Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BC0484

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-06-2006
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
AWB 05/3007 en AWB 05/3008
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Er is sprake van ambtshalve verzuim nu verweerder geen nader onderzoek heeft ingesteld met betrekking tot de urenspecificatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3007 en AWB 05/3008 (rectificatie)

Uitspraakdatum: 2 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord, kantoor Assen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Voor het jaar 2000 heeft verweerder aan eiseres op 23 september 2004 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [00].H07) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 28.543.

Voor het jaar 2001 heeft verweerder op dezelfde datum aan eiseres een aanslag (aanslagnummer [00].H16) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, in afwijking van de aangifte berekend naar een belastbaar inkomen van € 21.790.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 22 juni 2005 de navorderingsaanslag 2000 en de aanslag 2001 gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 16 juli 2005, ontvangen bij de rechtbank op 19 juli 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2006 te Arnhem.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Feiten

Eiseres dreef in de onderhavige jaren een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, waarbij de activiteiten bestonden uit de bemiddeling in de verhuur van recreatiebungalows gelegen op het bungalowpark “[A]” dat gelegen is op circa vijf kilometer van [Q].

In 1998 en 1999 had eiseres tien bungalows in de verhuur, in 2000 acht bungalows en in 2001 zes.

Eiseres heeft voor het jaar 1998 maandelijks een urenspecificatie bijgehouden. Deze specificatie kwam in totaal uit op 1.330 uren:

Activiteit aantal uren

Telefoon:

Boekingen en inlichtingen 610

Eigenaren bellen 22

Advertenties 30

Klanten bellen 21

Loodgieter/tuinman e.d. bellen 8

Administratie:

Advertenties 28

Betalingen door de eiseres 12

Betalingen door de huurders 11

Betalingen voor de eigenaren 48

Folders versturen incl. brievenbus 53

Boekingen 20

Bijhouden tijd voor de belastingdienst 26

Eigenaren op bezoek 15

Jaarrekening, fiscale aangiftes 30

Boodschappen 26

Nieuwe folder bespreken/mail ed. 66

Reparaties/loodgieter/tuinman 1

Rijtijden etc.:

Naar park rijtijd wisseldagen enz. 303

Totaal bestede tijd in 1998: 1.330

Voor de onderhavige jaren heeft eiseres geen urenspecificatie opgesteld.

Eiseres was vanaf 6 maart 2000 tot en met 31 juli 2001 tevens als tijdelijke leerkracht verbonden aan het [B] te [R], of aan de [C] in [R] met een omvang van 0,5385 werktijdfactor per week en enige maanden met een werktijdfactor van 0,6154 per week. Met ingang van 1 augustus 2001 is zij voor onbepaalde tijd voor 0,5385 werktijdfactor per week benoemd bij het [B] te [R].

Verweerder heeft in 2004 een boekenonderzoek ingesteld waarbij hij onder meer heeft onderzocht of eiseres, gelet op het aantal feitelijk door haar gewerkte uren, in aanmerking kwam voor de zelfstandigenaftrek. De bevindingen van het onderzoek waren voor verweerder aanleiding om de zelfstandigenaftrek te weigeren voor zowel 2000 als 2001. Voor 2000 gaat het om een correctie van ƒ 13.110 en voor 2001 om een correctie van € 6.084.

3. Geschil

Ten aanzien van het jaar 2000 is primair aan de orde of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

Voor beide jaren is in geschil of eiseres recht heeft op zelfstandigenaftrek.

4. Beoordeling van het geschil

Navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2000

Nieuw feit

Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

De gemachtigde van eiseres heeft in de bezwaarfase aangevoerd dat er geen sprake is van een nieuw feit. In het beroepschrift heeft eiseres dit argument niet herhaald, maar ter zitting heeft zij verklaard dat zij in verband met de hoge declaratie van haar gemachtigde nu zonder gemachtigde procedeert maar dat zij nog steeds van mening is dat er geen sprake is van een nieuw feit. De rechtbank heeft verweerder ter zitting in de gelegenheid gesteld om op dit punt verweer te voeren. Verweerder heeft vervolgens aangevoerd dat bij hem - doordat in de toelichting bij de aangifte het concrete aantal van 1339 uren staat vermeld - de indruk is gewekt dat eiseres voor het onderhavige jaar een urenspecificatie had bijgehouden en dat eerst bij het ingestelde boekenonderzoek het tegendeel is gebleken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 heeft eiseres een toelichting gevoegd met betrekking tot de in dat jaar aan de onderneming bestede uren. Deze toelichting luidt als volgt:

“In 2000 waren er in totaal 68 boekingen (in 1999: 63).

Het totaal aan huuropbrengsten was meer dan in 1999 en 1998 (zie rapport) en de dagen waarop gereden moest worden waren ook meer (zie data op boekingenlijst) zodat er meer kilometers gereden zijn en er ook méér tijd is gebruikt om naar het park te gaan.

De tijd voor telefoon en post verzenden was meer dan in 1999, maar ietsje minder dan in 1998. Voor de rest bleek het aantal uren gewerkt aan administratie, betalingen, eigenaarcontacten, boodschappen doen e.d. nog praktisch hetzelfde als vorig jaar.

Ik durf wel te zeggen (na 17 jaar ervaring) dat dit bijna altijd hetzelfde is. De variatie ligt alleen bij verschillen zoals inventaris-folder-vernieuwingen en meer/minder dagen waarop je naar het park moet voor het in/uitlaten, storingen en spoedmeldingen doorgeven e.d.

In 2000 is er minder tijd besteed aan vernieuwingen e.d.

Het totaal aantal gewerkte uren voor 2000 komt uit op 1339 uren.

Het allergrootste gedeelte hiervan bestaat uit werktijd op zaterdag (in/uitlaten, controle schoonmaak e.d.) zondag (de meeste administratie) en op avonden (terugbellen op ingesproken boodschappen, vanwege mijn andere werktijden) en in de schoolvakanties.

Voor een uitgebreidere specificatie verwijs ik naar de zeer gedetailleerde uitleg van 1998.”

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat indien uit de aangifte (met de bijlagen) gegevens naar voren komen die verweerder aanleiding geven - of moeten geven - om te twijfelen aan de juistheid van de aangifte, hij een onderzoek dient in te stellen (vgl. HR 19 april 1978, BNB 1978/131).

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder bij het zien van de onderhavige toelichting een nader onderzoek moeten instellen en een urenspecificatie over 2000 moeten opvragen. Nu hij dit heeft nagelaten, is er sprake van een ambtelijk verzuim, zodat er geen sprake is van een nieuw feit. Daarbij acht de rechtbank doorslaggevend dat in de toelichting uitdrukkelijk wordt verwezen naar de urenspecificatie van 1998, terwijl eiseres in de toelichting de in 2000 aan de onderneming bestede uren heeft afgezet tegen de in het jaar 1998 bestede uren. Het feit dat een concreet, niet afgerond, aantal uren is vermeld voor het jaar 2000 is, gelezen in samenhang met de geciteerde toelichting bij de aangifte, onvoldoende om aan te nemen dat eiseres de indruk heeft proberen te wekken dat ook over 2000 een gedetailleerde urenspecificatie was bijgehouden.

Op grond van het vorenstaande dient het beroep ten aanzien van de navorderingsaanslag over 2000 gegrond te worden verklaard.

Aanslag inkomstenbelasting 2001

Bij de aanslag over 2001 is de vraag naar een nieuw feit niet aan de orde, aangezien het in dat jaar niet om een navorderingsaanslag gaat, maar om een correctie die is aangebracht bij het regelen van de aanslag. Derhalve moet beoordeeld worden of eiseres in het jaar 2001 ten minste 1225 uur heeft besteed aan haar onderneming. Daarbij rust de bewijslast om dit aannemelijk te maken op eiseres.

Vast staat dat eiseres in 2001 geen gedetailleerde urenspecificatie heeft bijgehouden. Wel heeft zij het aantal wisseldagen bijgehouden en de gereden kilometers voor storingen, boodschappen, e.d.

In de beroepsprocedure heeft verweerder de specificatie van 1998 daarom tot uitgangspunt genomen en de gevonden verschillen tussen de jaren 1998 en 2001 (advertentiekosten en aantal boekingen) zo goed mogelijk proberen om te zetten in uren. Zo doende is verweerder uitgekomen op 775 uren voor 2001.

Eiseres heeft de berekening van verweerder bestreden. Zij heeft echter wel moeten toegeven dat zij in 2001 slechts 47 boekingen had, waar er in 1998 73 boekingen waren, dat haar advertentiekosten voor 2001 41,5% lager waren dan in 1998 en dat zij nog maar zes bungalows kon verhuren in plaats van de tien die zij in 1998 had. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij in 2001 dus wel minder uren zal hebben besteed aan telefoontjes voor boekingen en inlichtingen dan in 1998 en dat zij ook minder rijtijd zal hebben gehad voor de wisseldagen. Ook heeft eiseres ter zitting erkend dat zij in 2001 geen tijd heeft besteed aan het maken van een nieuwe folder, hetgeen 66 uur scheelt, en dat zij minder tijd heeft besteed aan het bijhouden van de werkzaamheden (15 in plaats van 26).

Nu eiseres geen urenspecificatie over 2001 kan overleggen en ook geen andere bewijzen heeft, nu de urenspecificatie van 1998 1330 uren vermeldt en het gezien de bovengenoemde verschillen tussen 1998 en 2001 voor de hand ligt dat er in 2001 meer dan 105 uur minder uren zijn besteed aan de onderneming dan in 1998, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk kunnen maken dat zij in 2001 aan het urencriterium heeft voldaan. Verweerder heeft de zelfstandigenaftrek over 2001 derhalve terecht gecorrigeerd.

De stelling van eiseres dat de urenspecificatie van 1998 te weinig uren vermeldde, omdat zij minder uren heeft genoteerd dan zij feitelijk werkte, kan haar niet baten, nu eiseres die stelling op geen enkele wijze aannemelijk heeft kunnen maken.

De stelling dat de hoeveelheid beltijd niet evenredig is afgenomen met het bedrag dat aan advertenties is besteed, aangezien eiseres meer in goedkopere bladen is gaan adverteren en daarop juist veel reacties kwamen, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Ook als dat juist is, zijn de verschillen tussen 1998 en 2001 namelijk zo groot dat niet aannemelijk is dat ten minste 1225 uren aan de onderneming zijn besteed. Er is dan ook geen aanleiding om de lijst van advertenties over 2001 nog bij eiseres op te vragen, zoals zij ter zitting heeft aangeboden.

Gezien het voorgaande is het beroep ten aanzien van het jaar 2001 ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt voor het jaar 2000 aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door eiseres genoemde proceskosten, te weten reiskosten, vastgesteld op € 36.

6. Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van de navorderingsaanslag over 2000, zaaknummer 05/3007:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het

vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 36, en wijst de Staat der

Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van €

37 vergoedt;

ten aanzien van de aanslag over 2001, zaaknummer 05/3008:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 2 juni 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Gankema, griffier.

De griffier De rechter

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.