Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BB1422

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-06-2006
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
AWB 05/4595, 05/4596, 05/4597 en 05/4598
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2008:BC2749, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Geen sprake van een nieuw feit. Verweerder verricht geen nader onderzoek. Ambtelijk verzuim.

WAZ. Winstcorrecties zijn niet in geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4595, 05/4596, 05/4597 en 05/4598

Uitspraakdatum: 22 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X],

wonende te [Z],

eiseres, gemachtigde [gemachtigde]

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ Oost, kantoor Winterswijk,

verweerder, gemachtigde [gemachtigde]

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2002 en 2003 navorderingsaanslagen (aanslagnummers [00].H.27 en [00].H.37) Inkomstenbelasting / Premie volksverzekeringen naar een inkomen uit werk en woning opgelegd van respectievelijk

€ 28.572 en € 30.905. Daarnaast heeft verweerder aan eiseres eveneens voor de jaren 2002 en 2003 navorderingsaanslagen (aanslagnummers [00].W.27 en [00].W.37) Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) opgelegd.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 5 oktober 2005 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 25 oktober 2005, ontvangen bij de rechtbank op

3 november 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2006 te Arnhem. De zaken zijn gevoegd behandeld. De gemachtigde van eiseres is daar verschenen, bijgestaan door de partner van eiseres, de heer [A]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres is met ingang van 1 januari 2002 met haar echtgenoot een vennootschap onder firma aangegaan, waarbij de activiteiten bestonden uit het repareren en onderhouden van auto’s. Een enkele keer wordt er ook namens een cliënt bemiddeld bij de aankoop van een auto.

Eiseres is gedurende minimaal 1225 uren per jaar werkzaam in deze onderneming.

In de aangiften Inkomstenbelasting / Premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV) over 2002 en 2003 is door eiseres de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek geclaimd.

Bij deze aangiften zijn uittreksels uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en de betreffende jaarrekeningen gevoegd. Verweerder heeft de definitieve aanslagen IB/PVV en WAZ voor 2002 en 2003 conform de aangiften opgelegd. De dagtekeningen van de aanslagen zijn respectievelijk 6 juli 2004 en 20 april 2005.

Op 11 april 2005 kondigt verweerder een boekenonderzoek aan. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek zijn de onderhavige navorderingsaanslagen, met dagtekening 25 mei 2005, opgelegd.

3. Geschil

Voor beide jaren is primair in geschil of er sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Subsidiair is in geschil of eiseres recht heeft op de zelfstandigen- en startersaftrek voor 2002 en 2003.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) – voor zover hier van belang – kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, met uitzondering van de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat uit de aangiften en de daarbij behorende bijlagen duidelijk blijkt dat er sprake is van een samenwerkingsverband tussen verbonden personen en dat dit aanleiding voor verweerder had moeten zijn om een nader onderzoek in te stellen.

Verweerder heeft gesteld dat de aangiften ingediend zijn door een accountantskantoor en een verzorgde indruk maakten. Deze aangiften, inclusief bijlagen, gaven geen aanleiding om te twijfelen aan het recht op de zelfstandigen- en startersaftrek of om daar nader onderzoek naar in te stellen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat indien uit de aangifte (met de bijlagen) gegevens naar voren komen die verweerder aanleiding geven –of moeten geven – om te twijfelen aan de juistheid van de aangifte, hij een onderzoek dient in te stellen (vgl. HR 19 april 1978, BNB 1978/131).

Verweerder heeft niet bestreden dat uit de door eiseres ingediende aangiften en de daarbij behorende bijlagen blijkt dat:

- [A] de partner van eiseres is;

- [A] mede-firmant van eiseres is; en

- dat de onderneming een garagebedrijf betreft.

Uit deze gegevens kon verweerder opmaken dat er mogelijk sprake was van een ongebruikelijk samenwerkingsverband tussen verbonden personen. Dit had aanleiding moeten zijn voor verweerder om onderzoek in te stellen naar de activiteiten van eiseres binnen de vof en de gebruikelijkheid van dit samenwerkingsverband. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een ambtelijk verzuim.

Dat de aangiften een verzorgde indruk maakten en door een accountantskantoor zijn opgesteld maakt dit niet anders.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een nieuw feit, dat kan leiden tot navordering. Het beroep ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2002 en 2003 dient daarom gegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het beroep van eiseres tegen de navorderingsaanslagen WAZ 2002 en 2003 overweegt de rechtbank als volgt.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat ook de navorderingsaanslagen WAZ 2002 en 2003 dienen te worden vernietigd om dezelfde reden waarom de navorderingsaanslagen IB/PVV 2002 en 2003 dienen te worden vernietigd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen gronden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot een inhoudelijke heroverweging van de navorderingsaanslagen WAZ 2002 en 2003. Immers de WAZ-aanslagen zijn berekend over de winst voor toepassing van de zelfstandigen- en startersaftrek, aldus verweerder.

Artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb bepaalt dat het beroepschrift de gronden van het beroep bevat. Uit het voorgaande blijkt dat namens eiseres gronden zijn aangevoerd tegen de navorderingsaanslagen WAZ 2002 en 2003. De aangevoerde gronden zijn toereikend om het beroep ontvankelijk te achten. Voormeld artikel stelt geen eisen aan de gefundeerdheid van die gronden. De omstandigheid dat voor verweerder op voorhand duidelijk is dat de gronden nooit kunnen leiden tot een gegrond beroep kan niet leiden tot een niet-ontvankelijk verklaring van dat beroep.

De navorderingsaanslagen WAZ 2002 en 2003 hebben geen betrekking op toepassing van de zelfstandigen- en startersaftrek, maar op andere winstcorrecties voortvloeiend uit het boekenonderzoek. Deze winstcorrecties zijn niet in geschil. Nu de WAZ-aanslagen zijn berekend over de winst voor toepassing van de zelfstandigen- en startersaftrek, kan het beroep van eiseres tegen de WAZ-aanslagen niet slagen.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2002 en 2003 gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2002 en 2003;

- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslagen WAZ 2002 en 2003 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.M. Bijker - Veen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Munniks, griffier op 22 juni 2006.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem;

dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.