeer, te weten ƒ 90.000. Meer subsidiair stelt eiser dat, indien het perceel eerst tot het ondernemingsvermogen gerekend moet worden, het verschil tussen de eventueel lager dan ƒ 90.000 zijnde verkrijgingsprijs en waarde in het economisch verkeer van ƒ 90.000 onder de landbouwvrijstelling valt.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de feiten volgt dat de ruilverkaveling en de verplaatsing van eisers bedrijf, in het kader waarvan de gemeente heeft toegezegd aan eiser alle benodigde vergunningen te verlenen, zodanig met elkaar verbonden zijn, dat moet worden geoordeeld dat eiser in het kader van het drijven van de onderneming in staat werd gesteld het stuk cultuurgrond aan de [c-straat], inclusief een bouwvergunning te verkrijgen.

Onder deze omstandigheden behoort de winst die eiser heeft behaald doordat de bestemming van het perceel is gewijzigd van cultuurgrond naar bouwgrond tot de winst uit onderneming.

Niet relevant is of het perceel reeds ten tijde van de verkrijging tot eisers privé-vermogen behoorde of pas op een later tijdstip.

Met betrekking tot de vraag hoe hoog deze bestemmingswijzigingswinst is, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de feiten volgt dat eiser in het kader van de ruilverkaveling een stuk cultuurgrond heeft geruild tegen een ander stuk cultuurgrond. Niet is gebleken dat bij de vaststelling van de waarde van de door eiser verkregen cultuurgrond rekening is gehouden met het feit dat er een bouwvergunning door de gemeente [S] zal worden verleend voor de bouw van een bedrijfswoning. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat eiser het gehele stuk grond aan de [c-straat] heeft gekregen voor ? 7,50 m2, zijnde de wevab. Hieruit volgt dat de wevab van het perceel ? 5.625 is.

In 1999 heeft eiser een bouwvergunning gekregen en heeft hij de woning gebouwd. Ten gevolge daarvan is het perceel onttrokken aan het gebruik van de landbouw in eigenlijke zin. Voor de toepassing van de landbouwvrijstelling houdt dit in dat dit perceel voortaan niet meer in het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend (vgl. HR 7 mei 2004, nr. 39 751, BNB 2004/337). Het verschil tussen de wevab en de waarde in het economisch vekeer valt derhalve niet onder de landbouwvrijstelling.

Uit het vorenstaande volgt dat het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en de wevab van het perceel, zijnde ? 84.375, tot de winst moet worden gerekend.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door

mr. M.M. Bijker - Veen, mr. A.M.F. Geerling en mr. R.P. van Baaren in tegenwoordigheid van mr. J.J. Gankema, griffier op 12 juli 2006.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem;

dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.