Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BA4775

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-10-2006
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
06/2728
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Om in het kader van de verschuldigde BPM de waardevermindering ten opzichte van de catalogusprijs vast te stellen dient naar het oordeel van de rechtbank onder meer te worden uitgegaan van de waarde van de auto bij de verkoop van een wederverkoper aan een particulier en niet van de waarde bij de verkoop tussen twee particulieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0978

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2728

Uitspraakdatum: 12 oktober 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] B.V, gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Eiseres heeft op 9 november 2005 op aangifte € 15.146 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan.

Bij uitspraak op bezwaar van 31 maart 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de op aangifte voldane BPM ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak op bezwaar tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2006 te Arnhem. Namens eiseres is daar verschenen [A], bijgestaan door [B] als deskundige. Namens verweerder zijn verschenen [C], [D] en [E].

2. Feiten

Eiseres handelt in auto’s. In oktober 2005 heeft zij een BMW 525D Executive ingevoerd van Duitsland naar Nederland. De kilometerstand van deze auto bedroeg ongeveer 19.000 kilometer. De datum van eerste toelating in Duitsland was 29 maart 2005.

Op 20 oktober 2005 is de auto op verzoek van eiseres getaxeerd door [B] van [F]. In het taxatierapport is geconcludeerd dat de verkoopwaarde van de auto aan een particulier € 42.973 bedraagt.

De waardebepaling is als volgt onderbouwd:

“NL part. verkoopwaarde 70% van 60.375 = 43.254

-/- waardevermindering 3.500

+/+ restwaarde opties ca. 35% van aanschaf = 4.053

-/- spuitwerk motorkap en kofferklep 833

Reële waarde in huidige staat: 42.973

Deze waarde is gebaseerd op het feit van import, lichte schade en extra afschrijving op accessoires. Voorts is een nieuwe BMW 525D reeds leverbaar v.a. € 50.000 zonder inruil. Handelstechnisch is de auto bijna 1 bouwjaar oud”.

De getaxeerde waarde door [F] leidt tot een afschrijvingspercentage voor de berekening van BPM van 40,28.

Op verzoek van verweerder is de auto opnieuw getaxeerd door [G] BV. In het taxatierapport is geconcludeerd dat de particuliere verkoopwaarde van de auto € 57.000 bedraagt. Deze verkoopwaarde wordt in het rapport als volgt onderbouwd: “De verkoopwaarde van het voertuig zoals door ons geïnspecteerd is op basis van Nederlandse normen te stellen op een bedrag van EUR 57.000,00 incl. BTW en BPM. Met de gestelde verkoopwaarde is rekening gehouden met de algehele staat van het voertuig en de aanwezige beschadigingen”.

De getaxeerde waarde door [G] leidt tot een afschrijvingspercentage voor de berekening van BPM van 20,32.

Eiseres heeft voor de auto € 15.146 aan BPM voldaan. Dit bedrag is gebaseerd op een afschrijvingspercentage van 24, overeenkomstig het percentage van de tabel die hoort bij artikel 10, tweede lid, Wet BPM .

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze op aangifte voldane BPM.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres terecht € 15.146 aan BPM heeft voldaan. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of rekening moet worden gehouden met een hoger afschrijvingspercentage dan 24.

Eiseres bepleit een afschrijvingspercentage van 40,28 en een verschuldigde BPM van

€ 11.970.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 9, eerste lid, Wet BPM bedraagt het tarief voor de in geding zijnde auto 45,2% van de netto catalogusprijs, vermeerderd met € 328. In het derde lid van dit artikel is vermeld dat onder de netto catalogusprijs wordt verstaan de catalogusprijs verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat onder catalogusprijs wordt verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In die geadviseerde verkoopprijs is de BPM zelf niet begrepen.

In artikel 10, eerste lid, Wet BPM is bepaald dat met betrekking tot gebruikte personenauto’s het bij de personenauto behorende bedrag aan belasting, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, Wet BPM, wordt berekend met inachtneming van een vermindering. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde vermindering een percentage is van het bedrag aan belasting, welk percentage is aangegeven in tabel van dat artikel.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat de afschrijvingstabel van artikel 10 van de Wet BPM in strijd is met artikel 90 van het EG-Verdrag en om die reden buiten toepassing dient te blijven. De rechtbank wijst op het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2006, nr. 41178, LJN AY8649, en haar uitspraak van 7 april 2006, 05/1852, LJN AW5382.

Gelet op artikel 90 van het EG-Verdrag rust op verweerder de last om aannemelijk te maken dat de BPM die op de in geding zijnde ingevoerde auto rust, niet hoger is dan de resterende BPM die rust op vergelijkbare auto’s die reeds in Nederland zijn geregistreerd. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de verkoopwaarde van de in geding zijnde auto in oktober 2005 € 54.367 bedroeg, althans niet lager was dan dit bedrag, zijnde 76% van de bruto catalogusprijs.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de waardevermindering volgens de tabel van artikel 10, tweede lid, van de Wet BPM is onderbouwd door het taxatierapport van [G]. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van dit taxatierapport niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de auto niet lager was dan € 54.367. Het rapport van [G] maakt niet inzichtelijk op basis van welke overwegingen de getaxeerde waarde tot stand is gekomen. Daarbij is van belang dat het taxatierapport dat eiseres door [F] heeft laten opmaken, wel inzicht geeft in de uitgangspunten die aan de waardebepaling ten grondslag liggen. Verder is in dat rapport kenbaar rekening gehouden met de automarkt doordat is aangeven dat de verkoopwaarde van de auto mede bepaald wordt door de prijs van een nieuwe BMW 525D. In het licht van het rapport van [F] heeft verweerder met het rapport van [G] niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de auto niet lager was dan € 54.367.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de auto in oktober 2005 € 42.973 bedroeg.

In het beroepschrift heeft eiseres aangegeven dat bij de taxatie is uitgegaan van de netto particuliere verkoopwaarde welke niet is aangevuld met prijsemolumenten voor service, garantie, stalling, verkoopmedewerkers, statijd, rente etc. Ter zitting heeft de deskundige Bolsenbroek verklaard dat is uitgegaan van de waarde van de auto bij verkoop tussen twee particulieren.

Om de vergelijking tussen de oorspronkelijke catalogusprijs en de waarde per oktober 2005 te maken dient echter niet uitgegaan te worden van de verkoopwaarde tussen particulieren. Het begrip catalogusprijs is in artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM gedefinieerd als de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. Om de waardevermindering per oktober 2005 ten opzichte van de catalogusprijs vast te stellen dient dan ook uitgegaan te worden van de waarde van de auto bij de verkoop van een wederverkoper aan een particulier en niet van de waarde bij de verkoop tussen twee particulieren. In het taxatierapport is dan ook een onjuiste vergelijkingsmaatstaf gehanteerd.

In het taxatierapport van [F] is een korting van € 3.500 opgenomen. Ter zitting is verklaard dat dit de waardevermindering van de auto betreft op grond van het feit dat deze is ingevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat een waardevermindering op grond van import niet in aanmerking moet worden genomen. Het doel van het vaststellen van de verkoopwaarde is het vaststellen van de BPM die in aanmerking moet worden genomen bij de ingevoerde auto. Daarbij geldt dat de BPM op die auto overeen dient te komen met, althans niet hoger mag zijn dan, de BPM die nog rust op de waarde van een vergelijkbare auto die al in Nederland is geregistreerd. Bij de vergelijking van de verkoopwaarde per oktober 2005 met de oorspronkelijke catalogusprijs gaat het dan ook om de waarde van de auto als ware het een eerder in Nederland geregistreerde auto, derhalve een waarde waarbij met een waardevermindering als gevolg van import geen rekening wordt gehouden.

Uit het voorgaande volgt dat partijen de door hun verdedigde verkoopwaarde per oktober 2005 en verschuldigde BPM niet aannemelijk hebben gemaakt.

Op basis van de voorhanden zijnde taxatierapporten is de rechtbank van oordeel dat de particuliere verkoopwaarde van de auto per oktober 2005 vastgesteld dient te worden op

€ 47.465. Bij het vaststellen van deze waarde is in hoofdzaak uitgegaan van de informatie uit het taxatierapport van [F] aangezien de onderdelen van de taxatieopbouw door verweerder onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken.

De verkoopwaarde van de auto exclusief accessoires, bij verkoop tussen particulieren, wordt gesteld op € 42.262, zijnde 70% van € 60.375 (catalogusprijs). De verkoopwaarde van de accessoires, eveneens bij verkoop tussen particulieren, wordt gesteld op € 4.053, zijnde 35% van € 11.579 (catalogusprijs van de accessoires). Op de verkoopwaarde komen in mindering de kosten van het spuitwerk; de rechtbank neemt daarvoor in aanmerking het bedrag dat in het rapport van [G] is berekend, namelijk € 1.110. Op grond van het voorgaande bedraagt de verkoopwaarde tussen particulieren € 45.205. De rechtbank neemt voorts een opslag voor wederverkoperskosten in aanmerking, welke in goede justitie gesteld wordt op 5%, zodat de verkoopwaarde bij verkoop door een wederverkoper aan een particulier

€ 47.465 bedraagt.

Uitgaande van een catalogusprijs van in totaal € 71.954 en een verkoopwaarde van € 47.465 per oktober 2005 bedraagt het afschrijvingspercentage 34. De verschuldigde BPM bedraagt in dat geval € 13.494.

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd. De rechtbank zal onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de verschuldigde BPM vaststellen op € 13.494.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Eiseres heeft bij brief van 4 augustus 2006 vergoeding van de volgende proceskosten gevraagd: kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand door de gemachtigde [B], althans kosten voor de deskundige [B] die de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft bijgestaan, en reis- en verblijfkosten van € 16,50.

De proceskostenveroordeling vindt plaats met inachtneming van artikel 8:75 van de Awb. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) nadere regels gesteld over de kosten waarop de proceskostenveroordeling betrekking kan hebben. De mogelijkheid van een proceskostenveroordeling is beperkt tot de in artikel 1 van het Bpb opgesomde kosten. In artikel 1, onder b, van het Bpb worden de kosten van deskundigen genoemd. Volgens artikel 2, eerste lid, sub b, van het Bpb, gelezen in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, geldt voor de hoogte van het te vergoeden bedrag de Wet tarieven in strafzaken. De hoogte van de vergoeding is via artikel 3, eerste lid, onderdeel a van die wet te vinden in het Besluit tarieven strafzaken 2003 (BTSZ 2003). Daarin is bepaald dat een tarief geldt van ten hoogste € 81,23 per uur.

Uit de gedingstukken blijkt dat eiseres zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, zodat de gevorderde kosten op dit punt niet toegekend worden.

Wat betreft de kosten van de deskundige Bolsenbroek, gecertificeerd makelaar-taxateur personenautomobielen, geldt het volgende. Eiseres heeft, op basis van de voorschotnota van de deskundige, een bedrag gevorderd van € 952,00, gebaseerd op 2 dagdelen à € 400, verhoogd met 19% BTW. De rechtbank acht een tijdsbesteding van 8 uren (4 uren per dagdeel) voor het bijwonen van de zitting (inclusief de reistijd) en het voorbereiden daarvan redelijk evenals het uurtarief van € 50. De gevorderde kosten van tijdsverzuim van de deskundige komen dan ook voor vergoeding in aanmerking. De in rekening gebrachte omzetbelasting komt niet voor vergoeding in aanmerking aangezien eiseres deze kan verrekenen en de verschuldigde omzetbelasting voor haar daarom geen kostenpost vormt.

De gevorderde reis- en verblijfskosten van € 16,50 komen voor vergoeding in aanmerking.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de op aangifte verschuldigde BPM tot € 13.494 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 816,50, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 12 oktober 2006

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.J. Catsburg, in tegenwoordigheid van M. Eggink, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.