Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ4048

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
08-12-2006
Zaaknummer
135496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak dient te worden beslist aan wie het onder de notaris berustende depotbedrag toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 135496 / HA ZA 06-8

Vonnis van 18 oktober 2006

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster tot opneming in rangregeling,

tegenspreekster van de aanspraak van [verzoekster],

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

2. [verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster tot opneming in rangregeling,

tegenspreekster van de aanspraak van ABN AMRO Bank N.V.,

procureur mr. L. Paulus,

tegen

[gedaagde],

voorheen wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ABN AMRO Bank, [verzoekster] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van 22 december 2005

- de conclusie in rangregeling van ABN AMRO Bank

- de antwoordconclusie in rangregeling van [verzoekster].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [verzoekster] en [gedaagde] zijn in gemeenschap van goederen met elkander gehuwd geweest. Die huwelijksgoederengemeenschap is per 10 juli 2002 geëindigd. Op 26 september 2002 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 11 november 2002 ingeschreven in de daarvoor bestemde registers. Bij vonnis van 28 november 2002 van die rechtbank is de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap verdeeld.

2.2. ABN AMRO Bank heeft op 14 mei 1997 conservatoir beslag laten leggen op een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats], die in eigendom toebehoorde aan [gedaagde].

2.3. Bij vonnis van 7 december 2000 heeft deze rechtbank een vordering van ABN AMRO Bank jegens [verzoekster] en [gedaagde] toegewezen voor wat betreft [gedaagde] tot een bedrag van ƒ 67.654,90 vermeerderd met rente en kosten als in dat vonnis vermeld, en afgewezen voor wat betreft [verzoekster]. Die vordering kwam voort uit een rekening-courantverhouding tussen ABN AMRO Bank, [verzoekster] en [gedaagde].

2.4. ABN AMRO Bank heeft dat vonnis aan [gedaagde] betekend en de openbare verkoop aangezegd. De bovengenoemde woning is onderhands verkocht voor een bedrag van € 199.500,00. Na de betaling van de vorderingen van de eerste en tweede hypotheekhouder en van de executoriaal beslaglegger de Belastingdienst Particulieren [woonplaats] en na verrekening van de veilingkosten en van lasten resteert een bedrag van € 49.235,80, dat in depot berust onder notaris Zegger te [woonplaats].

3. Het geschil

3.1. ABN AMRO Bank vordert – samengevat – dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat aan haar toekomt het depotbedrag van € 49.235,80 althans € 41.047,50, vermeerderd met rente.

3.2. [verzoekster] vordert – samengevat – dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat aan haar toekomt en depotbedrag van € 49.235,80 althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In deze zaak dient te worden beslist aan wie het onder de notaris berustende depotbedrag toekomt, aan ABN AMRO Bank of aan [verzoekster].

4.2. Ingevolge het vonnis van 7 december 2000 van deze rechtbank, bedoeld in r.ov. 2.3, is uitsluitend [gedaagde] en niet [verzoekster] aansprakelijk voor de schuld aan ABN AMRO Bank. Van verknochtheid van die schuld aan [gedaagde] is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Die verknochtheid volgt, anders dan [verzoekster] stelt, ook niet uit het vonnis van 7 december 2000, waarin daaromtrent niets is beslist. Die schuld behoort tot de huwelijksgoederengemeenschap die toentertijd tussen [gedaagde] en [verzoekster] bestond. Artikel 1:95 lid 1 BW bepaalt dat voor een dergelijke schuld zowel de goederen van de gemeenschap als de eigen goederen van [gedaagde] kunnen worden uitgewonnen.

4.3. De huwelijksgoederengemeenschap tussen [verzoekster] en [gedaagde] is per 10 juli 2002 ontbonden. De verdeling heeft plaatsgevonden bij vonnis van 28 november 2002. ABN AMRO Bank stelt dat deze verdeling nietig is aangezien zij als schuldeiser niet bij deze verdeling is betrokken. Dat laatste wordt door [verzoekster] erkend. De rechtbank oordeelt dat dit volgens artikel 3:195 BW de nietigheid van de verdeling tot gevolg heeft.

4.4. Door deze nietigheid wordt de verdeling geacht nimmer te hebben plaatsgevonden, zodat de ontbonden gemeenschap nog bestaat. Ingevolge artikel 1:100 lid 2 BW heeft ABN AMRO Bank het recht zich te verhalen op de goederen van de huwelijksgoederengemeenschap. Dit is in zoverre niet in strijd met het vonnis van 7 december 2000 dat het feit dat [verzoekster] volgens dat vonnis niet aansprakelijk is voor de schuld uit de rekening courantverhouding, het wettelijk recht op verhaal van ABN AMRO Bank in beginsel onverlet laat.

4.5. De rechtbank is echter van oordeel dat verhaal door ABN AMRO Bank op de goederen van de huwelijksgoederengemeenschap in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Ingevolge artikel 6:2 lid 2 BW is de regel dat ABN AMRO Bank zich op die goederen kan verhalen, in het onderhavige geval dan ook niet van toepassing. De rechtbank licht dit als volgt toe. In het vonnis van 7 december 2000 is in r.ov. 2.8 tot en met 2.10 de beslissing dat [verzoekster] niet aansprakelijk is voor de rekening courantschuld aan ABN AMRO Bank, als volgt gemotiveerd:

2.8. De heer Tak heeft ter comparitie verklaard dat hij over deze zaak geen contact heeft gehad met [verzoekster]. Het had echter op de weg van de bank gelegen te onderzoeken op (bedoeld is: of, rechtbank) [verzoekster] zich ook hoofdelijk aansprakelijk wilde stellen voor de onderhavige schuld. Hier is namelijk geen sprake van een normale overstand, maar het verstrekken van een krediet voor een specifiek doel aan O.R. de Miranda. Onder deze omstandigheden mocht de bank er in redelijkheid niet vanuit gaan dat de hoofdelijke aansprakelijkstelling van [verzoekster] zich ook over de onderhavige schuld uitstrekte.

2.9. Anders dan de bank kennelijk meent, had zij, in aanmerking genomen haar bijzondere zorgplicht jegens [verzoekster] en het feit dat de rekening-courantverhouding met [gedaagde] c.s. dateert van 1972, er niet zonder meer van mogen uitgaan dat [verzoekster], omdat de toegezonden bankafschriften mede op haar naam gesteld waren, wel op de hoogte zou zijn van de verstrekte bedragen en de mogelijke gevolgen die het krediet voor haar zou kunnen hebben alsmede dat zij er in toestemde hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de terugbetaling van dit krediet.

2.10. Nu de bank dit onderzoek niet heeft uitgevoerd, moet het door de bank jegens [verzoekster] geldend maken van haar contractuele rechten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht. De vordering jegens [verzoekster] zal dan ook worden afgewezen.

Op deze hiervoor geciteerde gronden acht de rechtbank verhaal door ABN AMRO Bank op de goederen van de huwelijksgoederengemeenschap in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Een andere uitkomst zou tot resultaat hebben dat ABN AMRO Bank haar vordering, waarvoor [verzoekster] niet aansprakelijk is, ten detrimente van [verzoekster] zou kunnen verhalen op de goederen van de huwelijksgoederengemeenschap. Zulks moet in strijd worden geacht met de strekking van het vonnis van 7 december 2000, dat tussen partijen kracht van gewijsde heeft. Dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in deze procedure geen rol zouden mogen spelen gezien het vonnis van 7 december 2000 – zo begrijpt de rechtbank althans het standpunt van ABN AMRO Bank –, vermag de rechtbank niet in te zien.

4.6. ABN AMRO Bank heeft de vordering van [verzoekster] op [gedaagde] op zichzelf niet weersproken. Evenmin heeft ABN AMRO Bank weersproken dat [verzoekster] zich op zichzelf, dus daargelaten de door ABN AMRO Bank zelf gepretendeerde aanspraken, op het depotbedrag kan verhalen.

4.7. De rechtbank zal op grond van het bovenstaande de vordering van [verzoekster] toewijzen en die van ABN AMRO Bank afwijzen.

4.8. De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking.

4.9. ABN AMRO Bank zal worden veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [verzoekster]. Analoog aan een “normale” bodemprocedure zal voor de berekening van het salaris procureur aan het verzoekschrift tot indiening van de vordering, de mondelinge behandeling op 1 november 2005 en de antwoordconclusie in rangregeling telkens 1 punt wordt toegekend, zodat de rechtbank dat salaris zal begroten op een bedrag gelijk aan 3 punten van het toepasselijke liquidatietarief (tarief IV). De proceskosten worden begroot op:

vast recht € 61,00

in debet gesteld vast recht € 183,00

salaris procureur € 3.576,00

totaal € 3.820,00

Omdat [verzoekster] procedeert op basis van een toevoeging, zal ABN AMRO Bank deze kosten dienen te voldoen door betaling aan de griffier.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat het depotbedrag van € 49.235,80, vermeerderd met de inmiddels daarover gekweekte rente, toekomt aan [verzoekster],

5.2. veroordeelt ABN AMRO Bank in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van [verzoekster] en tot aan dit vonnis begroot op € 3.820,00, te voldoen aan de griffier door overmaking naar rekeningnummer 19.23.25.752 ten name van Arrondissement 533 Arnhem onder vermelding van “proceskostenveroordeling” en het zaak- en rolnummer,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2006.