Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ4001

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
08-12-2006
Zaaknummer
137444
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers stellen dat gedaagden het onbelemmerde gebruik van de uitweg over de oprit verhinderen door plaatsing van een aanhangwagen aan een ketting vóór hun garage en doordat zij hun auto regelmatig op de oprit parkeren. Daarnaast zouden zij de uitweg vervuilen en er nooit enig onderhoud aan plegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 137444 / HA ZA 06-304

Vonnis van 4 oktober 2006

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. M. Ras te Amersfoort,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. P.A.C. de Vries,

advocaat mr. M.C. Spil te Arnhem.

De partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiser] c.s. en [gedaagde] c.s.

1. De procedure

1.1. Voor het verloop van de procedure tot het in deze zaak gewezen vonnis van 19 april 2006 verwijst de rechtbank naar dat vonnis. Ingevolge dat vonnis heeft een comparitie van partijen plaatsgehad. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Bij die gelegenheid hebben [eiser] c.s. een conclusie van antwoord in reconventie genomen. Willams c.s. hadden met het oog op de comparitie tevoren bij akte nog een productie in het geding gebracht. De partijen zijn ter comparitie niet verenigd. De zaak is naar de parkeerrol verwezen in verband met het doorlopen van een mediationtraject, dat echter maar kort heeft geduurd. Uiteindelijk is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] c.s. zijn (sinds 2003) eigenaar van het woonhuis met tuin (enz.) gelegen aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E nummer 2242. Onmiddellijk daaraan grenzend – rechts daarvan vanuit de openbare weg gezien – ligt het woonhuis met tuin van (sinds 1998) [gedaagde] c.s., [adres] en kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E nummer 2241. Aan de andere zijde van het perceel van [eiser] c.s. grenst een strook grond die dienst doet als oprit (kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E nummer 2243). Aan het einde van die oprit ligt een aan [gedaagde] c.s. toebehorende garage (kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E nummer 2244).

2.2. [eiser] c.s. hebben een recht van erfpacht op de onverdeelde helft van perceel 2243 (de gemeente [woonplaats] is bloot eigenaar van dat aandeel). [gedaagde] c.s. zijn eigenaar van de andere onverdeelde helft van perceel 2243 (vermenging van erfpacht en bloot eigendom heeft in 1996 plaatsgevonden). Perceel 2243 is in 1972 ten behoeve van de percelen 2242 en 2244 met een erfdienstbaarheid belast, in die zin dat het perceel “in zijn geheel uitsluitend zal dienen tot onbelemmerde uitweg van- en naar de garages, staande op de percelen (..) 2244 en 2242 en welke uitweg geheel is betegeld en betegeld moet blijven”.

2.3. Vóór 2003 vormde de garage van [gedaagde] c.s. (perceel 2244) de helft van een duo-garageblok. De andere garage bevond zich op perceel 2242 en was ook via de oprit (perceel 2243) bereikbaar. In 2003 hebben [eiser] c.s. hun garage afgebroken en op dezelfde plaats een schuur annex praktijkruimte (ten behoeve van gitaar-onderwijs) gebouwd. Dit nieuwe bouwwerk is onmiddellijk tegen de garage van [gedaagde] c.s. aangebouwd. Het is ongeveer een halve meter hoger dan de garage van [gedaagde] c.s.. Ook steekt het bouwwerk in de diepte (in de richting van de woning op het perceel van [eiser] c.s.) ongeveer 1 meter uit ten opzichte van de garage van [gedaagde] c.s.. Tevens hebben [eiser] c.s. toen hun achtertuin ten opzichte van perceel 2243 door middel van een muur afgesloten. Die achtertuin is thans bereikbaar via een in de muur gemaakte deur (A). De schuur annex praktijkruimte van [eiser] c.s. is bereikbaar via een eveneens op de oprit uitkomende afzonderlijke deur (B). Door het maken van de muur – precies in het verlengde van de zijmuur van hun woning – hebben [eiser] c.s. de oprit aan de achterzijde daarvan in feite een klein stukje verbreed. Ter hoogte van de twee genoemde deuren bestaat de oprit daarom thans uit een zeer smal puntvormig stukje grond dat deel uitmaakt van perceel 2242.

3. Het geschil, in conventie en in reconventie

3.1. [eiser] c.s. stellen dat [gedaagde] c.s. het onbelemmerde gebruik van de uitweg over de oprit verhinderen door plaatsing van een aanhangwagen aan een ketting vóór hun garage en doordat zij hun auto regelmatig op de oprit parkeren. Daarnaast zouden zij de uitweg vervuilen en er nooit enig onderhoud aan plegen. Op grond van het een en ander vorderen [eiser] c.s., voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] c.s., kort gezegd:

- om de aanhangwagen van de oprit te verwijderen;

- om hen te verbieden te uitweg op enige wijze te belemmeren;

- om hen te verbieden te uitweg te vervuilen;

- om gedurende twee maanden per jaar onderhoud aan de oprit te plegen;

alles op straffe van verbeurte van dwangsommen.

Voorts verlangen zij de veroordeling van [gedaagde] c.s. tot betaling van een bedrag van € 1.076,76 inclusief BTW aan buitengerechtelijke kosten, alsmede hun veroordeling in de kosten van de procedure.

3.2. [gedaagde] c.s. voeren gemotiveerd verweer. Op de afzonderlijke punten van verweer wordt hierna zonodig nog ingegaan. In reconventie hebben zij bovendien gesteld dat [eiser] (c.s.) bij herhaling hun garage hebben (heeft) beklommen om op het dak van hun eigen bouwwerk te kunnen komen. [gedaagde] wensen voor de toekomst van een dergelijk gebruik van hun garage verschoond te blijven. Daarnaast stellen zij dat [eiser] c.s. door het maken van de deur (B) in hun bouwwerk, op een zeer korte afstand van de garagedeur van [gedaagde] c.s., de uitoefening van de erfdienstbaarheid op een onrechtmatige wijze hebben verzwaard, welke toestand zij beëindigd wensen te zien.

In conventie concluderen zij tot afwijzing van de vorderingen, met de hoofdelijke veroordeling van [eiser] c.s., bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.

In reconventie vorderen zij, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op straffe van verbeurte van dwangsommen, [eiser] c.s. te verbieden het dak van hun garage te betreden en hen te bevelen de deur (B) in hun gevel te verwijderen en de opening dicht te metselen, althans te zorgen dat de deur niet meer open kan, een en ander met de hoofdelijke veroordeling van [eiser] c.s. in de kosten van de procedure.

3.3. Op hun beurt voeren [eiser] c.s. daartegen gemotiveerd verweer. Zij hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen in reconventie, met de veroordeling van [gedaagde] c.s., bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.

4. De beoordeling

IN CONVENTIE

4.1. De partijen hebben als medegerechtigden tot perceel 2243 gelijke bevoegdheden ten aanzien van het gebruik daarvan ([eiser] c.s. als erfpachters en [gedaagde] c.s. als eigenaars). Het is dus niet zo, zoals [gedaagde] c.s. lijken te veronderstellen (zie de conclusie van antwoord, onder 15) dat alleen zij de bevoegdheid zouden hebben om hun auto op de oprit te mogen zetten. Als zij die bevoegdheid hebben, hebben [eiser] c.s. die ook (de permanente aanwezigheid van de aanhangwagen op een bepaalde plek op het perceel is dus eigenlijk al in strijd met het gebruiksrecht van [eiser] c.s.). Maar dit is in grote lijnen slechts theorie: in het onderhavige geval zijn hun aandelen in (het gebruik van) het perceel 2243 immers over en weer belast met een erfdienstbaarheid ten behoeve van de percelen 2242 en 2244 en die erfdienstbaarheid verdraagt het niet dat zij op het perceel 2243 auto's parkeren of een aanhangwagen neerzetten. De tekst van de erfdienstbaarheid is wat dat betreft duidelijk: perceel 2243 zal (1) in zijn geheel (2) uitsluitend dienen tot (3) een onbelemmerde uitweg van- en naar de garages. Dat [eiser] c.s. op hun perceel 2242 sinds 2003 geen garage meer hebben staan doet daar op zichzelf niet aan af. [eiser] c.s. moeten immers óók in staat kunnen zijn om hun schuur annex praktijkruimte anders dan enkel te voet te bereiken, bij voorbeeld om even te laden en te lossen. En als leerlingen van de muziekschool van [eiser] c.s. zich met hun gitaarkoffer langs de auto van [gedaagde] c.s. moeten begeven kan in redelijkheid ook niet worden gezegd dat de uitweg nog onbelemmerd is. De eerste twee vorderingen zijn daarmee toewijsbaar.

4.2. De enkele tussen de partijen met betrekking tot perceel 2243 bestaande gemeenschapsverhouding - er is geen sprake van een specifieke onderhoudsregeling - brengt niet mee dat ene partij de ander tot bepaalde onderhoudsmaatregelen kan dwingen. In dat licht bezien is de grondslag van de vordering te vaag. In zoverre hebben [gedaagde] c.s. gelijk dat zij de oprit niet blad- of sneeuwvrij behoeven te houden. Iedere medegerechtigde staat het vrij aan de zaak onderhoud te plegen. Voor zover het onderhoud noodzakelijk geacht mag worden kunnen de eventuele kosten daarvan voor de helft worden afgewenteld op de andere medegerechtigde. Maar dat is hier niet aan de orde. De desbetreffende bevelsvordering zal dus worden afgewezen.

4.3. [eiser] c.s. stellen voorts dat [gedaagde] c.s. de oprit zouden hebben vervuild en hangen dat op aan één incident, waarvan [gedaagde] c.s. bovendien zeggen dat dat buiten hun schuld is geschied (derden zouden een reclameposter voor het klussenbedrijf van [gedaagde] c.s. van de garagedeur hebben gescheurd). Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat op dit punt van de kant [gedaagde] c.s. voor de toekomst 'reëel onrecht' dreigt, zodat het dienaangaande gevorderde verbod niet toewijsbaar is.

4.4. Ook de vordering tot verhaal van buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar. De gevorderde kostenvergoeding is op geen enkele wijze gespecificeerd, zodat niet is vast te stellen of het wellicht gaat om kosten waarvoor de proceskostenveroordeling al een vergoeding pleegt in te sluiten.

4.5. Nu de partijen over en weer op meerdere punten in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

IN RECONVENTIE

4.6. Het beklimmen van het dak van de garage, zo bleek ook ter comparitie, wordt door [gedaagde] gekoppeld aan één enkel incident, waarbij een glazenwasser op het dak zou zijn gezien ([eiser] heeft het in dit verband ook over een tweetal gevallen waarbij hij bij het schoonmaken van het eigen dak ook een voet op het dak van [gedaagde] c.s. zou hebben gezet). Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat op dit punt van de kant van [eiser] c.s. voor de toekomst 'reëel onrecht' dreigt, zodat het dienaangaande gevorderde verbod niet toewijsbaar is.

4.7. Van een onrechtmatige verzwaring van de erfdienstbaarheid als door [gedaagde] c.s. gesteld - te weten door het aanbrengen van de deur (B) - is niet gebleken, te meer nu [eiser] c.s. op hun perceel geen garage meer hebben. Het hebben van de deur is op zichzelf niet onrechtmatig. Gesteld noch gebleken dat is dat door de toegang in de zijgevel van de schuur annex praktijkruimte van [eiser] c.s. het gebruik van de erfdienstbaarheid noemenswaardig is gestegen, zodat de desbetreffende vordering reeds hierom niet kan worden toegewezen.

4.8. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagde] c.s worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De rechtbank

IN CONVENTIE:

5.1. beveelt [gedaagde] c.s. binnen 48 uur na betekening van dit vonnis hun aanhangwagen, die met een ketting is bevestigd aan de garage van perceel 2244, van perceel 2243 te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dag dat dit bevel niet wordt nagekomen, tot een maximum van € 25.000,--,

5.2. verbiedt [gedaagde] c.s. binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de uitoefening van het recht van uitweg van [eiser] c.s. over perceel 2243 op enigerlei wijze te belemmeren (bij voorbeeld door daarop auto’s te parkeren), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per overtreding van dit verbod, tot een maximum van € 25.000,--,

5.3. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

5.5. compenseert de kosten van de procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt

IN RECONVENTIE:

5.6. wijst de vorderingen af,

5.7. veroordeelt [gedaagde] c.s. in de kosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde van [eiser] c.s. bepaald op € 452,-- voor salaris procureur,

5.8. verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2006.

De griffier De rechter