Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ4024

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
08-12-2006
Zaaknummer
143640
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omdat gedaagde sub 2 niet heeft voldaan aan de bewijsaandraagplicht van artikel 128, vijfde lid, van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, wordt zij bevolen om aan de rechtbank en de wederpartij schriftelijk mededeling te doen van de bewijsmiddelen waarover zij kan beschikken ter staving van de gronden van het gevoerde verweer, en van de getuigen die zij daartoe kan doen horen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 143640 / HA ZA 06-1358

Vonnis van 11 oktober 2006

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUW- EN EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ "'T LAAKSCHE HOOGH" B.V.,

gevestigd te Driel, gemeente Overbetuwe,

eiseres,

procureur mr. J.E. Brands,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eigennaam] [woonplaats] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. A.P.J. Blokland,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eigennaam] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.

Partijen zullen hierna ’t Laaksche Hoogh, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusies van antwoord.

1.2. Vervolgens heeft de rolrechter de zaak aangehouden om te beslissen of een comparitie zal worden gelast.

2. De overwegingen

2.1. De rechtbank zal een comparitie van partijen bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij kan de mogelijkheid van doorverwijzing naar een mediator aan de orde komen.

2.2. De comparitie zal niet in het gerechtsgebouw worden gehouden, maar op de hierna te vermelden plaats.

2.3. Omdat [gedaagde sub2] niet heeft voldaan aan de bewijsaandraagplicht van artikel 128, vijfde lid, van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, wordt zij bevolen om uiterlijk op 25 oktober 2006 aan de rechtbank en de wederpartij schriftelijk mededeling te doen van de bewijsmiddelen waarover zij kan beschikken ter staving van de gronden van het gevoerde verweer, en van de getuigen die zij daartoe kan doen horen.

2.4. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

2.5. De partijen wordt verzocht de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen, uiterlijk op 25 oktober 2006 in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden.

2.6. ’t Laaksche Hoogh wordt verzocht uiterlijk 25 oktober 2006 in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden de factuur van [betrokkene 1] en zo mogelijk het rapport van [betrokkene 2]. Voorts wordt ’t Laaksche Hoogh verzocht partijen en de rechtbank duidelijke (kleuren)afdrukken van de bij het rapport van Heijm - de Heer B.V. gevoegde fotobladen toe te zenden.

2.7. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen.

2.8. De rechtbank acht onderzoek door een deskundige tijdens de comparitie ter plaatse nodig naar de hierna te noemen vragen. Als deskundige om dit onderzoek te verrichten zal de hierna te noemen persoon benoemd worden.

2.9. Aan de hand van de opgave van de deskundige wordt het voorschot op zijn loon en kosten, inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting, bepaald op € 1.000,00. Partijen hebben ermee ingestemd dat zij ieder de eenderde deel van dit voorschot, te weten € 333,34, ter griffie zullen deponeren.

2.10. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. In het rapport dat door [betrokkene 3], raadgevend ingenieursbedrijf Heijm-de Heer B.V., gedateerd 7 mei 2004, betreffende de op 29 maart 2004 uitgevoerde visuele inspectie, wordt schade gemeld aan het kantoorpand [naam] aan de [adres] te [woonplaats]. Is deze schade nog aanwezig?

2. Kan de schade, indien aanwezig, mede gelet op het door Hans van de Ven, Interpolis Expertise dienst Brand / Varia, opgestelde rapport, gedateerd 11 juli 2006, (deels) worden toegeschreven aan de in opdracht van en door gedaagden verrichte sloopwerkzaamheden.

3. Gesteld wordt dat door de trillingen veroorzaakt door de sloopwerkzaamheden schilderijen van de muur zijn gevallen en een railsysteem van het plafond is losgekomen. Zijn deze gebeurtenissen, indien bewezen, een indicatie voor de krachten die trillingen, veroorzaakt door de sloopwerkzaamheden, hebben uitgeoefend op de constructie van het pand.

4. Wat is de meest aangewezen methode van herstel van deze schade, indien aanwezig, en hoeveel bedragen de kosten.

5. Welke andere feiten en omstandigheden, genoemd in voormelde rapporten, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak.

3.2. benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

[betrokkene 5]

3.3. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

3.4. bepaalt dat ’t Laaksche Hoogh zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op 25 oktober 2006 (kopieën van) de overige processtukken en - voor zover mogelijk - de andere door de deskundige noodzakelijk geachte stukken aan de deskundige zal doen toekomen,

3.5. bepaalt dat ’t Laaksche Hoogh, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub2] ieder zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op 25 oktober 2006 als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige € 333, 34 ter griffie van deze rechtbank dienen te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 19.23.25.752 ten name van Arrondissement 533 Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen,

3.6. bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

3.7. bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter-plaatsvervanger mr. J.J.H. van Laethem,

3.8. bepaalt dat de deskundige na afloop van de comparitie van partijen zijn declaratie ter griffie zal indienen onder vermelding van het zaak- en rolnummer,

3.9. bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

3.10. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, in aanwezigheid van de deskundige voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J.J.H. van Laethem in het kantoorpand van ’t Laaksche Hoogh te [woonplaats] aan de [adres] op woensdag [datum] om 9:00 uur,

3.11. wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

3.12. bepaalt dat de partijen vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

3.13. verzoekt de tijdige toezending van de stukken,

3.14. verstaat dat hoger beroep van dit vonnis (behoudens het provisioneel deel ervan) alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

3.15. houdt iedere verdere beslissing aan,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. van Laethem en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2006.