Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BC0474

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
AWB 05/3970, 05/3971 en 05/3974
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen fictieve uitspraak op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang. Verweerder heeft inmiddels uitspraak op bezwaar gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-2347

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3970, 05/3971 en 05/3974

Uitspraakdatum: 21 april 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] C.S., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde [gemachtigde]

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Lelystad,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde]

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft op 25 februari 2004 aan eiseres opgelegd over het tijdvak:

- 1 januari 2000 t/m 31 december 2000 een naheffingsaanslag omzetbelasting ad

€ 6.014 verhoogd met een bedrag aan heffingsrente (aanslagnummer [00]F.01.0501), alsmede bij

beschikking een boete van € 300;

- 1 januari 2001 t/m 31 december 2001 een naheffingsaanslag omzetbelasting ad

€ 68.397 verhoogd met een bedrag aan heffingsrente (aanslagnummer [00]F.01.1501), alsmede

bij beschikking een boete van € 3.419;

- 1 januari 2002 t/m 31 december 2002 een naheffingsaanslag omzetbelasting ad

€ 36.979 verhoogd met een bedrag aan heffingsrente (aanslagnummer [00]F.01.2501), alsmede

bij beschikking een boete van € 1.848.

Na daartegen op 1 maart 2004 gemaakt bezwaar heeft eiseres op 4 oktober 2005 beroep ingesteld tegen de fictieve weigering van verweerder om uitspraak op bezwaar te doen. Op 21 oktober 2005 heeft verweerder alsnog uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij de boetes zijn komen te vervallen.

Eiseres heeft ook daartegen bij brief van 25 november 2005, ontvangen bij de rechtbank op 25 november 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2006 te Arnhem.

Gemachtigde van eiseres is daar verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde].

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op of omstreeks 26 december 2003 heeft gemachtigde namens eiseres een suppletieaangifte omzetbelasting voor het jaar 2000 ingediend.

Toen het bedrag van de belastingen op 25 februari 2004 niet op aangifte was betaald, zijn aan eiseres naheffingsaanslagen omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 t/m 31 december 2002 opgelegd, waarbij heffingsrente in rekening is gebracht. Tevens zijn boetebeschikkingen vastgesteld, waarbij verzuimboetes zijn opgelegd. De boetes zijn bij de uitspraak op bezwaar komen te vervallen.

3. Geschil

In geschil is alleen nog of eiseres de heffingsrente verschuldigd is. Verweerder heeft erkend dat niet tijdig uitspraak op bezwaar is gedaan.

4. Beoordeling van het geschil

De fictieve weigering

Nu de inspecteur eerst op 21 oktober 2005 uitspraak heeft gedaan op het door hem op 1 maart 2004 ontvangen bezwaarschrift van eiseres, heeft verweerder – gelet op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) – niet tijdig uitspraak gedaan. De rechtbank ziet daarin aanleiding om op grond van artikel 8:74, tweede lid Awb aan verweerder te gelasten het griffierecht aan eiseres te vergoeden. Nu verweerder alsnog uitspraak heeft gedaan, heeft eiseres geen belang meer bij het beroep tegen het niet tijdig doen van de uitspraak op bezwaar. Dit deel van het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Ingevolge het vierde lid van artikel 6:20 Awb wordt het beroep van eiseres mede geacht te zijn gericht tegen de inmiddels door verweerder gedane uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2005.

Het inhoudelijke geschil

In artikel 30f, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is het volgende bepaald. Met betrekking tot – onder meer - de omzetbelasting wordt heffingsrente berekend ingeval een naheffingsaanslag wordt vastgesteld “vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven, tenzij die naheffingsaanslag het gevolg is van een vrijwillige verbetering van de aangifte, welke wordt gedaan binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft”. Heffingsrente wordt volgens het slot van het tweede lid eveneens berekend indien en voor zover de in onderdeel a bedoelde belasting te laat wordt betaald, behoudens ingeval de betaling plaatsvindt binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de te laat betaalde belasting betrekking heeft.

Gezien het feit dat de suppletieaangifte is ingediend bijna drie jaar na het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft, is de rechtbank van oordeel dat er terecht heffingsrente bij deze aanslag is berekend. Tegen de hoogte van de heffingsrente heeft eiseres geen gronden gericht, zodat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat deze door verweerder juist is berekend.

De stelling dat eiseres de belasting niet kan betalen, omdat de Duitse belastingdienst in strijd met de regels in gebreke is gebleven om belastingbedragen aan haar terug te betalen, kan niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. De verschuldigdheid van de nageheven belasting wordt daarmee immers niet bestreden.

Ook hetgeen eiseres overigens aanvoert (waaronder de irritaties van gemachtigde over de wijze waarop verweerder de betalingen registreert) leidt niet tot een andere conclusie.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiseres kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen en gemachtigde geen derde is die beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van de uitspraak op

bezwaar;

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2005;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van €

276 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Munniks, griffier, op 21 april 2006.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.