Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ4009

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-10-2006
Datum publicatie
08-12-2006
Zaaknummer
145053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorop wordt gesteld dat ingevolge het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv. het beslag onder meer dient te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert - met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure - aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 145053 / KG ZA 06-557

Vonnis in kort geding van 6 oktober 2006

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. J. Wijnja te Sliedrecht,

tegen

Mr. [gedaagde]

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten

vennootschap SN Bouw B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Sliedrecht,

wonende althans kantoorhoudende te Dordrecht,

gedaagde,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

advocaat mr. E.R. Butin Bik te Dordrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en mr. [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van mr. [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 9 februari 1998 is op naam van [eiseres] gekocht en op 13 maart 1998 is bij notariële akte aan haar geleverd de onroerende zaak bestaande uit een te renoveren woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden, staande en gelegen te [postcode] [woonplaats], [adres], kadastraal bekend [woonplaats] L 481, grootte 24 a 14 ca (hierna: de woning). De koopovereenkomst vermeldt uitsluitend [eiseres] als koper en is alleen door haar ondertekend. De koopprijs bedroeg fl. 299.000,00.

2.2. [eiseres] was op dat moment ongehuwd, maar al wel samenwonend met [betrokkene]. De koopsom van fl. 299.000,00 is geheel gefinancierd met en voldaan uit een hypothecaire geldlening voor een bedrag van fl. 670.000,00, waarvoor blijkens de notariële akte van 13 maart 1998 [eiseres] en [betrokkene] hoofdelijk verbonden waren. [eiseres] en [betrokkene] hadden toen een samenlevingsovereenkomst waarin stond dat hypotheeklasten tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding behoren. [eiseres] en [betrokkene] zijn vervolgens op 23 januari 1999 in het huwelijk is getreden. [eiseres] en [betrokkene] zijn op huwelijkse voorwaarden – met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen - gehuwd.

2.3. In artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald:

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen (…) worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.

Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, de huurprijs voor de echtelijke woning en renten van geldleningen aangegaan ten behoeve van de financiering van voor het gemeenschappelijke huishouden bestemde zaken zoals de echtelijke woning, de vakantiewoning, de inboedel en de gezinsauto(‘s).

2.4. Op 28 september 1999 hebben [eiseres] en [betrokkene] opnieuw een hypothecaire geldlening afgesloten voor een bedrag van fl. 900.000,00, waarmee de oude is afgelost. Op 1 maart 2002 hebben zij wederom een hypothecaire lening afgesloten, toen voor een bedrag van € 68.068,00 en op 4 september 2003 nog één voor een bedrag van € 660.000,00. [eiseres] en [betrokkene] hebben zich in de hypotheekakten “ieder voor het geheel, hoofdelijk, gebonden”.

2.5. Vanaf eind 2004 tot januari 2006 is [betrokkene] als adviseur aan SN Bouw B.V. verbonden geweest. Op of omstreeks 1 januari 2006 is [betrokkene] hoofdinkoper geworden bij SN Bouw B.V. en deed hij daarnaast ook de verkoopactiviteiten. Bij vonnis van de rechtbank Dordrecht van 15 maart 2006 is SN Bouw B.V. in staat van faillissement verklaard.

2.6. Bij dagvaarding van 22 augustus 2006 is mr. [gedaagde] een bodemprocedure gestart tegen onder meer [eiseres] en [betrokkene]. Mr. [gedaagde] stelt in die procedure dat [betrokkene], als feitelijk bestuurder van de op 15 maart 2006 in staat van faillissement verklaarde SN Bouw B.V., zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur en uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement van SN Bouw B.V. Ten aanzien van [eiseres] vordert mr. [gedaagde] in die procedure een verklaring voor recht dat de rechtshandeling tussen [betrokkene] en [eiseres] ex artikel 248, lid 9 BW is vernietigd en te bepalen dat de woning in zijn geheel in het vermogen van [betrokkene] valt, althans voor een in goede justitie te bepalen gedeelte.

2.7. Eerder, op 8 augustus 2006, had mr. [gedaagde] al beslag laten leggen op de woning.

2.8. Bij brief van 24 augustus 2006 heeft de raadsman van [eiseres] mr. [gedaagde] gesommeerd tot opheffing en doorhaling van het beslag. Mr. [gedaagde] heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat – dat mr. [gedaagde] zal worden veroordeeld om het op de woning gelegde beslag op te heffen en de inschrijving van dat beslag in het daartoe bestemde register te doen doorhalen en hem zal worden verboden opnieuw conservatoir beslag te leggen om de woning.

3.2. [eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij eigenaar is van de woning. Zij stelt dat de vordering van mr. [gedaagde] tegen haar in de bodemprocedure niet zal slagen, nu er geen sprake is van een onverplichte rechtshandeling tussen haar en [betrokkene], als bedoeld in artikel 2:248, lid 9 BW. Er is in haar visie evenmin sprake van dat [betrokkene] de onroerende zaak heeft gekocht en betaald en slechts op naam van [eiseres] heeft gezet teneinde de mogelijkheden van verhaal op hemzelf te verminderen dan wel onmogelijk te maken voor zijn schuldeisers.

Voorts stelt zij de woning te willen verkopen en daarbij om financiële redenen een spoedeisend belang te hebben.

3.3. Mr. [gedaagde] stelt dat zijn vordering in de bodemprocedure is gebaseerd op de bestuurderspauliana van artikel 2:248 lid 9 BW. Volgens hem sorteert deze actie ook effect ten aanzien van rechtshandelingen als waarvan in deze zaak sprake is, dat wil zeggen rechtshandelingen die tot resultaat hebben gehad dat het verhaalsobject ten name van de echtgenote en niet van de bestuurder staat, terwijl de bestuurder van meet af aan een aantoonbaar economisch belang in het object heeft. Dat [betrokkene] een aantoonbaar economisch belang in het object heeft, leidt mr. [gedaagde] af uit het feit dat de woning destijds zonder financiering door [eiseres], als 37-jarige administratief medewerkster, zou zijn gekocht en voorts uit het feit dat [betrokkene] zich daarna tot drie maal toe hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor omvangrijke geldleningen aan [eiseres], die in de visie van mr. [gedaagde] onmiskenbaar zijn gebruikt voor de renovatie van de woning.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Voorop wordt gesteld dat ingevolge het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv. het beslag onder meer dient te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert – met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure – aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen.

4.2. Voor de toepassing van artikel 2:248 lid 9 BW moet minimaal voldaan zijn aan het vereiste dat er aan de zijde van de schuldenaar een vermindering van de mogelijkheid van verhaal is opgetreden en wel als gevolg van een onverplichte rechtshandeling, die geheel of nagenoeg geheel is verricht met het oogmerk van vermindering van verhaal.

4.3. Vast staat dat de woning uitsluitend door [eiseres] is gekocht en uitsluitend aan haar is geleverd en dat de woning vóór de koop niet tot het vermogen van [betrokkene] behoorde. Ter zitting is voorts voldoende aangetoond dat de koop van de woning door [eiseres] uitsluitend is gefinancierd met een hypothecaire lening en dus niet met eigen geld van [eiseres] en/of [betrokkene]. Daarmee is voldoende aangetoond dat de woning dus niet met middelen uit het vermogen van [betrokkene] is gefinancierd en dat er geen vermogensverschuiving van [betrokkene] naar [eiseres] heeft plaatsgevonden ten gevolge van onverplicht verrichte rechtshandelingen. Welke onverplicht verrichtte rechtshandeling tussen [betrokkene] en [eiseres] mr. [gedaagde] precies op het oog heeft is niet duidelijk. Ter zitting is aangevoerd dat er wel een overeenkomst tussen [eiseres] en [betrokkene] zal zijn geweest die ertoe strekte dat [eiseres] alleen zou kopen en geleverd zou krijgen hoewel bedoeld voor hen beiden. Van een dergelijke overeenkomst is niet gebleken, terwijl daarvan overigens ook niet goed volgehouden kan worden dat die in de omstandigheden zoals hier aan de orde een onverplichte rechtshandeling zou zijn met het oogmerk van vermindering van verhaal op [betrokkene] als bedoeld in artikel 2:248 lid 9 BW, nu de woning voor de koop ook niet op enigerlei wijze tot verhaal op [betrokkene] kon dienen. Dat [betrokkene] zich naast [eiseres] hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de hypothecaire leningen was - daargelaten zijn verplichting jegens [eiseres] in de kosten van de financiering bij te dragen – hooguit een onverplichte rechtshandeling jegens de bank. De eventuele vernietiging daarvan kan er echter niet toe leiden dat de woning uit het vermogen van [eiseres] geheel of gedeeltelijk in het vermogen van [betrokkene] komt te vallen en tot verhaal kan gaan dienen voor de vorderingen van mr. [gedaagde] op [betrokkene].

4.4. Op grond van het bovenstaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [eiseres] vooralsnog voldoende heeft aangetoond dat de door mr. [gedaagde] in de hoofdzaak jegens haar gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Daarin is een reden gelegen het door mr. [gedaagde] op de woning gelegde beslag op te heffen.

4.5. Een belangenafweging maakt dit niet anders. [eiseres] heeft betoogd dat zij haar woning wil verkopen. De stelling dat dit ook kan met het beslag erop is juridisch geoordeeld juist, maar het is niet reëel te veronderstellen dat zich ook daadwerkelijk kopers zullen aandienen die de woning met een beslag zouden willen kopen en in ieder geval niet met een beslag erop geleverd zouden willen krijgen. Het belang van [eiseres] bij opheffing van het beslag is dus aanwezig, terwijl het belang van mr. [gedaagde] het moet afleggen tegen de geringe kans dat de vordering in de bodemprocedure zal slagen.

4.6. Nu er vooralsnog van kan worden uitgegaan dat de vordering van mr. [gedaagde] jegens [eiseres] in de bodemprocedure geen stand zal houden en [eiseres] de woning wil verkopen en al te koop heeft gezet, is daarmee het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vordering gegeven.

4.7. De vordering tot het opheffen van het conservatoire beslag zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal aan een maximum worden verbonden.

De vordering om mr. [gedaagde] te verbieden in de toekomst beslag te leggen op de woning zal niet worden toegewezen, nu op voorhand niet is te overzien welke redenen mr. [gedaagde] in de toekomst zou kunnen hebben om (nogmaals) beslag op de woning te leggen.

4.8. Als de in het ongelijk gestelde partij zal mr. [gedaagde] in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt mr. [gedaagde] om het op 8 augustus 2006 gelegde beslag op de onroerende zaak, bestaande uit een woonhuis met ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen te [postcode] [woonplaats], [adres], kadastraal bekend [woonplaats] L 5481, grootte 24 a 14 ca binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis op te heffen en de inschrijving van dat beslag in het daartoe bestemde register te doen doorhalen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat mr. [gedaagde] geheel of ten dele in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 500.000,00,

5.2. veroordeelt mr. [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 816,00 voor salaris en op € 332,87 voor verschotten,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A. van Gemert op 6 oktober 2006.