Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BB1891

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-03-2006
Datum publicatie
16-08-2007
Zaaknummer
AWB 05/3795
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2008:BD5956, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen zodanig verband tussen het aangaan van de optieverplichtingen en de aankoop van de gronden dat ook de optieverplichtingen tot het ondernemingsvermogen dienen te worden gerekend. Gezien het grote financiële risico dat verbonden is aan de handel in opties kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gesproken worden over financiering van de aankoop van de gronden door middel van het aangaan van optieverplichtingen. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een situatie waarbij eiser in privé handelt c.q. belegt in effecten (opties en aandelen). De handel in effecten maakt geen onderdeel uit van zijn onderneming. Het enkele feit dat eiser een deel van de opbrengsten uit de optiehandel heeft geïnvesteerd in gronden die hij vervolgens tot zijn ondernemingsvermogen rekent, maakt niet dat door hem aangegane optieverplichtingen tot het ondernemingsvermogen gaan behoren. Het verlies met betrekking tot de handel in opties kan niet ten laste van het resultaat van de onderneming worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3795

Uitspraakdatum: 20 maart 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [U], eiser,

gemachtigde: [A],

en

de inspecteur van de Belastingdienst [/P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2001 een aanslag (aanslagnummer [1].H.16) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd over een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.277.708 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 291.873. Tevens heeft verweerder bij beschikking een verlies uit werk en woning vastgesteld van € 248.971.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 augustus 2005 het verlies uit werk en woning vastgesteld op € 261.071.

Eiser heeft tegen deze uitspraak op bezwaar bij brief van 26 september 2005, ontvangen bij de rechtbank op 27 september 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2006 te Arnhem. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C]. Eisers gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Deze pleitnota is gevoegd bij de gedingstukken. Tevens heeft eisers gemachtigde ter zitting nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op deze nader ingebrachte stukken. De reactie van verweerder en het daarop volgende schrijven van eiser zijn in het dossier gevoegd.

Vervolgens is het onderzoek ter zitting op 30 november 2006 in Arnhem hervat. Eisers gemachtigde is daar verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [D] en

[C].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Blijkens een hypotheekakte van 25 juni 1999 heeft eiser ten behoeve van de Friesland Bank N.V. (hierna: Friesland Bank) onder andere een recht van hypotheek verleend tot een bedrag van ƒ 2.800.000, te vermeerderen met renten en kosten, welke tezamen zijn begroot op

ƒ 980.000. Uit de akte blijkt dat de hypotheek is gevestigd op –samengevat- het bungalowpark “[Q]” te [R] (hierna: het bungalowpark), een woonhuis met aanhorigheden, ondergrond, bouwland en weiland aan [a-straat 1] te [S] (hierna: het woonhuis), een perceel kultuurgrond te [T], een perceel grasland te [U], een perceel landbouwgrond te [T] en een perceel bouwland te [R]. Uit de akte blijkt tevens dat eiser deze onroerende zaken in de periode van februari 1998 tot maart 1999 in eigendom heeft verkregen.

Blijkens een op 30 juni 1999 getekende akte zijn eiser en de Friesland Bank een rekening-courantovereenkomst aangegaan waarbij de Friesland Bank aan eiser een kredietfaciliteit tot ƒ 2.800.000 heeft verstrekt. In de akte is onder andere bepaald dat de kredietfaciliteit uitsluitend wordt aangewend ter voldoening van de op eniger tijd ontstane marginverplichting. Tevens is bepaald dat indien uit hoofde van de marginverplichting het krediet zou worden overschreden het meerdere dient te worden aangezuiverd en/of dat meerdere zekerheid dient te worden gesteld. Het rekeningnummer van dit krediet was [00.00.00.000].

De Friesland Bank heeft aan eiser bij brief van 16 maart 2000 meegedeeld bereid te zijn hem een krediet in rekening-courant te verstrekken ten bedrage van ƒ 5.600.000 onder de in dezelfde brief beschreven voorwaarden en bepalingen. Ten aanzien van de door eiser te verlenen zekerheid is als voorwaarde gesteld dat tot een bedrag van ƒ 2.800.000 het recht van eerste respectievelijk tweede hypotheek op een door eiser nieuw verworven respectievelijk bestaand onroerend goed wordt gevestigd. Verder is onder andere bepaald dat de ter beschikking te stellen gelden alleen mogen worden aangewend voor de aankoop van effecten en/of marginverplichtingen, dan wel onroerende zaken waarvoor eerder accoord is gegeven. Het krediet onder nr. [00.00.00.000] is hiermee komen te vervallen.

Blijkens een hypotheekakte van 2 augustus 2000 heeft eiser ten behoeve van de Friesland Bank onder andere een recht van hypotheek verleend tot een bedrag van ƒ 2.800.000, te vermeerderen met renten en kosten, welke tezamen zijn begroot op ƒ 980.000. Uit de akte blijkt dat de hypotheek is gevestigd op -samengevat- acht percelen grasland, diverse percelen grond, vier percelen weiland in diverse plaatsen en een bedrijfspand met aanhorigheden te [U] (hierna: het bedrijfspand). Eiser heeft deze onroerende zaken verkregen in de periode van september 1999 tot en met juli 2000.

Eiser is per 1 januari 2001 een onderneming gestart onder de naam [X] Agrarisch (hierna: de onderneming). Het betreft een eenmanszaak. De activiteiten van de onderneming bestaan uit het houden van biologisch rundvee.

Bij de start van de onderneming heeft eiser gronden ter waarde van € 2.752.562 en overige onroerende zaken ter waarde van € 87.366 ingebracht. Gedurende het jaar 2001 zijn er gronden aangekocht ter waarde van € 1.018.393 en overige onroerende zaken ter waarde van € 414.399.

Tevens heeft eiser optieverplichtingen tot het ondernemingsvermogen gerekend. Op de openingsbalans van de onderneming worden deze verplichtingen gewaardeerd op negatief

€ 726.767 onder de noemer effecten aan de actief zijde. Per 31 december 2001 worden de effecten gewaardeerd op negatief € 1.321.403. Dit bedrag is opgebouwd uit een post optieverplichtingen ter waarde van negatief € 1.481.387 en een post aandelen ter waarde van € 159.984. Het resultaat uit effecten bedraagt over 2001 negatief € 531.497. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Koersverlies aandelen - € 304.957

Verkoopresultaat opties € 54.440

Koersverlies opties - € 280.980

-------------

Resultaat - € 531.497

========

Dit verlies heeft eiser ten laste van de winst uit onderneming gebracht in zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2001. In totaal is door eiser een verlies uit inkomen uit werk en woning over 2001 aangegeven van € 806.632.

Met uitzondering van het bungalowpark, het woonhuis en het bedrijfspand behoren de onroerende zaken waarop ten behoeve van de Friesland Bank hypotheek was gevestigd (als hiervoor weergegeven) tot het ondernemingsvermogen.

Verweerder heeft de volgende correcties op het inkomen uit werk en woning gemaakt:

Aangegeven inkomen uit werk en woning - € 806.632

Correctie Verlies uit optieverplichtingen € 532.102

Correctie willekeurige afschrijvingen (na bezwaar) € 13.459

---------------

Gecorrigeerd inkomen uit werk en woning - € 261.071

========

3. Geschil

In geschil is:

a. het bedrag van de toe te passen willekeurige afschrijvingen;

b. of de verliezen voortvloeiende uit de optieverplichtingen ten laste van de winst uit onderneming kunnen worden gebracht. Dit geschilpunt spitst zich toe op de vraag of de optieverplichtingen verplicht tot het ondernemingsvermogen behoren dan wel of eiser de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden door de optieverplichtingen tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van geschilpunt a.

Partijen zijn ter zitting bij wijze van compromis overeengekomen dat een additioneel bedrag van € 13.459 als willekeurige afschrijvingen ten laste van de winst uit onderneming kan worden gebracht.

Gelet hierop is het beroep gegrond.

Ten aanzien van geschilpunt b.

Eiser stelt zich -samengevat- op het volgende standpunt. Hij had in 1998/1999 een woonhuis gekocht in [U]. Hij wilde voor de hobby wat dieren houden. Echter om een stal te kunnen bouwen moest er volgens de gemeentelijke voorschriften sprake zijn van een onderneming. Daarvoor was grond nodig. Eiser verwierf in de jaren vóór 1 januari 2001 de benodigde grond.

Ter financiering van die aankopen “schreef” eiser opties. Ter zake hiervan ontving eiser gelden (premies) en ontstond voor hem de verplichting om de kopers van de opties aandelen te leveren danwel van hen aandelen te kopen tegen een bepaalde prijs.

Met de ontvangen gelden kocht hij onroerende zaken, waaronder de in 2001 tot het ondernemingsvermogen behorende gronden.

De Friesland Bank was bereid medewerking te verlenen aan deze financieringsconstructie. Omdat ter zake van elke geschreven optie marginverplichtingen ontstaan werd een kredietovereenkomst gesloten met deze bank. Als zekerheid voor deze kredietfaciliteit werd ten behoeve van de bank hypotheek gevestigd op de verworven landbouwgronden.

Met het schrijven van de opties kwamen dus liquide middelen beschikbaar waarmee de landbouwgronden zijn aangekocht. De in verband hiermee ontstane schulden dienen daarom als negatief bestanddeel van het ondernemingsvermogen te worden aangemerkt.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet gebleken is van enig verband tussen de aangegane kredietfaciliteit en eisers onderneming. Verweerder wijst in dit verband op het feit dat op het gehele vermogen van eiser hypotheek is gevestigd ter zekerheid van de Friesland Bank in verband met de aangegane kredietfaciliteit. Er is geen onderscheid gemaakt tussen ondernemingsvermogen of privévermogen. Verweerder is van mening dat eiser in privé de gelden heeft ontvangen ter zake van de door hem geschreven opties. De daarbij behorende verplichtingen zijn privé-verplichtingen. Het feit dat eiser vervolgens met de ontvangen gelden gronden heeft gekocht die zijn ingebracht in de onderneming betekent niet dat daarmee de verliezen van de privé-transacties tot ondernemingsverliezen zouden leiden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Indien een schuld is aangegaan ter financiering van bezittingen, welke tot het ondernemingsvermogen worden gerekend, dient deze schuld als een negatief bestanddeel van het ondernemingsvermogen te worden aangemerkt (Hoge Raad, 3 oktober 1984, nummer 22 341, BNB 1985/57).

In casu dient de vraag beantwoord te worden of er een zodanig verband is tussen het aangaan van de optieverplichtingen en de aankoop van de gronden dat ook de optieverplichtingen tot het ondernemingsvermogen dienen te worden gerekend. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend om de hierna volgende redenen.

Eiser heeft in de loop der jaren een groot eigen vermogen opgebouwd door middel van handel in opties. Eisers gemachtigde heeft ter zitting van 30 november 2006 aangegeven dat de Friesland Bank dankzij dit grote privévermogen van eiser bereid was de kredietovereenkomst als weergegeven onder de feiten aan te gaan. Eiser heeft aangegeven dat geen enkele andere bank daartoe bereid was. De reden hiervoor is het grote financiële risico dat verbonden is aan de handel in opties. Vanwege dit grote risico kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gesproken worden over financiering van de aankoop van de gronden door middel van het aangaan van optieverplichtingen. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een situatie waarbij eiser in privé handelt c.q. belegt in effecten (opties en aandelen). De handel in effecten maakt geen onderdeel uit van zijn onderneming. Het enkele feit dat hij een deel van de opbrengsten uit de optiehandel heeft geïnvesteerd in gronden die hij vervolgens tot zijn ondernemingsvermogen rekent, maakt niet dat door hem aangegane optieverplichtingen tot het ondernemingsvermogen gaan behoren.

Met het desalniettemin toch tot het ondernemingsvermogen rekenen van zijn optieverplichtingen is eiser naar het oordeel van de rechtbank buiten de grenzen der redelijkheid getreden.

Eiser heeft ter zake van verliezen voortvloeiende uit optieverplichtingen een bedrag van

€ 531.497 ten laste van de winst uit onderneming gebracht. Verweerder heeft ter zake hiervan een correctie op de winst uit onderneming gemaakt van € 532.102.Verweerder heeft aangegeven dat het verschil tussen de beide hiervoor genoemde bedragen ad € 605, zijnde rentelasten, ten onrechte gecorrigeerd is en dat derhalve de winst uit onderneming verlaagd dient te worden met dit bedrag. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1 ).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept de verliesbeschikking en stelt het verlies uit werk en woning nader vast op

€ 275.135;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 805, en wijst de

Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde

griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 20 maart 2007

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.M. Bijker - Veen, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. R.P. van Baaren, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. M.H. Gudden, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.