Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ4232

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
05/930117-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen wordt onder andere verklaard dat verdachte geprobeerd heeft om het slachtoffer, een agent, van het leven te beroven door met een auto met grote snelheid op dat slachtoffer in te rijden. Verdachte wordt echter voor dit feit ontslagen van rechtsvervolging omdat het gedane beroep op noodweer slaagt. Promis-vonnis.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2007/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/930117-06

Datum zitting : 16 augustus 2006, 30 oktober 2006 en 28 november 2006

Datum uitspraak : 12 december 2006

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : 30 maart 1975 te [geboorteplaats],

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsvrouw : mr. M.J. Post, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij in of of omstreeks de periode van 3 mei 2006 tot en met 04 mei 2006 te

Culemborg, in elk geval in de gemeente Culemborg,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk A.M. [slachtoffer]

(brigadier van politie) van het leven te beroven, opzettelijk als bestuurder

van een (personen)auto met die (personen)auto (met grote snelheid) tegen die

[slachtoffer] ((die voor die (personen)auto stond waarin verdachte als bestuurder

zat en/of reed)) is aangereden en/of (met grote) snelheid op die [slachtoffer]

((die voor die (personen)auto stond waarin verdachte als bestuurder zat en/of

reed)) is toegereden en/of is ingereden en/of waarbij die [slachtoffer] is geraakt

door voornoemde personenauto en/of (vervolgens) hard ten val is gekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 3 mei 2006 tot en met 4 mei 2006 te

Culemborg, in elk geval in de gemeente Culemborg, aan een ambtenaar

gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in

elk geval aan een persoon genaamd A.M. [slachtoffer], opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel (een hersenschudding en/of diverse kneuzingen en/of

ribkneuzingen en/of nierschade/nierkneuzing), heeft toegebracht, door

opzettelijk als bestuurder van een (personen)auto met die (personen)auto (met

grote snelheid) tegen die [slachtoffer] ((die voor die (personen)auto stond waarin

verdachte als bestuurder zat en/of reed)) aan te rijden en/of (met grote)

snelheid op die [slachtoffer] ((die voor die (personen)auto stond waarin verdachte

als bestuurder zat en/of reed)) toe te rijden en/of in te rijden en/of

waarbij die [slachtoffer] is geraakt door voornoemde (personen)auto en/of

(vervolgens) hard ten val is gekomen;

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 3 mei 2006 tot en met 4 mei 2006 te

Culemborg, in elk geval in de gemeente Culemborg,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan een ambtenaar

gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in elk

geval om aan een persoon, te weten A.M. [slachtoffer] (brigadier van politie)

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk als

bestuurder van een (personen)auto met die (personen)auto (met grote snelheid)

tegen die [slachtoffer] ((die voor die (personen)auto stond waarin verdachte als

bestuurder zat en reed)) is aangereden en/of (met grote) snelheid op die

[slachtoffer] ((die voor die (personen)auto stond waarin verdachte als bestuurder

zat en reed)) is toegereden en/of is ingereden en/of waarbij die [slachtoffer] is

geraakt door voornoemde personenauto en/of (vervolgens) hard ten val is

gekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 3 mei 2006 tot en met 04 mei 2006 te

Culemborg, in elk geval in de gemeente Culemborg, opzettelijk heeft

mishandeld, een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige

uitoefening van zijn bediening, in elk geval een persoon, te weten A.M.

[slachtoffer] (brigadier van politie), door opzettelijk als bestuurder van een

(personen)auto met die (personen)auto (met grote snelheid) tegen die [slachtoffer]

((die voor die (personen)auto stond waarin verdachte als bestuurder zat en

reed)) aan te rijden en/of (met grote) snelheid op die [slachtoffer] ((die voor

die (personen)auto stond waarin verdachte als bestuurder zat en reed)) toe te

rijden en/of in te rijden en/of waarbij die [slachtoffer] is geraakt door

voornoemde personenauto en/of (vervolgens) hard ten val is gekomen,

tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een hersenschudding en/of

diverse kneuzingen en/of ribkneuzingen en/of nierschade/nierkneuzing), althans

enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 3 mei 2006 tot en met 4 mei 2006 te

Culemborg, in elk geval in de gemeente Culemborg,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand (markt 16) weg te nemen

een hoeveelheid fotoapparatuur en/of een hoeveelheid andere goederen en/of een

hoeveelheid geld, in elk geval een hoeveelheid geld en/of goederen, geheel of

ten dele toebehorende aan A.J.E. [naam] en/of [naam], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die plaats des

misdrijfs te verschaffen en/of daarbij voormeld(e) goed(eren) onder verdachtes

bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten

met inbrekersgereedschap naar voormeld pand is toegegaan en/of (vervolgens)

met een boor in een of meer sloten van een deur van voormeld pand heeft

geboord en/of met een breekvoorwerp tussen de deur en/of kozijn van voormeld

pand heeft gewrikt, in elk geval heeft getracht een of meer sloten van een of

meer deuren van voormeld pand en/of een of meer deuren van voormeld pand te

vernielen/forceren,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2006 tot en met 19 april 2006 te

Leidschendam, in elk geval in de gemeente Leidschendam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeeigening ((in/uit een (garage)pand

(autobedrijf Van marwijk))) heeft weggenomen een personenauto (Renault

megane/kenteken [nummer]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan W.M.[naam] en/of E.J.L.M. van [naam] en/of Autobedrijf van

[naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel ((te weten het

openbreken/forceren van een of meer sloten en/of deuren van voormeld pand

en/of (vervolgens) het met een wederrechtelijk verkregen/gestolen keycard

openen en/of (vervolgens) wegrijden met voormelde auto));

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2006 tot en met 5 mei 2006 te

Culemborg, in elk geval in de gemeente Culemborg en/of in de gemeente

Leidschendam en/of 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en / of heeft overgedragen een auto

(renault megane/[nummer]), terwijl hij/zij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist(en) althans redelijkerwijs

had(den) moeten vermoeden dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig

misdrijf was/waren verkregen;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 16 augustus 2006, 30 oktober 2006 en 28 november 2006 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte telkens verschenen en bijgestaan door mr. M.J. Post, advocaat te 's-Gravenhage.

Als benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen:

A. [slachtoffer].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij A. [slachtoffer] voor het gehele bedrag van € 3136,44 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw het verweer gevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op basis van de verklaring van verdachte , welke verklaring hij ter terechtzitting heeft bevestigd, alsmede de verklaring van het slachtoffer , kan als vaststaand worden aangenomen dat verdachte, toen hij in de auto zat, heeft gezien dat het slachtoffer zijn fiets voor de auto gooide en daarbij zelf achter zijn fiets is gaan staan. Verdachte is daarbij op enig moment gaan rijden. Verdachte heeft hierbij zelf verklaard dat hij alleen maar bezig was met wegkomen en geen moment gedacht heeft aan stoppen.

Op basis van het proces-verbaal staat ook vast dat de fiets door de auto is meegesleurd over een afstand van meer dan een kilometer. Zoals blijkt uit de verklaring van de getuige-deskundige [naam] zal een fiets door een auto die alleen rolt zonder dat gas wordt gegeven slechts een klein stukje worden meegenomen en zal de auto omhoogkomen als er flink geaccelereerd wordt. Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat de snelheid van de auto, gelet op het feit dat de fiets door de auto is meegesleurd, in de gegeven situatie als groot moet worden aangemerkt.

Nu verdachte zich ervan bewust was dat het slachtoffer zich voor de auto bevond en hij desondanks met grote snelheid is weggereden, heeft hij daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer zou raken en daarmee dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden. Hieraan doet niet af de verklaring van verdachte dat hij op het moment van wegrijden het slachtoffer niet heeft gezien.

Ook neemt de rechtbank op basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting, de verklaring van het slachtoffer alsmede op grond van de rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut aan dat verdachte met de auto het slachtoffer daadwerkelijk heeft geraakt. De genoemde optie in het NFI-rapport dat het letsel van het slachtoffer ook kan zijn ontstaan door een val op of tegen een (uitstekend) hard voorwerp of oppervlak wordt door de rechtbank verworpen, nu zich in de nabijheid van de plek waar het slachtoffer is gevonden zich niet een dergelijk voorwerp of oppervlak bevindt/heeft bevonden.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de periode van 3 mei 2006 tot en met 04 mei 2006 te

Culemborg, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk A.M. [slachtoffer]

van het leven te beroven, opzettelijk als bestuurder

van een (personen)auto met die (personen)auto met grote snelheid op die [slachtoffer]

(die voor die (personen)auto stond waarin verdachte als bestuurder zat en

reed) is toegereden en is ingereden en waarbij die [slachtoffer] is geraakt

door voornoemde personenauto en/of (vervolgens) hard ten val is gekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van 3 mei 2006 tot en met 4 mei 2006 te

Culemborg, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening uit een (bedrijfs)pand (markt 16) weg te nemen

een hoeveelheid fotoapparatuur toebehorende aan [naam], en zich daarbij de toegang tot die plaats des misdrijfs te verschaffen door middel van verbreking, te weten

met inbrekersgereedschap naar voormeld pand is toegegaan en (vervolgens)

met een boor in een of meer sloten van een deur van voormeld pand heeft

geboord terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

3.

hij in de periode van 1 maart 2006 tot en met 5 mei 2006 te

Culemborg, en/of elders in Nederland, voorhanden heeft gehad een auto

(renault megane/[nummer]), terwijl hij ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van voormeld goed wist dat deze door diefstal was verkregen;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging doodslag

Ten aanzien van feit 2:

Poging diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

Opzetheling

4b. De strafbaarheid van de feiten

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde subsidiair het verweer gevoerd dat verdachte, doordat hij beschoten werd, niet meer kon nadenken over hetgeen hij moest doen en alleen nog maar kon vluchten. Hoewel de raadsvrouw dit verweer benoemd heeft als een beroep op psychische overmacht, verstaat de rechtbank dit verweer als een beroep op noodweer/noodweer-exces. Verdachte heeft ter terechtzitting immers aangevoerd dat hij beschoten werd en weg is gereden om zijn eigen leven te redden. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De verklaring van verdachte en die van het slachtoffer over de toedracht en de volgorde van het gebeuren lopen op diverse punten uiteen. Zo heeft verdachte verklaard dat het slachtoffer toen hij voor de auto stond, zijn pistool trok, vervolgens “stop, of ik schiet” riep en meteen daarna op de auto schoot, waarna verdachte is gaan rijden. Het slachtoffer heeft echter verklaard dat toen hij zijn pistool trok en riep: “stop, of ik schiet”, verdachte al op hem afreed en hij toen heeft geschoten om verdachte te laten stoppen. Nu zich in het dossier geen steunbewijs bevindt voor ofwel de verklaring van het slachtoffer ofwel voor de verklaring van verdachte, en ook de schouw op dit punt geen duidelijkheid heeft verschaft, is niet uitgesloten dat het gegaan is zoals verdachte heeft verklaard.

Uitgaande van de verklaring van verdachte dient vervolgens de vraag beantwoord te worden of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Vast staat dat het slachtoffer verdachte betrapt heeft bij een poging tot inbraak. Verdachte heeft zichzelf daardoor in een situatie gebracht waarbij hij kon verwachten dat hij aangehouden zou kunnen worden. Gelet echter op de aard van het delict, een poging inbraak, en de mate van gevaarzettend gedrag van verdachte, hoefde verdachte niet te verwachten dat er een pistool op hem zou worden gericht en daarmee zou worden geschoten. Verdachte probeerde zich immers, door te vluchten, aan een aanhouding te onttrekken, waarbij zijn gedrag tot het moment waarop hij met de auto wegreed, voor het slachtoffer of anderen niet gevaarzettend was.

Volgens verdachte heeft het slachtoffer op het moment dat deze voor de auto stond, zijn pistool getrokken, geroepen: “stop, of ik schiet” en vervolgens direct een schot gelost, welk schot door de voorruit van de auto ging. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een ogenblikkelijke aanranding op. Uitgaande van deze omstandigheden was het slachtoffer, een politie-agent, op dat moment ook niet gerechtigd tot schieten, zodat dit handelen ook wederrechtelijk is. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat er sprake was van een noodweersituatie.

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, met andere woorden, of verdachte nog een andere optie had dan weg te rijden. Hierbij kan in het midden blijven of verdachte wist dat hij met een politie-agent van doen had, nu uitgaande van de verklaring van verdachte, er door het slachtoffer was geschoten en dit nog een keer kon gebeuren, ook al betrof het een politie-agent. De rechtbank is van oordeel dat gegeven de omstandigheden van verdachte redelijkerwijs geen andere reactie verwacht kon worden dan wegrijden. Derhalve heeft verdachte gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zichzelf.

Tot slot ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of sprake was van culpa in causa aan de zijde van verdachte. Gelet echter op hetgeen onder de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is overwogen is hiervan geen sprake. Niet gezegd kan immers worden dat verdachte zichzelf in een situatie heeft gebracht waarbij hij moest verwachten dat het slachtoffer direct op verdachte zou schieten.

Het beroep op noodweer slaagt derhalve, zodat feit 1 primair niet strafbaar is. Gezien dat het bij het onder 1 subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde gaat om hetzelfde feitencomplex, zal ook hier het beroep op noodweer slagen. De rechtbank zal verdachte terzake van feit 1 ontslaan van alle rechtsvervolging.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte ten aanzien van de feiten 2 en 3 subsidiair geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 3 november 2006; en

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 26 juli 2006, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde poging tot diefstal en opzetheling. Dergelijke feiten veroorzaken naast schade en overlast, gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verder blijkt uit het eerder aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatieregister dat verdachte reeds eerder ter zake van gekwalificeerde diefstallen en opzetheling is veroordeeld.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Op 29 november 2006 is door de meervoudige raadkamer, op grond van artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering, het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte reeds opgeheven.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de

gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij A.M. [slachtoffer] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Gelet op de overwegingen van de rechtbank bij 4b. zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet eenvoudig van aard is, aangezien met de mogelijkheid van eigen schuld van de benadeelde rekening dient te worden gehouden.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 45, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 3 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ontslaat verdachte van rechtsvervolging van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de volgende strafbare feiten:

t.a.v. feit 2: poging diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking,

t.a.v. feit 3 subsidiair: opzetheling.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij A.M. [slachtoffer], p/a [adres].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. W.J. Vierveijzer, voorzitter,

mr. J.P. Bordes, vice-president,

mr. G. Perrick, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2006.