Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ4642

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
AWB 06/3991
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorzieningen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid in het kader van de Wet WIA. Beroep op de hardheidsclausule afgewezen omdat de gevraagde voorziening (extra uren doventolk) niet incidentele activiteiten betreft, maar activiteiten die structureel onderdeel van de functie van betrokkene uitmaken. Feit dat eiseres zonder extra tolkuren de functie niet kan uitoefenen, geen bijzondere omstandigheid, dat beleid niet onverkort kan worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/3991

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.M.T. Frohn,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 21 juni 2006, uitgereikt door Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Arnhem.

2. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft verweerder het verzoek van eiseres om vergoeding van extra tolkuren afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduid besluit heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 9 februari 2006 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 20 november 2006. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Frohn voornoemd en vergezeld van een doventolk, M. Dik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.G.M. Diebels, werkzaam bij verweerder.

3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) - voor zover in dit geding van belang - kan het Uwv aan de persoon met een naar het oordeel van het Uwv structurele functionele beperking en die arbeid in dienstbetrekking verricht op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.

Ingevolge het tweede lid, onderdeel b, worden onder voorzieningen uitsluitend verstaan, intermediaire activiteiten ten behoeve van personen met een visuele, auditieve of motorische handicap.

Ten aanzien van het toekennen van genoemde voorzieningen zijn in het Reïntegratiebesluit (gepubliceerd in Staatsblad 2005, nr. 622) nadere regels gesteld.

Ingevolge artikel 7, eerste en tweede lid, van het Reïntegratiebesluit kan de voorziening als bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel b, van de Wet WIA ten hoogste worden verleend voor het aantal uren dat overeenkomt met 15 % van het aantal door de persoon met een auditieve, motorische en visuele handicap te werken uren per kalenderjaar.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Reïntegratiebesluit kan het Uwv van het in het tweede lid bedoelde percentage afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Eiseres is sinds 1 januari 2000 werkzaam als teamleider van het Audiodiversiteit en Communicatieteam bij [naam werkgever] voor 36 uren per week. Zij heeft een ernstige gehoorstoornis, waardoor zij is aangewezen op gebarentaal en spraakafzien. In haar functie geeft zij leiding aan ongeveer 20 dove, slechthorende en horende medewerkers. Zij ontvangt reeds een aantal jaren de standaardvergoeding voor een doventolk van 15 % van de taakomvang.

Eiseres stelt dat deze vergoeding, die overeenkomt met 259 tolkuren per jaar, zijnde 5 uren per week – voor haar onvoldoende is, omdat zij in haar functie veel overlegsituaties heeft. Zij heeft verzocht om een uitbreiding van deze voorziening met 11 uren per week. In verband hiermee heeft eiseres een beroep gedaan op de hardheidsclausule zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, van het Reïntegratiebesluit.

Verweerder erkent dat de huidige standaardvergoeding van tolkuren voor eiseres onvoldoende is, doch stelt zich op het standpunt dat zij niet in aanmerking komt voor een extra vergoeding, omdat de door haar verrichte functie niet als passend wordt aangemerkt. Het voeren van overleg maakt volgens verweerder een zodanig groot onderdeel uit van deze functie, dat het aantal hiervoor noodzakelijke tolkuren onevenredig groot wordt.

Verweerder baseert zijn standpunt op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 19 juni 2006. Uit dit rapport, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, komt kort gezegd naar voren dat verweerder een beleid voert dat tolkdiensten slechts worden verstrekt indien de functie voor de werknemer passend is. Daaronder wordt verstaan dat de werknemer zonder tolkvoorziening in voldoende mate de inhoudelijke of direct produktieve onderdelen van zijn werk kan doen. In een passende functie mag het moeten voeren van gesprekken geen essentieel onderdeel van de functie zijn. Tolkdiensten kunnen ter beschikking worden gesteld wanneer een werknemer in zijn persoonlijk functioneren wordt belemmerd. De hulp van de doventolk beperkt zich aldus tot het scheppen van voorwaarden waaronder de auditief gehandicapte zelf zijn taak in de werksituatie kan vervullen.

Ter zitting is namens verweerder dit beleid nog verder toegelicht. Naast de eis van de passendheid van de functie, wordt een beroep op de hardheidsclausule volgens verweerder slechts dán gehonoreerd indien het een vergoeding van extra tolkuren betreft voor incidentele activiteiten, waarvoor de standaardvergoeding niet voldoet. Hierbij moet worden gedacht aan het volgen van een cursus of het bijwonen van een congres. De hardheidsclausule is niet bedoeld voor een structurele uitbreiding van het aantal tolkuren.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 april 1992 (LJN: AK9607) is de rechtbank van oordeel dat dit beleid niet onjuist of anderszins onredelijk voorkomt, aangezien dat beleid in overeenstemming is met de strekking van het Reïntegratiebesluit. Blijkens de toelichting op artikel 7, derde lid, van het Reïntegratiebesluit kan de hardheidsclausule bijvoorbeeld worden toegepast in de situatie waarin bijscholing noodzakelijk is of tijdens een inwerkperiode. De rechtbank concludeert hieruit dat een beroep op de hardheidsclausule enkel kan worden gedaan indien het incidentele activiteiten betreft.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de extra tolkuren voor eiseres met name nodig zijn om overleg te kunnen voeren met horende collega teamleiders en haar eigen leidinggevende. Het betreft hier werkzaamheden die structureel onderdeel uitmaken van haar functie en waardoor zij een zodanig beroep moet doen op een doventolk dat daarmee de standaardvergoeding van 15 % van het aantal te werken uren per kalenderjaar wordt overschreden.

Het geding spitst zich dan ook toe op de vraag of het feit dat eiseres zonder de extra tolkvoorziening haar functie niet kan uitoefenen, een zodanige bijzondere omstandigheid oplevert, dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het beleid onverkort wordt toegepast.

Eiseres heeft in dit verband betoogd dat zij werkzaam is op een afdeling waar geestelijke gezondheidszorg wordt verleend aan mensen met een gehoorbeperking. Deze bijzonderheid maakt het volgens eiseres nuttig en zinvol dat een persoon met een gehoorbeperking aan het hoofd staat van een dergelijk team, hetgeen past in de cultuur van [naam werkgever] en voorziet in de behoeften van de medewerkers en de cliënten.

De rechtbank is gelet op de hierboven vermelde strekking van artikel 7, derde lid, van het Reïntegratiebesluit, van oordeel dat verweerder de hiervoor genoemde omstandigheid terecht niet heeft aangemerkt als zodanig bijzonder, dat zij geacht moet worden niet al bij de vaststelling van het gevoerde beleid in de overwegingen te zijn betrokken.

Verweerder heeft hierbij mogen meewegen dat de functie van eiseres gelet op de noodzakelijke uitbreiding van de tolkuren, feitelijk niet als passend kan worden beschouwd.

De rechtbank ziet geen reden om aan de in artikel 7, derde lid, van het Reïntegratiebesluit neergelegde bepaling een verdergaande strekking toe te kennen. Dat de gevraagde vergoeding jaarlijks wordt aangevraagd en beoordeeld, maakt dit niet anders, omdat het oogmerk van de gevraagde extra vergoeding, namelijk de vele overlegsituaties, niet verandert. De rechtbank volgt evenmin de stelling van eiseres dat de huidige functie wellicht niet blijvend is en dat eiseres zich nog kan ontwikkelen in een andere functie, aangezien in het onderhavige geding alleen de situatie op het moment van het bestreden besluit moet worden beoordeeld.

Ter zitting heeft eiseres nog naar voren gebracht dat een ander persoon - tevens teamleider met overlegsituaties waarvoor een doventolk noodzakelijk is - al jaren een succesvol beroep doet op de hardheidsclausule. Eiseres ziet niet in waarom in haar geval toepassing van de hardheidsclausule wordt geweigerd.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Daargelaten dat de desbetreffende persoon anoniem wenst te blijven, zodat die situatie niet met de onderhavige situatie kan worden vergeleken, heeft eiseres niet inzichtelijk gemaakt op welke gronden de voorziening aan de andere persoon is toegewezen. Dit klemt te meer nu een beroep is gedaan op de hardheidsclausule, waarvoor juist de bijzondere individuele omstandigheden relevant zijn.

Alles overwegende komt de rechtbank tot de slotsom dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: