Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ8519

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
AWB 05/2601
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Aandelenbezit wordt niet gelijkgesteld met deelneming nu het aanhouden van dat bezit niet in de lijn ligt van de normale bedrijfsuitoefening van de door eiseres gedreven onderneming. Deelnemingsvrijstelling niet van toepassing. Beroep toch gegrond omdat verweerder in de uitspraak op bezwaar heeft nagelaten om te beslissen op het verzoek van eiseres om een proceskostenvergoeding voor de kosten van het bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/2601 VPB

Uitspraakdatum: 4 januari 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] B.V.,

gevestigd te [Z], eiseres,

[gemachtigde],

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P],

verweerder,

[gemachtigde].

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het jaar 2002/2003 een aanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting berekend naar een belastbaar bedrag van € 223.975.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar van 16 juli 2005 het belastbaar bedrag verminderd tot € 75.811. Op 19 juli 2005 heeft eiseres daartegen beroep ingesteld.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartijen en behoren tot de stukken van het geding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2005 te Arnhem.

Partijen zijn daar verschenen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

Eiseres is een zogenoemde Stamrecht-B.V. De heer [A] is haar directeur en enig aandeelhouder.

Eiseres en [A] hebben op 13 juni 2002 een stamrechtovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst komen de door eiseres behaalde resultaten op aandelen grotendeels ten goede aan het stamrechtkapitaal.

In het onderhavige boekjaar heeft eiseres een resultaat van € 226.374 behaald ter zake van de in haar bezit zijnde aandelen, bestaande uit een koersresultaat van € 225.834 en een dividend van € 540. Het rendement op de aandelen over het boekjaar 2002/2003 bedroeg 470%.

De door eiseres gehouden aandelen betroffen aandelen in ter beurze genoteerde vennootschappen, met name in telecom- en technologiebedrijven. Het aandelenbezit bedroeg minder dan vijf procent van het nominaal gestorte kapitaal van de desbetreffende vennootschappen.

In haar aangifte vennootschapsbelasting voor het boekjaar 2002/2003 heeft eiseres het behaalde resultaat op de aandelen aangegeven als “positief resultaat uit deelnemingen binnenland”. Daarbij heeft eiseres zich beroepen op artikel 13, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet), aangezien het aanhouden van het aandelenbezit naar haar oordeel in de lijn ligt van haar normale bedrijfsuitoefening.

Bij het opleggen van de aanslag heeft verweerder in afwijking van de aangifte het resultaat op de aandelen tot de belastbare winst gerekend. Daarnaast heeft verweerder de door eiseres berekende oprenting van het stamrecht gecorrigeerd. Laatstgenoemde correctie is bij de uitspraak op bezwaar van 16 juli 2005 vervallen.

In deze uitspraak op bezwaar heeft verweerder zich niet uitgelaten over het in het bezwaarschrift door eiseres gedane verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

Bij brief van 25 augustus 2005 heeft verweerde alsnog een proceskostenvergoeding van € 161 aan eiseres toegekend voor de kosten van het bezwaar.

3. Het geschil

In geschil is:

1. of eiseres de aandelen heeft aangehouden in de lijn van de normale bedrijfsuitoefening van de door haar gedreven onderneming, als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet zodat op de daarmee behaalde resultaten de deelnemingsvrijstelling van toepassing is;

2. of eiseres terecht beroep heeft ingesteld tegen het ontbreken van een beslissing in de uitspraak op bezwaar op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding voor de kosten van het bezwaar.

Eiseres beantwoordt deze vragen bevestigend, verweerder ontkennend.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 13, derde lid, van de Wet wordt met een deelneming gelijkgesteld een aandelenbezit, dat geen deelneming vertegenwoordigt omdat het minder bedraagt dan vijf procent van het nominaal gestorte aandelenkapitaal van de desbetreffende vennootschap, indien het aanhouden van dat bezit in de lijn ligt van de normale uitoefening van de door de belastingplichtige gedreven onderneming.

Uit de wetsgeschiedenis vloeit voort dat aandelen slechts dan niet in de lijn van de normale bedrijfsuitoefening worden aangehouden, indien zij ter belegging worden aangehouden, dat wil zeggen uitsluitend met het oog op het verkrijgen van de waardestijging en het rendement die daarvan bij normaal vermogensbeheer kunnen worden verwacht (onder meer Hoge Raad 5 november 1997, nr. 32.137, BNB 1998/38 en 14 maart 2001, nr. 36145, BNB 2001/210).

Anders dan eiseres meent rust, bij betwisting door verweerder, op eiseres de last aannemelijk te maken dat het door haar gehouden aandelenbezit een andere functie heeft gehad dan die van waardepapieren, die worden aangehouden ter verkrijging van waardestijging en rendement, zoals bij normaal vermogensbeheer kunnen worden verwacht.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd.

De stelling van eiseres dat de aandelen werden gehouden in het kader van de uitvoering van de stamrechtverplichting doet niet aan dit oordeel af. Een zodanige functie ontneemt aan het aandelenbezit niet de functie van beleggingen in de hiervoor omschreven zin, maar daarmee wordt slechts de aanleiding tot het beleggen gegeven. De omstandigheid dat de resultaten op de aandelen grotendeels ten goede komen aan het stamrechtkapitaal en dat zowel eiseres als [A] belang hebben bij een zo hoog mogelijk rendement op de aandelen maken dit niet anders. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat van enige band tussen de onderneming van eiseres en die van de vennootschappen, waarvan zij de aandelen bezit, niet is gebleken.

Dat eiseres in het onderhavige boekjaar een rendement van 470% op de aandelen heeft behaald leidt evenmin tot een ander oordeel. Het aandelenbezit van eiseres bestond namelijk uit aandelen in zeer risicovolle bedrijven, met name in telecom- en technologiebedrijven. In dat geval kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat een rendement van 470% uitgaat boven het rendement zoals bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres de aandelen niet heeft aangehouden in de lijn van de normale bedrijfsuitoefening van de door haar gedreven onderneming, als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet zodat op de daarmee behaalde resultaten de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is. Het beroep is op dit punt ongegrond.

Voor zover het beroep zich ertegen richt dat verweerder in de bestreden uitspraak op bezwaar heeft nagelaten te beslissen op haar verzoek om een proceskostenvergoeding voor de kosten van het bezwaar, overweegt de rechtbank dat vaststaat dat eiseres in het bezwaarschrift, derhalve tijdig, daarom heeft verzocht. Tevens staat vast dat verweerder zich in de uitspraak op bezwaar niet heeft uitgelaten over dit verzoek. Verweerder heeft daardoor artikel 7:15, derde lid, tweede volzin, van de Awb geschonden. Het beroep is in zoverre gegrond. Hieraan doet niet af dat verweerder bij brief van 25 augustus 2005, dus hangende beroep, heeft toegezegd alsnog een proceskostenvergoeding van € 161 toe te kennen, wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aan de stelling van eiseres dat zij in aanmerking komt voor een hogere proceskostenvergoeding voor de kosten in bezwaar komt de rechtbank niet toe. Gemachtigde van eiseres is directeur van eiseres en op grond daarvan bevoegd eiseres in rechte te vertegenwoordigen. Van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde is dan geen sprake. Op grond hiervan is de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase ten onrechte toegekend. Nu deze echter door verweerder is toegezegd zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, omdat de rechtbank niet gebleken is dat eiseres kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het gericht is tegen het ontbreken van een beslissing op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding voor de kosten van het bezwaar;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarin niet is beslist op het verzoek tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in de bezwaarfase ten bedrage van € 161 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. M.C.G.J. van Well, rechter. De beslissing is in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier, op 4 januari 2006.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem;

dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.