Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ4022

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
08-12-2006
Zaaknummer
138117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beheersovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138117 / HA ZA 06-413

Vonnis van 11 oktober 2006

in de zaak van

1.a. [eisers sub 1],

beiden wonende te [woonplaats],

2.a.. [eisers sub 2],

beiden wonende te '[woonplaats],

3. [eiser sub 3]S,

wonende te [woonplaats],

4.a. [eisers sub 4],

beiden wonende te [woonplaats],

5.a. [eisers sub 5],

beiden wonende te [woonplaats],

6.a. [eisers sub 6],

beiden wonende te [woonplaats],

7.a. [eisers sub 7],

beiden wonende te [woonplaats],

8. [eiser sub 8],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

procureur en advocaat mr. K.J.T. Boersma te Tiel,

tegen

de stichting

[naam van de stichting],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. S.A.H. van Ramele,

beiden te Arnhem.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 juni 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 28 augustus 2006

Daarna is vonnis bepaald.

De feiten

1.1. C.C. [gedaagde] en diens zoon F.S. [gedaagde] hebben het zogenoemde “Plan [gedaagde]” ontwikkeld. Het betreft de ontwikkeling van een luxueus woondomein in een landelijke omgeving te [woonplaats]. De ontwikkeling en uitvoering van het plan ligt bij [gedaagde] Project Onroerende Zaken B.V. (PPOZ). Het plan is onderverdeeld in vijf deelplannen, ieder met zijn eigen landschaps- en bouwstijl. Het gaat om de deelplannen met de namen:

-[naam],

-[naam],

-[naam],

-[naam] en

-[naam]

1.2. De opzet is dat de kavels in het plan door PPOZ - tevens de eigenaar van de kavels - worden verkocht aan particulieren en vervolgens onder architectuur en onder regie van PPOZ worden bebouwd. Villa’s, tuinen en infrastructuur worden alle in de stijl van het thema van het deelplan gebouwd. Op het woonterrein zijn diverse voorzieningen gemeenschappelijk, zoals de infrastructuur (straatverlichting) en het onderhoud daarvan, het maaien van de bermen etc.

1.3. Met het oog op het voorgaande hebben C.C. en F.S.[gedaagde] op 20 juni 2000 de sti[park]daagde]) opgericht. De stichting heeft, blijkens artikel 2 lid 1 van haar statuten, als doel:

“het beheren en behartigen van de gemeenschappelijke belangen van (de eigenaren van) de onroerende zaken gelegen in het [park] te [woonplaats], waaronder het opstellen en controleren van de naleving van een terreinreglement, het beheer, de inrichting en het onderhoud van de mandelige zaken, alsook van gedeelten van de privé eigendommen, en voorts al datgene wat met de uitstraling en de infrastructuur van het totale Plan direct of indirect verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords”

In lid 2 van dit artikel is neergelegd dat de stichting haar doel tracht te verwezenlijken door:

“a. het aangaan van beheersovereenkomsten met de eigenaren van villa’s in het [park] te [woonplaats];

b. het aangaan van overeenkomsten met derden terzake van de aanleg, onderhoud en dergelijke van diverse voorzieningen;

c. het overleggen met de (besturen van de) diverse (belangen)verenigingen in het [park]”.

Over de samenstelling en de benoeming van het bestuur van de stichting bepaalt artikel 4 van de statuten:

“1. Het bestuur van de stichting bestaat uit ten minste drie leden. Het aantal wordt – met inachtneming van het in de vorige zin bepaalde – door het bestuur met algemene stemmen vastgesteld en wel op een zodanig aantal als er (belangen)verenigingen zijn in het [park] te [woonplaats].

2. Het bestuur van iedere (belangen)vereniging in het [park] te [woonplaats] benoemt één bestuurslid, zodanig derhalve dat iedere vereniging vertegenwoordigd is in het bestuur van de stichting. Als bestuurders van deze stichting kunnen slechts worden benoemd zij, die lid zijn van de desbetreffende (belangen)vereniging”.

1.4. Op diezelfde datum - 20 juni 2000 - hebben C.C. en F.S. [gedaagde] opgericht vijf verenigingen van eigenaren met de namen van de verschillende deelplannen zoal hiervoor onder 1.1. weergegeven. De statuten van de verenigingen van eigenaren luiden, voor zover van belang:

“Artikel 2.

1. De vereniging heeft ten doel:

1. het behartigen van de belangen van de eigenaren van de (...) villa’s gelegen in het [park] te [woonplaats] (...) in de ruimste zin van het woord;

2. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door:

a. de afvaardiging/benoeming van één lid in het bestuur van de stichting (...)

(...)

Artikel 3.

1. De vereniging kent uitsluitend gewone leden. Zowel natuurlijke- als rechtspersonen kunnen lid zijn.

2.a. Uitsluitend personen die eigenaar zijn van een (kavel bestemd voor de bouw van een)

Villa, gelegen in het [park] te [woonplaats] (...) kunnen lid van de vereniging zijn.

Aan elke kavel casu quo villa is één lidmaatschap verbonden.

1.5. Bij de oprichting van de verenigingen van eigenaren zijn C.C. en F.S. [gedaagde] lid van het bestuur van ieder van de verenigingen geworden. Zij zijn ieder ook eigenaar van een kavel/villa op het park

1.6. Ook [eiser] c.s. zijn eigenaren van kavels/villa’s op het park. Zij hebben daartoe, ieder voor zich danwel gezamenlijk met zijn of haar echtgeno(o)te, een bouwkavel gekocht van PPOZ. Zij zijn daarbij tevens de verplichting aangegaan toe te treden als lid tot de vereniging van eigenaren van het deelplan waarbinnen hun kavel/villa is gelegen. Tevens is ieder van hen met de stichting een beheersovereenkomst aangegaan. In de beheersovereenkomst is onder meer neergelegd:

“3. (...)

1. De Stichting zal ten behoeve van de eigenaar en de overige eigenaars van het [park] te [woonplaats], zorg dragen voor:

a. het (doen) aanleggen en onderhouden van:

1. toegangsweg, toegangspoort, straatwerk, greppels en straatverlichting;

2. groenvoorziening op de mandelige zaak;

3. groenvoorziening en perceelsafscheiding op de privé gedeelten;

4. brievenbussen;

5. buitenverlichting;

Alle overige voorzieningen en afscheidingen door de eigenaar op zijn privé gedeelte aan te leggen behoeven de goedkeuring van de stichting;

b. het onderhouden van die contacten die nodig zijn voor de aanleg en onderhoud van een ongestoorde ontvangst van water, gas, electra, radio/televisiesignalen;

c. het beschikbaar zijn van de zodanige afvalcontainers voor het (eventueel gescheiden) inzamelen van huisvuil als nodig of wenselijk zal blijkens alsmede het doen ledigen ervan;

d. het opstellen van een terreinreglement en de bewaking van de naleving ervan.

2. Eigenaar is verplicht aan de stichting een jaarlijkse vergoeding te betalen uiterlijk op één januari van ieder jaar, waarvan de hoogte jaarlijks uiterlijk op één november daaraan voorafgaand bekend zal worden gemaakt. Bij niet tijdige voldoening verbeurt de eigenaar een boete van vijfentwintig procent (25%) van de voor dat jaar geldende vergoedingssom. Daarnaast is vanaf de dag van het verzuim de wettelijke rente verschuldigd.

3. (...)

4. De eigenaar verklaart zich te zullen houden aan de regels van deze beheersovereenkomst en deze regels - al dan niet in gewijzigde vorm - te zullen naleven op straffe van een dadelijk opeisbare en niet voor rechterlijke matiging vatbare boete van vijfduizend gulden (f 5.000,00) te verbeuren aan de voormelde stichting.”

1.7. Op dit moment zijn 19 van de in totaal 45 kavels op het park verkocht, hetgeen betekent dat PPOZ nog eigenaar is van meer dan de helft van de kavels. Mede daarom is/zijn er thans pas één (volgens de stichting: “[naam]”) of twee (volgens [eiser] c.s: “[naam]” en “[naam]”) deelplannen waarin meer dan de helft van de kavels is verkocht. Aangezien de niet verkochte kavels in eigendom toebehoren aan PPOZ, heeft PPOZ thans een meerderheid binnen de overige drie of vier deelplannen. Uit dien hoofde kan PPOZ zichzelf als bestuurslid afvaardigen in het bestuur van de stichting (zie nader onder 1.14).

1.8. Op 20 mei 2005 heeft de stichting op grond van artikel 3 van de beheersovereenkomst facturen aan [eiser] c.s. doen toekomen waarbij zij de in de beheersovereenkomst bedoelde kosten over de jaren 2002, 2003 en 2004 over de verschillende eigenaren heeft doorberekend. Tevens is op die datum een voorschotnota voor 2005 aan [eiser] c.s. verzonden. De gefactureerde bedragen zijn:

-voor 2002 € 381,32,

-voor 2003 € 409,88,

-voor 2004 € 946,68,

-voor 2005 € 988,45.

1.9. Op 27 oktober 2005 heeft de stichting de jaarlijkse vergoeding voor 2006 aan [eiser] c.s. gefactureerd voor een bedrag van € 2.250,-- per villa. Dat bedrag bestaat uit € 1.000,-- wegens onderhoud [park] en € 1.250,-- wegens kosten van juridische bijstand van de stichting.

1.10. [eiser] c.s. hebben de voorschotnota’s wat over de jaren 2002 t/m 2004 deels betaald, over het jaar 2005 volledig en over het jaar 2006 alleen het gedeelte “onderhoud [park]”.

1.11. Op enig moment heeft de stichting jegens [eiser] c.s. aanspraak gemaakt op de in de artikelen 3.2 en 3.4 van de beheersovereenkomst opgenomen boetes wegens het niet tijdig voldoen aan de jaarlijkse vergoedingen en het niet voldoen aan de regels zoals opgenomen in de beheersovereenkomst.

1.12. Ter inning van die boetes is op 17 augustus 2005 in opdracht van de stichting een op 28 juli 2005 voor eerste grosse uitgegeven notariële akte van de beheersovereenkomst aan [eiser] c.s. betekend en is de executie hiervan aangezegd. De stichting heeft vervolgens op 25 augustus 2005 executoriaal derdenbeslag ten laste van [eiser] c.s. doen leggen.

1.13. Daarop hebben [eiser] c.s. de stichting in kort geding doen dagvaarden. Zij hebben, kort weergegeven, de staking van de executie gevorderd en opheffing van de beslagen. In reconventie heeft de stichting gevorderd [eiser] c.s. te veroordelen aan haar te betalen de nog openstaande facturen en de verbeurde boetes. Bij vonnis van 30 september 2005 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiser] c.s. toegewezen. De vordering in reconventie is eveneens toegewezen, zij het beperkt tot de facturen die betrekking hebben op het jaar 2005.

1.14. In de zomer van 2006 hebben [eiser] c.s. een verzoekschrift bij deze rechtbank ingediend strekkende tot, kort weergegeven, ontslag van C.C. [gedaagde] en F.S. [gedaagde] (de gerekwestreerden 1 en 2), alsmede van een aantal familieleden van [gedaagde] (de gerekwestreerden 3 t/m 7), als bestuurders van de stichting en met benoeming van [eiser sub 1a], [eiser sub 6a] en [eiser sub 8] als bestuurders van de stichting voor zover het aantal bestuursleden minder bedraagt dan het statutaire minimum van drie.

Bij beschikking van 4 september 2006 is de beslissing op het verzoek aangehouden teneinde de partijen de gelegenheid te geven zich te bezinnen over een “allesomvattende oplossing van hun geschilpunten door middel van het volgen van een mediation-traject”.

In de beschikking is al wel overwogen en beslist dat het verzoek jegens de familieleden niet toewijsbaar is omdat zij nimmer rechtsgeldig tot bestuursleden van de stichting zijn benoemd. Met betrekking tot C.C. [gedaagde] en F.S. [gedaagde] is geoordeeld dat het verzoek tot ontslag jegens hen wel toewijsbaar is.

Het geschil

2. [eiser] c.s. hebben, na wijziging van eis, gevorderd:

I. te verklaren voor recht dat zij de facturen van 20 mei 2005 van de stichting inzake doorberekening onderhoudskosten 2002-2004 en de voorschotnota 2005 niet verschuldigd zijn,

II. (primair) te verklaren voor recht dat [eiser] c.s. de door de stichting gevorderde boetes op grond van de artt. 3.2 en 3.4 van de beheersovereenkomst wegens niet (tijdige) voldoening van de facturen van 20 mei 2005, niet hebben verbeurd en te verklaren voor recht dat de eisers sub 3 en 7 ([eiser sub 3], [eisers sub 7]h) geen boetes hebben verbeurd uit hoofde van art. 3.1 van de beheersovereenkomst,

(subsidiair) de boetebedingen die zijn opgenomen in de artikelen 3.2 en 3.4 van de beheersovereenkomsten, voor zover deze zijn aan te merken als algemene voorwaarden, op grond van art. 6:233 sub a BW te vernietigen,

(meer subsidiair) de boetebedingen die zijn opgenomen in de artt. 3.2 en 3.4 van de beheersovereenkomsten op grond van art. 6:248 BW buiten toepassing te verklaren danwel deze op grond van art. 6:94 BW te matigen tot een symbolisch bedrag van € 10,-- per overtreding dan wel een nader te bepalen bedrag,

III. de stichting te veroordelen tot betaling van de navolgende bedragen:

-€ 1.238,45 aan [eiser sub 2], [eiser sub 7] en [eiser sub 8], en € 1.488,45 aan de overige eisers, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2006,

IV. de besluiten van de stichting tot het aangaan van overeenkomsten met PPOZ en/of [gedaagde] Holding BV en/of andere vennootschappen waarvan C.C. [gedaagde] en/of F.S. [gedaagde] aandeelhouder, bestuurder of feitelijk bestuurder zijn, op grond van art. 2:15 lid 1 sub a BW jo. art. 2:8 BW te vernietigen en de besluiten van de stichting in de periode november 2004 tot en met 29 augustus 2005 op grond van art. 2:15 BW te vernietigen,

V. te verklaren voor recht dat de haag ter plaatse van de voorgevel van de woning van [eiser sub 7], plaatselijk bekend [adres], in stand gehouden dient te worden conform de als productie 11 (bij de dagvaarding) overgelegde verkooptekening met een maximale hoogte van 75 cm en voor recht te verklaren dat [eiser sub 7] gerechtigd zijn die haag ook zelf te onderhouden,

VI. (primair) te verklaren voor recht dat de stichting op grond van de beheersovereenkomst de door haar gemaakte advies- en juridische kosten terzake de inning van de facturen en/of boetes niet door middel van de jaarlijkse vergoeding als bedoeld in art. 3.2 van de beheersovereenkomst kan doorbelasten aan de wederpartij van de stichting met wie de beheersovereenkomst is aangegaan,

(subsidiair) te verklaren voor recht dat de wederpartij van de stichting op basis van art. 3 lid 2 van de beheersovereenkomst de stichting in redelijkheid gemaakte advies en juridische kosten terzake de inning van de facturen en/of boetes verschuldigd is naar het aandeel van deze wederpartij in het mandelige eigendom zoals bedoeld in art. 1 van de beheersovereenkomst.

3. De stichting heeft het gevorderde gemotiveerd weersproken. Op de stellingen/het verweer van de partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De stichting heeft van haar kant in reconventie gevorderd:

A. te verklaren voor recht dat uit de beheersovereenkomst voortvloeit dat [eiser] c.s. niet gerechtigd zijn zelfstandig de beeldbepalende gedeelten op hun perceel te wijzigen danwel te onderhouden,

B. te verklaren voor recht dat uit de beheersovereenkomst voortvloeit dat [eiser] c.s. niet gerechtigd zijn lampen, bloempotten, huisvuilcontainers en dergelijke beeldbepalende gedeelten op hun perceel te plaatsen,

C. te verklaren voor recht dat de boetes zoals genoemd in de beheersovereenkomst verschuldigd zijn op het moment dat eisers in strijd handelen met de beheersovereenkomst,

D. [eiser] c.s. te veroordelen aan de stichting te betalen de verschillende (in de eis in reconventie onder 4 t/m 11 per eiser uitgesplitste) bedragen wegens verschuldigde onderhoudskosten en verbeurde boetes, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[eiser] c.s. hebben het gevorderde gemotiveerd weersproken. Op de stellingen/het verweer van de partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

De beoordeling

in conventie

De vorderingen sub 2.I en II

5. Aan de vordering sub 2.I en II primair hebben [eiser] c.s. allereerst ten grondslag gelegd dat in artikel 3.2 van de beheersovereenkomst is bepaald dat de hoogte van de jaarlijkse vergoeding op uiterlijk 1 november daaraan voorafgaand bekend zal worden gemaakt en dat de stichting daaraan niet heeft voldaan. [eiser] c.s. stellen dat zij de facturen van 20 mei 2005 daarom niet hoeven te betalen en dus niet zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de beheersovereenkomst, zodat zij reeds daarom de boetes niet hebben verbeurd.

In die redenering kan de rechtbank [eiser] c.s. niet volgen. In de situatie dat het [park] in de periode vanaf 2000 nog grotendeels moest worden gerealiseerd en in de loop van de jaren slechts langzaam “vol liep” (er zijn op dit moment, zoals gezegd pas 19 van de 45 kavels verkocht) is te begrijpen dat de in de beheersovereenkomst bedoelde vergoeding in die aanvangsjaren (nog) niet jaarlijks kon worden vastgesteld. Daarbij komt dat aangenomen moet worden dat de stichting kosten heeft gemaakt voor onder meer de aanleg en het onderhoud van diverse (gemeenschappelijke) voorzieningen, waarvan de bewoners profijt hebben. Van de werkzaamheden zijn de bewoners ook op de hoogte gehouden. Onder die omstandigheden mochten [eiser] c.s. er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de stichting de kosten van het uitgevoerde onderhoud niet (meer) aan hen in rekening zou brengen en is het redelijk dat de stichting die bijdragen over de eerste jaren (2002/2005) eerst achteraf heeft vastgesteld en doorberekend. Op deze grond zijn de vorderingen dan ook niet toewijsbaar.

6. [eiser] c.s. hebben verder gesteld dat zij de onderhoudsbijdragen niet hoeven te betalen omdat C.C. [gedaagde] aan hen heeft toegezegd dat die bijdragen pas in rekening zullen worden gebracht op het moment dat het [park] gereed is. Hoogma heeft daarover tijdens de comparitie nader verklaard dat C.C. [gedaagde] aan hem en ook tegen de andere kopers heeft gezegd dat “zij de eerste jaren niet voor het onderhoud hoefden te betalen”.

De stichting heeft betwist dat C.C. [gedaagde] die toezegging jegens [eiser] c.s. heeft gedaan. Gelet op deze betwisting ligt het op de weg van [eiser] c.s. hun stelling te bewijzen. Zij zullen daartoe overeenkomstig hun aanbod worden toegelaten. Als [eiser] c.s. slagen in het bewijs moeten de vorderingen sub 2.I en II primair worden toegewezen. Slagen zij niet in het bewijs dan moeten deze vorderingen worden afgewezen en moeten de vorderingen sub 2.II subsidiair en meer subsidiair nog aan de orde komen. De beslissing daarover zal om worden aangehouden tot na de getuigenverhoren. Ook zal na de getuigenverhoren zo nodig, mede met het oog op de vorderingen sub 2.III en 4.D, nog aan de orde moeten komen de (subsidiaire) stellingen van [eiser] c.s. dat:

a. de door de stichting aan hen verzonden voorschotnota’s te hoog zijn omdat er:

-ten onrechte omzetbelasting in rekening wordt gebracht,

-te hoge en niet gemaakte kosten worden opgevoerd,

-geen rekening wordt gehouden met het tijdstip waarop de beheersovereenkomsten met [eiser] c.s. zijn aangegaan en

-geen rekening wordt gehouden met afwijkende afspraken,

b. de boetes als het ware “dubbel” worden opgelegd omdat de stichting (vanwege het niet of niet tijdig betalen van de bijdragen) zowel aanspraak maakt op de boete ex art. 3.2 van de beheersovereenkomst als op die ex art. 3.4 van de overeenkomst,

c. hun terzake van de betaling van de facturen een opschortingsrecht toekomt omdat de stichting weigert de dienstverlening te verrichten waartoe zij zich met het aangaan van de beheersovereenkomst heeft verplicht; volgens [eiser] c.s. ligt het park er slecht bij en wordt er slechts provisorisch onderhoud verricht.

7. Wat dan nog resteert is de vordering sub 2.II (primair) voor zover die betrekking heeft op de eisers sub 3 en 7 ([eiser sub 3], [eisers sub 7]h).

8. [eisers sub 7] zijn door de stichting aangesproken voor een bedrag van € 2.500,-- omdat zij in strijd met artikel 3.1. van de beheersovereenkomst de beukenhaag die zich parallel aan de voorgevel van hun woning (op hun perceel) bevindt, zelf hebben gesnoeid tot een hoogte van 75cm, terwijl die haag in het ontwerp van de architect een hoogte van 125 cm behoort te hebben, met uitzondering van het gedeelte van de haag dat zich voor de ramen van de woning bevindt; daar dient de hoogte ongeveer 75 cm te zijn. Daarom hebben zij volgens de stichting de in art. 3.4 van de beheersovereenkomst neergelegde boete tot voormeld bedrag verbeurd.

9. In art. 3.1 van de beheersovereenkomst is onder meer opgenomen dat de stichting ten behoeve van de eigenaar en de overige eigenaars van het [park] zal zorg dragen voor groenvoorziening en perceelsafscheiding op de privé gedeelten. Dat daaruit tevens volgt dat het de bewoners op straffe van verbeurte van een dwangsom verboden is zelf onderhoudswerkzaamheden op hun eigen perceel uit te voeren, waaronder snoeiwerkzaamheden, valt niet in te zien. Dat dat de bedoeling van de partijen is geweest bij het aangaan van de beheersovereenkomst is gesteld noch gebleken. Uit de als productie 11 bij de dagvaarding gevoegde tekening, waarnaar zowel [eisers sub 7]h als de stichting hebben verwezen kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet worden gedestilleerd dat de hoogte van de haag 125 cm. respectievelijk 75 cm. moet zijn, nog daargelaten welke betekenis aan een dergelijke tekening - een schets van een willekeurige villa zonder maatvoering ten behoeve van de verkoop van de kavels/villa’s - moet worden gehecht. Bij het voorgaande komt dat in de akte van levering met (onder andere) [eisers sub 7]h in art. 7.16 is opgenomen dat de koper gehouden is de grond en de beplanting om de villa te doen onderhouden. Weliswaar is in datzelfde artikel ook een snoei- en kapverbod neergelegd, maar aangenomen moet worden dat dat verbod ziet op de juist daarvoor genoemde beplantingsstrook “aan de buitenzijde van het villapark”.

Dat betekent dat dit onderdeel van de vordering te zijner tijd toewijsbaar is in die zin, dat voor recht zal worden verklaard dat [eisers sub 7]h geen boete hebben verbeurd omdat zij art. 3.1 van de beheersovereenkomst hebben overtreden.

10. [eiser sub 3] is door de stichting aangesproken voor € 7.500,-- omdat zij volgens de stichting in strijd met artikel 3.1 van de beheersovereenkomst tuinlampen voor de inrit van haar woning heeft geplaatst en huisvuilcontainers en bloempotten in het “beeldbepalende” gedeelte van haar perceel heeft geplaatst, terwijl zij verder door de stichting geplaatste paaltjes heeft verwijderd.

11. [eiser sub 3] heeft erkend dat zij een huisvuilcontainer en bloemen/planten (kennelijk in bloempotten) op haar perceel heeft geplaatst. Zonder enige toelichting, die van de zijde van de stichting ontbreekt, valt evenwel niet in te zien dat dit in strijd is met artikel 3.1 van de beheersovereenkomst. Daarbij komt met betrekking tot de container nog dat [eiser sub 3] onweersproken heeft gesteld dat zij die container op een afstand van 10-15 meter van de weg heeft geplaatst en verscholen achter struiken op haar perceel heeft geplaatst.

[eiser sub 3] heeft ook erkend dat zij twee tuinlampjes op haar perceel (bij de inrit) heeft geplaatst. Aangenomen moet worden dat dat in strijd is met art. 3.1 van de beheersovereenkomst, waaruit volgt een dergelijke voorziening de goedkeuring van de stichting behoeft. [eiser sub 3] heeft dat op zichzelf ook niet betwist, maar zij heeft gesteld dat de stichting ter plaatse voor onvoldoende straatverlichting heeft gezorgd en dat zij daarom, in afwachting van het plaatsen van een straatlantaarn (waarover overleg is geweest met de stichting), als tijdelijke voorziening twee lampjes heeft geplaatst. De stichting heeft dit niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het tijdelijk plaatsen van twee tuinlampjes niet in strijd komt met art. 3.1 van de beheersovereenkomst.

De conclusie is dat [eiser sub 3] door het plaatsen van de voormelde objecten op haar perceel geen boete heeft verbeurd, zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is.

12. Met betrekking tot de verwijdering van de paaltjes geldt het volgende.

Vast staat dat door C.C. [gedaagde] of de stichting twee paaltjes zijn geplaatst op het terrein van [eiser sub 3] aan weerszijden van haar oprit. Vast staat ook dat [eiser sub 3] deze paaltjes heeft verwijderd. Volgens [eiser sub 3] was [gedaagde] noch de stichting op grond van de beheersovereenkomst bevoegd tot het plaatsen van deze paaltjes. Bovendien heeft [eiser sub 3] aangevoerd dat zij door het plaatsen van de paaltjes werd belemmerd in het in- en uitrijden van haar perceel. Ten bewijze daarvan heeft zij twee foto’s overgelegd (productie 23). Daaruit lijkt inderdaad te volgen dat het in- en uitrijden door de paaltjes werd bemoeilijkt. De stichting heeft daarop evenwel nog niet kunnen reageren. Zij zal dat bij conclusie na enquête alsnog mogen doen.

De vordering sub 2.III

13. Deze vordering heeft betrekking op de door [eiser] c.s. betaalde bedragen op de voorschotnota’s betreffende de jaren 2002-2004 en 2005 (de facturen van 20 mei 2005). De voorschotnota over 2005 (€ 988,45) hebben [eiser] c.s. volledig voldaan en de voorschotnota over 2002-2004 gedeeltelijk. [eiser sub 2], [eiser sub 7] en [eiser sub 8] hebben van die nota € 250,-- betaald, de overige eisers € 500,--. [eiser] c.s. vorderen dat de stichting deze bedragen aan hen terugbetaalt op de hiervoor bij de bespreking van de vorderingen sub 2.I en II besproken gronden. Uit hetgeen daarover onder 6 is overwogen volgt dat de beslissing op deze vordering afhankelijk is van de afloop van de getuigenverhoren. Dat zal dan ook moeten worden afgewacht.

De vordering sub 2.IV

14. Gelet op hetgeen de rechtbank in haar onder 1.14 weergegeven beschikking heeft beslist moet deze vordering van [eiser] c.s. worden toegewezen. De overwegingen die tot het oordeel van de rechtbank op het verzoek van [eiser] c.s. hebben geleid luiden:

“4.3. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat, hoewel nu achteraf vastgesteld wordt dat de gerekwestreerden 3 tot en met 7 nimmer rechtsgeldig tot bestuursleden van de Stichting zijn benoemd, de gerekwestreerden 1 en 2 naar buiten toe hebben willen doen voorkomen dat dat wel het geval was. Dat impliceert dat men naar buiten toe ook de indruk heeft willen wekken dat een en ander gebaseerd was op een benoemingsbesluit, terwijl een dergelijke benoeming niet op grond van de statuten kon worden gerealiseerd omdat de voorwaarden (íngezetenschap’ vanuit de deelplannen) daarvoor niet aanwezig waren. De motieven die de gerekwestreerden daarvoor hadden zijn vanuit hun betrokkenheid en visie op het [park] wellicht enigszins begrijpelijk maar daarmee bepaald niet aanvaardbaar. Geconcludeerd moet dan ook worden dat de gerekwestreerden 1 en 2 hebben gehandeld in strijd met de statuten van de Stichting en dat zij daardoor de collegiale besluitvorming binnen het bestuur van de Stichting hebben gefrustreerd.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank is het gedrag van de gerekwestreerden 1 en 2 aldus aan te merken als onverenigbaar met wat naar de bepalingen van de statuten van hen als behoorlijk bestuurders mocht worden geëist. Reeds op die grond is het primaire verzoek wat hen betreft toewijsbaar (...)”.

Daaruit volgt dat aangenomen moet worden dat de besluiten naar inhoud en/of totstandkoming in strijd zijn met de gedragsregel van art. 2:8 BW. Die besluiten zijn daarom op grond van art. 2:15 lid 1 onder b vernietigbaar.

De vordering sub 2.V

15. Hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 9 is overwogen leidt ertoe dat deze vordering toewijsbaar is in die zin, dat voor recht zal worden verklaard dat [eisers sub 7]h de bedoelde haag ook zelf mogen onderhouden. Voor zover de gevorderde verklaring voor recht ziet op de hoogte van de haag moet die worden afgewezen omdat, zoals overwogen, de (maximale) hoogte uit de tekening niet volgt.

De vordering sub 2.VI

16. Waarom de stichting niet gerechtigd zou zijn de door haar gemaakte juridische kosten door te belasten valt niet in te zien. Het betreft immers kosten die betrekking hebben op (de naleving van de regels op) het park. Deze kosten kan de stichting dan ook doorberekenen, echter niet alleen over de huidige bewoners, maar, zoals [eiser] c.s. subsidiair hebben gevorderd, over alle 45 kavels op het park. Dat betekent dat per kavel 1/45 gedeelte van de door de stichting gemaakte juridische kosten mag worden doorberekend. Dat betekent dat de subsidiaire vordering toewijsbaar is.

In reconventie

De vordering sub 4.A, B en C

17. De vorderingen sub 4.A en B moeten, gelet op hetgeen hiervoor in de conventie onder 8, 9 en 11 is overwogen, te zijner tijd worden afgewezen. Weliswaar volgt uit de genoemde rechtsoverwegingen dat [eiser] c.s. in beginsel niet gerechtigd zijn beeldbepalende gedeelten op hun perceel te wijzigen en lampen op beeldbepalende gedeelten van hun tuin te plaatsen maar, zo volgt ook uit die rechtsoverwegingen, het is afhankelijk van de situatie en de interpretatie van de beheersovereenkomst of de bewoners, als zij desondanks objecten in hun tuin plaatsen en/of wijzigingen aanbrengen, handelen in strijd met art. 3.1`van de beheersovereenkomst en in dat geval een boete verbeuren. Daarbij komt dat reeds voor discussie vatbaar is wat onder het “beeldbepalende” gedeelte van de tuin moet worden verstaan. Deze vordering zal daarom als te vaag/te onbepaald moeten worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de vordering onder 4.C, zodat ook die te zijner tijd moet worden afgewezen.

De vordering sub 4.D

18. Uit hetgeen in de conventie onder 6 is overwogen volgt dat de beslissing op deze vordering afhankelijk is van de in de conventie gegeven bewijsopdracht. De uitkomst van de getuigenverhoren zal daarom eerst moeten worden afgewacht.

In conventie en in reconventie

19. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

In conventie

1.1. draagt [eiser] c.s. op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt:

- dat de stichting aan hen heeft toegezegd dat de onderhoudskosten pas in rekening zouden worden gebracht op het moment dat het [park] gereed is, of

- dat de stichting aan hen heeft toegezegd dat zij de onderhoudskosten gedurende de eerste jaren niet hoefden te betalen,

1.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 oktober 2006 voor uitlating door [eiser] c.s. of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

1.3. bepaalt dat [eiser] c.s., indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken wille overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

1.4. bepaalt dat [eiser] c.s. indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op maandagen in de maanden november 2006 tot en met januari 2007 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

1.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. F.J. de Vries in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

1.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

In conventie en in reconventie

1.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2006.

Coll.: ED