Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ5873

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
449061\ VV EXPL 06-8046
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Conventionele vordering tot opzegging van de gehuurde ligplaats van woonark afgewezen. Het is in casu niet aan de kantonrechter als voorzieningenrechter om op een eventuele beslissing van de bodemrechter vooruit te lopen, nu niet valt uit te sluiten dat de bodemrechter tot het oordeel zal kunnen komen dat de gesloten huurovereenkomst niet, dan wel onder bijzondere omstandigheden opgezegd zou kunnen worden. Bovendien is van een spoedeisend belang niet gebleken.

Nu niet is gebleken dat de vrijwilligersovereenkomst een arbeidsovereenkomst is, kan de kantorechter geen oordeel geven over de reconventionele vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Tiel

zaakgegevens 449061 \ VV EXPL 06-8046 \ 51WHvE/MG

uitspraak van 4 oktober 2006

Vonnis in kort geding

in de zaak van

de vereniging Vereniging [eiseres]

gevestigd te Zaltbommel

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

gemachtigde mr. F.A. van de Kasteele

tegen

[gedaagde]

wonende te Aalst

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

gemachtigde mr. M. Weerts

1. De procedure

1.1. [eiseres] heeft na daartoe verlof te hebben verkregen [gedaagde] in kort geding gedagvaard voor de zitting van 24 augustus 2006. Beide partijen zijn op de dienende dag voor de kantonrechter verschenen, bijgestaan door hun procesgemachtigden. Beide gemachtigden hebben pleitnotities overgelegd. Bij brief d.d. 18 augustus 2006 heeft [eiseres] nog een aantal producties in het geding gebracht.

De gemachtigde van [gedaagde] heeft hetzelfde gedaan bij brief d.d. 17 augustus 2006.

De gemachtigde van [gedaagde] heeft ter zitting d.d. 24 augustus 2006 een reconventionele vordering ingesteld.

Verwezen wordt naar de aantekeningen die de griffier van de mondelinge behandeling heeft gemaakt, waaraan gehecht de pleitnotities van de beide gemachtigden en de door hen in het geding gebrachte stukken.

1.2. In overleg met partijen heeft de kantonrechter voortzetting van de mondelinge behandeling bepaald op 21 september 2006 ter plaatse, in Aalst; op voormelde datum zijn partijen wederom voor de kantonrechter verschenen en hebben zij pleitnota’s overgelegd.

1.3. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1. [eiseres] vordert op de in de inleidende dagvaarding vermelde gronden dat de kantonrechter, oordelend bij wege van voorziening, bij vonnis, uitvoerbaar verklaard bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen de ligplaats gelegen op een perceel grond van circa 16.000 m2 in het recreatiegebied ‘De Neswaarden’ gelegen te Aalst, kadastraal bekend gemeente Brakel, sectie L, nummer 1083, plaatselijk bekend Aalst aan de Zaaiwaard 1, gesitueerd aan de haveningang [eiseres]/De Neswaarden met al degene en al hetgeen wat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt binnen 14 dagen na betekening van het vonnis volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met overgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, met machtiging aan [eiseres] bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming zelf te bewerken met behulp van de sterke arm van politie en justitie, een en ander met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten.

2.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert in conventie primair tot onbevoegd-verklaring van de kantonrechter om van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen subsidiair tot afwijzing daarvan. Voorwaardelijk in reconventie vordert zij de veroordeling van [eiseres] tot betaling van het loon, conform de Wet minimumloon en minimum- vakantiebijslag onder de voorwaarde dat komt vast te staan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan wel van enige overeenkomst waarop deze wet van toepassing is.

2.3. [eiseres] heeft de voorwaardelijke reconventionele vordering van [gedaagde] betwist en concludeert tot afwijzing daarvan.

2.4. Uitgegaan wordt van de navolgende feiten:

a. [eiseres] is een vereniging die zich ten doel stelt de beoefening en de bevordering van de watersport. In dat kader huurt zij van de gemeente Zaltbommel een oppervlakte van circa 16000 m2 in het recreatiegebied

‘De Neswaarden’ gelegen te Aalst, kadastraal bekend gemeente Brakel, sectie L, nummer 1083. Zij verwijst daarbij naar een huurovereenkomst die zij heeft gesloten met de gemeente Brakel (overigens niet medeondertekend door de verhuurder).

b. [eiseres] heeft met [gedaagde] een vrijwilligersovereenkomst gesloten. In dat kader werd zij aangesteld als havenmeester. Deze vrijwilligersovereenkomst is beëindigd op 1 november 2005.

c. [gedaagde] heeft van [eiseres] een ligplaats in gebruik ten behoeve van haar woonark. Voor dat gebruik betaalt zij liggeld aan het [eiseres].

2.5. Kort samengevat heeft [eiseres] aan haar vorderingen als omschreven in de inleidende dagvaarding ten grondslag gelegd de stelling dat zij met [gedaagde] een huurovereenkomst is aangegaan met betrekking tot de hiervoor bedoelde ligplaats en dat zij deze huurovereenkomst met [gedaagde] heeft opgezegd (in het verlengde van de beëindiging van de vrijwilligersovereenkomst) en dat op deze beëindiging de

algemene regeling ex artikel.7: 228 BW van toepassing is, te weten dat de huurovereenkomst eindigt door de opzegging daarvan. In de visie van [eiseres] maakt [gedaagde] van de ligplaats gebruik zonder recht of titel.

2.6. [gedaagde] heeft de vorderingen van [eiseres] betwist. Voorts betwist zij dat er een huurovereenkomst met [eiseres] tot stand is gekomen. Zij voert in dat kader aan dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en de gemeente Zaltbommel niet is getekend door de gemeente en dat in deze huurovereenkomst staat dat het

[eiseres] niet is toegestaan om onder te verhuren. Verder voert zij aan dat zij van de gemeente Zaltbommel een ligplaatsvergunning heeft verkregen voor haar woonark.

Primair beroept zij zich op de onbevoegdheid van de kantonrechter omdat volgens de gemachtigde van [gedaagde] aan de vorderingen van [eiseres] ten grondslag ligt de stelling dat de vrijwilligersovereenkomst beëindigd is. Op die grond zou het geschil niet tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren volgens de gemachtigde van [gedaagde].

De reconventionele vordering is gebaseerd op de gedachte dat wanneer zou komen vast te staan dat de vrijwilligersovereenkomst een arbeidsovereenkomst is, dan wel een overeenkomst waarop de Wet minimumloon en vakantiebijslag van toepassing is, [gedaagde] nog aanspraak kan maken op loon.

2.7. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] af. Aan de voorwaardelijke reconventionele vordering van [gedaagde] komt hij niet toe, daar de daaraan verbonden voorwaarde niet is vervuld.

Motivering:

Voor wat betreft de bevoegdheid van de kantonrechter wordt uitgegaan van de grondslag van de vorderingen van [eiseres] zoals die overigens eerst ter zitting d.d. 24 augustus 2006 door de gemachtigde van [eiseres] is geformuleerd.

Waar nodig zal de kantonrechter de rechtsgronden waarop hij zijn beslissing baseert ambtshalve aanvullen.

Uitgegaan wordt van de stelling van [eiseres] dat er met [gedaagde] een huurovereen-komst is gesloten met betrekking tot de ligplaats in kwestie. Aan het verweer van de gemachtigde van [gedaagde], dat er geen huurovereenkomst tot stand is gekomen, omdat in de huurovereenkomst tussen [eiseres] en de gemeente Zaltbommel staat dat onderverhuur niet is toegestaan zal de kantonrechter voorbijgaan daar, nog daargelaten of met dit verweer het belang van [gedaagde] gediend zou zijn, het in dit kader door de gemachtigde van [gedaagde] aangevoerde onverlet laat dat er sprake is van een rechtsgeldige huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde].

Vast staat immers dat [gedaagde] liggeld betaalde voor de ligplaats, ook na 1 november 2005, zoals ter zitting is gebleken. Het liggeld werd/wordt verrekend met de aanspraken die [gedaagde] nog uit hoofde van de vrijwilligersovereenkomst met [eiseres] heeft. Deze ligplaats is niet te vergelijken met de overige door [eiseres] aan onder meer leden van de vereniging in gebruik gegeven ligplaatsen, daar het in dat geval gaat om pleziervaartuigen. De ligplaats die [gedaagde] in gebruik heeft, heeft onmiskenbaar een permanent karakter.

Het gaat hierbij om een fraaie woonark, in opdracht en voor rekening van [gedaagde] en haar partner nieuw gebouwd, met een aanzienlijke waarde ([gedaagde] noemt daarbij een bedrag van circa € 750.000,00) en waarvoor [gedaagde] een hypothecaire verplichting is aangegaan. Gebleken is dat [eiseres] op het verzoek van de bank van [gedaagde] – met het oog op de hypotheekaanvrage van [gedaagde] – heeft verklaard dat [gedaagde] over een ligplaatsvergunning beschikt. Formeel is het de gemeente Zaltbommel die de ligplaatsvergunning aan [gedaagde] heeft verleend. De betreffende vergunning maakt deel uit van de processtukken).

Dit (min of meer) permanente karakter van de huurovereenkomst in kwestie brengt met zich mee dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de huurovereenkomst, met name voor wat betreft de opzegging, nader ingevuld dient te worden. Niet valt uit te sluiten dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de met [gedaagde] gesloten huurovereenkomst niet, dan wel onder bijzondere omstandigheden en met inachtneming van een lange opzegtermijn, opgezegd zou kunnen worden door [eiseres]. Het is niet aan de kantonrechter als voorzieningen-rechter om op die beslissing vooruit te lopen.

Veel van wat partijen hebben aangevoerd is voor de beslissing in dit kort geding niet relevant, zoals het rechtskarakter van de vrijwilligersovereenkomst, respectievelijk de redenen die er voor [eiseres] waren om tot beëindiging van de overeenkomst te komen. [gedaagde] heeft zich kennelijk bij de beëindiging van de vrijwilligersovereen-komst neergelegd.

Daarbij komt ook nog dat er van een voldoende spoedeisend belang niet is gebleken in deze zaak. Bij gelegenheid van de voortzetting van de mondelinge behandeling ter plaatste heeft de kantonrechter waargenomen dat de opvolgende havenmeester vanuit de tijdelijk geplaatste cabine een goed zicht heeft op de haven/[eiseres].

Dat het zicht vanaf de ligplaats van [gedaagde] beter zou zijn, zal bij het oordeel dat de bodemrechter zou moeten geven over deze kwestie geen of nagenoeg geen rol spelen.

Aan de reconventionele vordering komt de kantonrechter niet toe, daar de door de gemachtigde van [gedaagde] geformuleerde voorwaarde niet is vervuld.

Geen of onvoldoende feiten zijn gesteld op grond waarvan de kantonrechter een voorlopig oordeel zou kunnen geven met betrekking tot het rechtskarakter van de als vrijwilligersovereenkomst tussen partijen gesloten overeenkomst. In dat kader is onvoldoende door de gemachtigde van [gedaagde] gesteld, nog daargelaten het spoedeisende belang dat zij bij haar, overigens onvoldoende gepreciseerde vordering, zou hebben.

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde procespartij veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

3. De beslissing

de kantonrechter,

oordelend bij wege van voorlopige voorziening:

3.1. wijst de gevorderde voorziening af;

3.2. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten tot aan deze uitspraak van [gedaagde] begroot op € 360,00 (salarisgemachtigde);

3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. W.H. van Empel en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2006.