Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:BA0808

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-03-2006
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
05/3099 en 05/3100
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jaar 2001. Aanslagen IB. Artikel 3.92, eerste lid, onder a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Terbeschikkingstellingsregeling in casu niet van toepassing. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/30.10 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0588
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/3099 en 05/3100

Uitspraakdatum: 2 maart 2006.

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], eiser en [Y], eiseres,

wonende te [Z]

gemachtigde [A],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ [P],

verweerder,

gemachtigde [B]

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser over 2001 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (aanslagnummer [****] berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.496.

Verweerder heeft aan eiseres over 2001 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 75.362 en uit sparen en beleggen van € 7.865 (aanslagnummer [****]).

Zowel eiser als eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Verweerder heeft bij de uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

Eisers hebben beiden hiertegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2006 te Arnhem.

De zaken zijn gevoegd behandeld.

Eisers en verweerder zijn verschenen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

Eisers zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.

Eisers hebben een aanmerkelijk belang in een B.V. Aan deze B.V. is een pand ter beschikking gesteld, waarvan eisers eigenaar zijn.

Ter zake van dit pand ontvangen eisers huur van de B.V. op een bankrekening bij de [a-]bank met het nummer [***] (hierna: de bankrekening). De bankrekening staat op naam van eisers. Eisers betalen rente op een hypothecaire lening die is aangegaan ter financiering van het verhuurde pand en diverse kosten die betrekking hebben op dit pand. Deze betalingen worden gedaan vanaf de bankrekening.

Het positieve saldo op deze bankrekening wordt door eisers privé gebruikt.

Eisers hebben tevens een aandelenpakket waarmee in 2001 in totaal een negatief resultaat is behaald van € 75.911.

3. Het geschil

In geschil is of de bankrekening en het aandelenpakket vermogensbestanddelen zijn waarop de terbeschikkingstellingregeling van artikel 3.92 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) van toepassing is.

4.Beoordeling van het geschil

Artikel 3.92, eerste lid, onder a, van de Wet IB bepaalt dat onder werkzaamheid wordt verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voor zover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft.

Artikel 3.95 van de Wet IB verklaart een aantal artikelen uit hoofdstuk 3 van deze wet van overeenkomstige toepassing bij de bepaling van het resultaat uit een werkzaamheid, alsof de werkzaamheid een onderneming vormt.

De rechtbank is van oordeel dat alvorens toe te komen aan de bepaling van het resultaat uit een werkzaamheid en de regels die daarvoor gelden, allereerst moet worden vastgesteld of er sprake is van een werkzaamheid. In dit geval moet aan de hand van artikel 3.92, eerste lid, letter a van de Wet IB worden vastgesteld of de bankrekening en het aandelenpakket ter beschikking zijn gesteld aan de B.V.. Anders dan eisers stellen zijn de vermogensetiketteringsregels daarbij niet relevant.

Ter zake van de bankrekening volgt uit de feiten dat deze niet ter beschikking is gesteld aan de B.V.

Wat betreft het aandelenpakket heeft gemachtigde van eisers ter zitting verklaard dat het aandelenpakket geen deel uitmaakt van de overeenkomst met de [a-]bank ter zake van de financiering van het ter beschikking gestelde pand. Er is geen aflossingsverplichting bij vervreemding van (een deel van) het aandelenpakket. Uit de balans die is opgesteld in verband met het ter beschikking gestelde vermogen blijkt dat de “[a-] effecten [***]” vervreemd zijn door eisers. De opbrengst is niet gebruikt om de hypothecaire lening af te lossen.

Ook overigens hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat het aandelenpakket op enig moment ter beschikking is gesteld aan de B.V.

Nu de bankrekening en het aandelenpakket naar het oordeel van de rechtbank niet ter beschikking zijn gesteld aan de B.V., zijn het geen vermogensbestanddelen waarop artikel 3.92, eerste lid, letter a, van de Wet IB van toepassing is. Het beroep is daarom ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. M.M. Bijker-Veen, voorzitter en mrs. M.C.G.J. van Well en J.H.M. Delnooz-Engels, rechters. De beslissing is in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier, op 2 maart 2006.

De griffier De voorzitter

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem

; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.