Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BB8775

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
27-11-2007
Zaaknummer
AWB 05/5113
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV 2003. Motivering van de uitspraak op bezwaar. Strijd met artikel 7:12 Awb. Heffingsrente. Periode waarover heffinsgrente moet worden berekend. Parlementaire behandeling. Besluit van de Staatsecretaris van 24 oktober 2001, nr CPP2001/2110.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/5113

Uitspraakdatum: 6 juni 2006.

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag (aanslagnummer [******]) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.951. Gelijktijdig met het opleggen van die aanslag heeft verweerder bij beschikking € 160 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Eiser is tegen de in rekening gebrachte heffingsrente in bezwaar gekomen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2005 de beschikking met betrekking tot de heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 26 november 2005, ontvangen bij de rechtbank op 29 november 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2006 te Arnhem.

Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast.

Aan eiser is voor het jaar 2003 met dagtekening 22 januari 2003 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 83.653.

Met dagtekening 30 juni 2004 heeft eiser voor het jaar 2003 aangifte gedaan voor de IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.951. De aanslag is op 15 april 2005 conform de ingediende aangifte opgelegd. Daarbij is bij beschikking tevens een bedrag van € 160 aan heffingsrente vastgesteld.

De echtgenote van eiser heeft voor 2003 eveneens aangifte gedaan voor de IB/PVV. Die aangifte is gelijktijdig met de aangifte van eiser ingediend. Aan de echtgenote is vervolgens met dagtekening 28 juli 2004 een aanslag opgelegd.

Eiser heeft op 19 april 2005 bezwaar gemaakt tegen de beschikking waarbij de heffingsrente is vastgesteld.

Op 13 juli 2005 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de heffingsrente terecht in rekening is gebracht en heeft hij eiser verzocht zijn bezwaarschrift in te trekken.

Op 22 juli 2005 heeft eiser verweerder medegedeeld het bezwaar niet in te trekken en heeft verweerder verzocht uitspraak op bezwaar te doen. Verweerder heeft op 28 oktober 2005 uitspraak op bezwaar gedaan en heeft daarbij de beschikking en het bedrag aan heffingsrente gehandhaafd.

3. Geschil

Eiser betwist niet dat hij heffingsrente is verschuldigd. In geschil is de periode waarover de heffingsrente moet worden berekend. Eiser is van mening dat rente is verschuldigd over de periode 1 januari 2004 tot en met 28 juli 2004. Verweerder daarentegen handhaaft zijn standpunt dat het tijdvak loopt van 1 januari 2004 tot en met 15 april 2005.

4. Beoordeling van het geschil

De rechtbank heeft eerst de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit moet worden vernietigd omdat het niet berust op een deugdelijke motivering.

Eiser heeft gesteld dat verweerder in de bestreden uitspraak ten onrechte niet is ingegaan op zijn bezwaar dat de aanslag van zijn echtgenote reeds op 28 juli 2004 werd opgelegd en zijn eigen aanslag, ondanks de verwevenheid tussen beide aangiften, pas op 15 april 2005. Verweerder is van mening dat de uitspraak op bezwaar, in samenhang bezien met zijn brief van 13 juli 2004, voldoende is gemotiveerd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met zijn brief van 13 juli 2004 – waar in de bestreden uitspraak naar wordt verwezen – voldoende uitleg heeft gegeven over de regeling omtrent heffingsrente zoals deze in het algemeen luidt en zoals deze ook bij eiser is toegepast. De rechtbank is echter met eiser van oordeel dat verweerder in zijn motivering ten onrechte is voorbij gegaan aan het bezwaar van eiser dat zijn aanslag pas op 15 april 2005 werd opgelegd terwijl de aanslag van zijn echtgenote reeds op 28 juli 2004 werd opgelegd. Zowel in het bezwaarschrift als in de brief van 22 juli 2005 voert eiser die omstandigheid ondubbelzinnig aan als motivering van zijn bezwaar.

Op grond van artikel 7:12 van de Awb dient de beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering. De rechtbank stelt vast dat verweerder, gelet op het vorenstaande, niet aan dat vereiste heeft voldaan. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

Wel ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ingevolge artikel 30f, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB), wettekst 2003, – voor zover hier van belang – wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval van een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Ingevolge het derde lid van dat artikel wordt de heffingsrente met betrekking tot de inkomstenbelasting enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet.

De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval met dagtekening 15 april 2005 de aanslag IB/PVV over 2003 is vastgesteld en dat derhalve de periode waarover de heffingsrente wordt berekend aanvangt op 1 januari 2004 en eindigt op 15 april 2005. Dit is de periode waarover verweerder de heffingsrente heeft berekend.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of verweerder de aanslag binnen een redelijke termijn heeft vastgesteld en, indien die vraag ontkennend moet worden beantwoord, dit moet leiden tot de berekening van heffingsrente over een kortere periode.

Eiser heeft aangevoerd dat het redelijk is dat de heffingsrente over de periode 1 januari 2004 tot en met 28 juli 2004 wordt berekend, omdat het aan een fout van verweerder te wijten is dat zijn aanslag pas op 15 april 2005 is vastgesteld. Nu hij zijn aangifte IB/PVV over 2003 gelijktijdig met die van zijn echtgenote op 30 juni 2004 heeft ingediend en zijn echtgenote reeds met dagtekening 28 juli 2004 een aanslag heeft ontvangen, had verweerder ook zijn aanslag op dat moment kunnen vaststellen.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat de aanslag die de echtgenote met dagtekening 28 juli 2004 heeft ontvangen een voorlopige aanslag betreft, die via het geautomatiseerde proces is vastgesteld. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Nu – anders dan eiser stelt –voor de vaststelling van de voorlopige aanslag van de echtgenote geen inhoudelijke beoordeling van die aangifte of van de aangifte van eiser heeft plaatsgevonden, kan uitsluitend op die grond niet worden geconcludeerd dat verweerder de aanslag van eiser niet binnen redelijke termijn heeft opgelegd of dat sprake zou zijn van een fout van verweerder die vaststelling van een kortere periode waarover de heffingsrente moet worden berekend zou rechtvaardigen.

Eiser heeft verder aangevoerd dat uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel inzake de heffingsrente blijkt dat de regering de toezegging heeft gedaan dat binnen drie maanden nadat een aangifte is ingediend een definitieve of voorlopige aanslag wordt vastgesteld en dat – anders dan verweerder stelt – dit niet slechts beperkt blijft tot de gevallen waarin vóór 1 april van enig jaar de aangifte is ingediend. Eiser stelt voorts dat het besluit van de staatssecretaris niet in overeenstemming is met de parlementaire behandeling voor wat betreft de drie-maandstermijn voor het opleggen van een (voorlopige) aanslag en dus in strijd is met het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de Memorie van Toelichting van wetsvoorstel 25 051 inzake de heffingsrente (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 051, nr. 3, blz. 11) is het volgende opgemerkt:

‘Vanzelfsprekend moet worden voorkomen dat heffingsrente wordt berekend als gevolg van de enkele omstandigheid dat de inspecteur niet binnen een redelijke termijn na het indienen van de aangifte een belastingaanslag vaststelt. De opzet is daarom dat de belastingdienst vanaf 1997 binnen drie maanden nadat een aangifte is ingediend een definitieve of voorlopige aanslag zal vaststellen.’

In de Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 051, nr. 5, blz. 7) is het volgende opgemerkt:

‘Vanzelfsprekend verdient het de voorkeur dat de aanslag binnen de drie-maandsperiode meteen definitief wordt vastgesteld. Het beleid van de belastingdienst is daar ook op gericht. Dat is echter niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld omdat de aangifte aanleiding geeft tot een nader feitenonderzoek. In die gevallen wordt wel steeds een voorlopige aanslag vastgesteld. Daarbij wordt de aangifte tot uitgangspunt genomen. De aangifte hoeft dan nog niet integraal beoordeeld te zijn.’

In zijn besluit van 27 september 2000, nr. CPP2000/1945M, nadien – zonder inhoudelijke wijzigingen – vervangen door het besluit van 24 oktober 2001, nr. CPP2001/2110, heeft de staatssecretaris zijn beleid uiteengezet met betrekking tot het in rekening brengen van heffingsrente in gevallen waarin de aangifte niet binnen drie maanden is gevolgd door een voorlopige of definitieve aanslag. Zijn eigen uitlatingen tijdens de parlementaire behandeling van wetsvoorstel 25 051 wettigen volgens de staatssecretaris de conclusie dat ook wanneer een aangifte niet binnen drie maanden is gevolgd door een voorlopige of definitieve aanslag, heffingsrente in rekening kan worden gebracht.

Zoals onder meer volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 11 december 1985, BNB 1986/42 moet er, voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, onderscheid worden gemaakt tussen uitlatingen in de wetgevingssfeer en uitlatingen in de uitvoeringssfeer. Uitlatingen in de wetgevingssfeer zijn in beginsel naar hun aard niet geschikt om rechtens te honoreren vertrouwen op te wekken met betrekking tot de uitvoering van de nog tot stand te brengen wetgeving. Dit betekent dat eiser aan voormelde uitlatingen tijdens de parlementaire behandeling niet het vertrouwen kan ontlenen dat binnen drie maanden na indiening van de aangifte een (voorlopige) aanslag zal worden opgelegd.

Evenmin is de rechtbank van oordeel dat het voornoemde besluit van de staatssecretaris in strijd zou zijn met de wetgeving inzake de heffingsrente. De heffingsrente kan derhalve, ook indien de (voorlopige) aanslag wordt opgelegd na drie maanden na indiening van de aangifte, in rekening worden gebracht mits de redelijke termijn niet is overschreden. Nu de aanslag is gedagtekend 15 april 2005 is naar het oordeel van de rechtbank de redelijke termijn niet overschreden. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder een fout heeft gemaakt die een kortere periode waarover de heffingsrente moet worden berekend zou rechtvaardigen. De heffingsrente is door verweerder dan ook over de juiste periode vastgesteld.

Hetgeen eiser overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand;

-gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.H.M. Delnooz-Engels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier, op 6 juni 2006.

De rechter,

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.