Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ4403

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
AWB 06/3063
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Chalet op gehuurde (woonwagen)grond is een onroerende zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/627
Belastingadvies 2007/2.6
V-N 2007/24.18 met annotatie van Redactie
FutD 2006-2319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3063

Uitspraakdatum: 6 december 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres op 24 februari 2006 een naheffingsaanslag [.] overdrachtsbelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 april 2006 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 23 mei 2006, ontvangen bij de rechtbank op 24 mei 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2006 te Arnhem.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Namens verweerder is verschenen [.].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres heeft op 13 januari 2004 een huur- en koopovereenkomst gesloten, inhoudende de huur van een perceel grond, gelegen aan het adres [a-straat], te [Z] en inhoudende de aankoop van een op dit perceel bevindend verplaatsbaar chalet. De koopprijs, groot € 75.000, is daarbij schuldig gebleven. Op het moment dat eiseres de koopprijs geheel heeft betaald, heeft ze het recht om de gehuurde grond te kopen voor een alsdan marktconforme koopprijs.

De feitelijke levering van het chalet aan eiseres heeft plaatsgevonden op 1 april 2004. Blijkens de huur- en koopovereenkomst komt vanaf deze datum het chalet voor risico van eiseres.

Ter zake van de verkrijging is geen overdrachtsbelasting voldaan.

Op 24 februari 2006 heeft verweerder ter zake van de verkrijging van het chalet door eiseres een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd voor een bedrag van € 4.500, zijnde 6% van € 75.000. Tevens is € 248 aan heffingsrente in rekening gebracht.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of het chalet een onroerende zaak is in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: de Wet), zodat terzake van de verkrijging ervan overdrachtsbelasting is verschuldigd. Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend.

Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat er pas overdrachtsbelasting is verschuldigd op het moment van eigendomsovergang. Volgens eiseres is dit het moment waarop de gehele aankoopprijs is voldaan.

4. Beoordeling van het geschil

In artikel 2 van de Wet is bepaald dat overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken. Verder is bepaald dat onder verkrijging ook wordt verstaan de verkrijging van de economische eigendom. Van een dergelijke verkrijging is ondermeer sprake ingeval het risico van waardevermindering overgaat op een ander dan de eigenaar.

Eiseres is van mening dat het chalet niet als een onroerende zaak kan worden aangemerkt. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar de gemeente Tiel, de bank en de verzekeringsmaatschappij. Ook zij zouden het standpunt innemen dat het chalet als een roerende zaak dient te worden aangemerkt.

Voor de vraag of onderhavig chalet als onroerend kan worden aangemerkt, acht de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2005, BNB 2005/275, van belang. Daarin is geoordeeld dat ook chaletcaravans op gehuurde grond als onroerend kunnen worden aangemerkt. Als deze chaletcaravans naar aard en inrichting bestemd zijn op langdurig op dezelfde plaats te blijven -hetgeen in het onderhavige geval tussen partijen niet in geschil is-, brengt de enkele omstandigheid dat de chalets zijn geplaatst op gehuurde grond niet mee dat een duurzame plaatsing door de eigenaren niet zal zijn beoogd. Ook kan dit niet leiden tot de conclusie dat het chalet niet duurzaam met de grond is verenigd en derhalve geen onroerende zaak zou zijn. Het standpunt van eiseres, inhoudende dat het chalet geen onroerende zaak is omdat het op gehuurde (woonwagen-) grond staat, dient derhalve verworpen te worden.

Eiseres betaalt geen onroerende-zaakbelasting aan de gemeente Tiel. Verweerder heeft dit geverifieerd bij de gemeente en ter zitting toegelicht dat, blijkens de door de gemeente verstrekte informatie, hier invorderingstechnische redenen aan ten grondslag liggen. De gemeente heeft niet, zoals eiseres betoogt, het standpunt ingenomen dat het chalet roerend is en om deze reden geen onroerendgoedbelasting geheven. Verweerder is voor de heffing van overdrachtsbelasting niet gebonden aan het beleid dat de gemeente ter zake van onroerende-zaakbelastingen voert. Ook de omstandigheid dat zowel de bank als de verzekeringsmaatschappij het chalet als een roerende zaak aanmerkt kan niet leiden tot een ander oordeel. Verweerder is voor de begripsbepaling van onroerende zaken immers niet daaraan gebonden.

Op grond het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het chalet als een onroerende zaak in de zin van de Wet dient te worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 7 van de huur- en koopovereenkomst komt vanaf 1 april 2004 het chalet voor risico van eiseres. Aangezien hierdoor het risico op enige waardeverandering van het chalet op eiseres komt te rusten, wordt op de genoemde datum de economische eigendom van het chalet aan eiseres overgedragen.

Op grond van artikel 2 van de Wet wordt de economische eigendomsoverdracht per 1 april 2004 als een belastbaar feit voor de overdrachtsbelasting aangemerkt. De stelling van eiseres, inhoudende dat er pas overdrachtsbelasting is verschuldigd als alle termijnen zijn voldaan, dient derhalve verworpen te worden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 6 december 2006

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.J.H. van Suilen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.