Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3855

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
AWB 06/122 en 06/1143
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2008:BD2813, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindigingsovereenkomst. Outplacement. Opschorting wegens ziekte. Hervatting outplacement na hersteldverklaring. Arbeidsgeschiktheid voor eigen werk is niet bepalend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/122 en 06/1143

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.C. Frissart-Kallenbach,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe, verweerder, vertegenwoordigd door mr. L.S. van Loon.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluiten van verweerder van 30 november 2005 en 21 februari 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2005 heeft verweerder eiseres met ingang van 13 juli 2005 'beter gemeld'.

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft verweerder aan eiseres op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ingaande 6 oktober 2005 eervol ontslag verleend.

Tegen genoemde besluiten zijn namens eiseres op 29 augustus 2005, respectievelijk 13 oktober 2005, bezwaarschriften ingediend.

Bij de in rubriek 1 genoemde besluiten heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en genoemde besluiten gehandhaafd, met dien verstande dat de ontslagdatum door verweerder nader is bepaald op 7 oktober 2005. Tevens zijn hierbij de verzoeken van eiseres om vergoeding van de proceskosten in bezwaar afgewezen.

Tegen deze besluiten is beroep ingesteld en door verweerder zijn verweerschriften ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld op de zitting van de rechtbank van 5 oktober 2006. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. J.M. Strijbosch en R.V. Mekking, ambtenaren der gemeente, bijgestaan door mw. mr. L.S. van loon, werkzaam bij Capra te 's Hertogenbosch.

3. Overwegingen

Eiseres was laatstelijk in dienst van verweerders gemeente werkzaam als systeembeheerder. Op 31 maart 2003 is tussen partijen een overeenkomst (verder: de overeenkomst) gesloten, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat eiseres van 1 maart 2003 tot 1 februari 2004 op kosten van verweerder gaat deelnemen aan een outplacementtraject, in verband waarmee zij volledig wordt vrijgesteld van werkzaamheden. In artikel 5 is bepaald dat aan eiseres met ingang van 1 februari 2004 eervol ontslag zal worden verleend op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO en dat aan eiseres, indien zij vóór genoemde datum elders geen nieuwe baan heeft aanvaard, een werkloosheidsuitkering ter hoogte van de wettelijke WW-uitkering en de bovenwettelijke (aanvullende en aansluitende) uitkeringen worden gegarandeerd.

Artikel 11 van de overeenkomst luidt als volgt:

'Ingeval van langdurige arbeidsongeschiktheid (langer dan 6 weken), door onderzoek van de bedrijfsarts geobjectiveerde arbeidsongeschiktheid langer dan 6 weken, wordt de einddatum van 1 februari 2004, zoals bedoeld in artikel 5 van deze overeenkomst, verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de langdurige arbeidsongeschiktheid.'

Eiseres is op 7 november 2003 arbeidsongeschikt geworden als gevolg van schouderklachten, in verband waarmee het outplacementtraject werd opgeschort. Bij besluit van het UWV van 9 februari 2005 is aan eiseres met ingang van 4 februari 2005 een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Aan deze beslissing ligt ten grondslag dat eiseres geschikt wordt geacht voor enkele met name genoemde functies waarmede zij een inkomen ter hoogte van ruim 75% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Dit besluit is rechtens onaantastbaar geworden.

Bij brief van 27 april 2005 heeft verweerder eiseres ervan in kennis gesteld dat van haar wordt verwacht dat zij het outplacementtraject met ingang van 2 mei 2005 weer vervolgt. Nadat hiertegen namens eiseres bedenkingen waren ingediend heeft verweerder nadere informatie bij het UWV en de bedrijfsarts ingewonnen. Op grond van deze informatie en adviezen heeft verweerder het besluit van 23 augustus 2005 genomen. In lijn hiermee heeft verweerder met toepassing van artikel 5 van de overeenkomst van 31 meert 2003 het in rubriek 2 genoemde ontslagbesluit van 3 oktober 2005 genomen. Deze besluiten zijn - met wijziging van de ingangsdatum van het ontslag - bij de thans bestreden besluiten van 30 november 2005 en 21 februari 2006 gehandhaafd.

De kern van het geschil tussen partijen beperkt zich in beide zaken tot de vraag of verweerder een juiste uitleg heeft gegeven aan het hiervoor weergegeven artikel 11 van de overeenkomst. Naar het oordeel van eiseres moet onder 'langdurige arbeidsongeschiktheid' als bedoeld in dit artikel worden verstaan arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, zoals ook in gelijke zin gedefinieerd in artikel 1, eerste lid aanhef en onder w, van de CAR/UWO. Omdat eiseres ten tijde van belang voor 15-25 % arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO, heeft verweerder haar naar haar oordeel ten onrechte 'hersteld' verklaard voor het hervatten van het outplacementtraject en dientengevolge ook op onjuiste gronden ontslag verleend.

Naar verweerders oordeel is met artikel 11 van de overeenkomst slechts beoogd de termijn van outplacement te verlengen met de periode waarin eiseres als gevolg van langdurige arbeidsongeschiktheid niet in staat zou zijn aan dit traject deel te nemen. De kennelijke strekking van dit artikel is volgens verweerder uitsluitend om een onvoorziene periode van arbeidsongeschiktheid van eiseres gedurende meer dan 6 weken geen afbreuk te laten doen aan de effectieve termijn van 10 maanden ten behoeve van outplacementactiviteiten. Zulks houdt naar verweerders oordeel in dat bij een mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO van 15 tot 25 % er mitsdien een aanzienlijke restcapaciteit is voor gangbare arbeid, ter verkrijging waarvan het outplacementtraject bij uitstek kan worden aangewend.

De rechtbank stelt voorop dat de tussen partijen gesloten overeenkomst uit een oogpunt van rechtszekerheid voor beide partijen het uitgangspunt dient te zijn voor jegens eiseres te nemen rechtspositionele besluiten. Zulks is in casu ook niet door eiseres betwist.

De rechtbank onderschrijft verder verweerders uitleg van artikel 11 van de overeenkomst. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat onder het begrip 'arbeidsongeschiktheid' in de zin van artikel 11 niet (uitsluitend) dient te worden verstaan de medische ongeschiktheid voor de maatmanfunctie. Gelet op de bewoordingen van dit artikel en de context waarin het moet worden gelezen, bestaan geen aanknopingspunten voor de opvatting van eiseres dat zij, zolang zij enige WAO-uitkering ontvangt, als arbeidsongeschikt in de zin van artikel 11 van de overeenkomst moet worden aangemerkt. Zulks zou immers niet alleen tot de gevolgtrekking leiden dat eiseres, zolang zij enige uitkering krachtens de WAO ontvangt, zich aan uitvoering van de in de overeenkomst gemaakte afspraken zou kunnen onttrekken, terwijl zij anderzijds met inachtneming van de uitgangspunten van de WAO over een aanzienlijke restcapaciteit voor gangbare arbeid beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank is de kennelijke strekking van de overeenkomst geen andere dan dat eiseres met ondersteuning van het outplacementtraject naar een passende functie buiten verweerders organisatie wordt begeleid. Dat zulks pas in gang zou kunnen worden gezet nadat eiseres volledig geschikt zou zijn verklaard voor haar (eigen) maatmanfunctie, zoals namens eiseres is betoogd, vindt geen steun in genoemd artikel 11 van de overeenkomst. De door de gemachtigde van eiseres ter zitting genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 november 2004 (TAR 2005/8) maakt dit niet anders. In die uitspraak is – voor zover hier van belang – vastgesteld dat betrokkene op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst aanspraak had op wachtgeld. Daartoe was, anders dan in onderhavig geval, de interpretatie van een in een overeenkomst gebezigd begrip niet aan de orde.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voor de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat eiseres in het voorjaar van 2005 zodanig hersteld was van haar klachten dat zij redelijkerwijs in staat moest worden geacht het outplacementtraject weer op te pakken. Zulks vindt bevestiging in de omstandigheid dat zij vanaf 2 februari 2005 door het UWV voor (niet meer dan) 15-25 % arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is verklaard, welke beslissing door eiseres niet is aangevochten. Op grond hiervan zou eiseres, indien zij ten tijde van belang aangewezen was op een aanvullende uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke uitkeringen op grond van de CAR/UWO, zelfs gehouden zijn zich inspanningen te getroosten om aansluitend vervangende arbeid te aanvaarden. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan deze gehoudenheid bij het nog voortbestaan van het dienstverband met verweerder en bij het licht van de tussen partijen gesloten overeenkomst niet aanwezig zou zijn. Dat eiseres, naar zij heeft aangevoerd, de werkzaamheden bij de gemeente Renkum, waar zij tijdelijk was gedetacheerd, nog niet volledig kon uitvoeren, kan hieraan niet afdoen. De bedrijfsarts heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de geschiktheid voor passende functies, zoals genoemd in het besluit van het UWV van 9 februari 2005, als uitgangspunt had te gelden. Voorts moet worden geoordeeld dat eventuele (gedeeltelijke) ongeschiktheid voor die tijdelijke werkzaamheden onverlet laat dat eiseres ten tijde van belang voor een aantal functies, waaronder die van programmeur, systeembeheerder en computeroperator, medisch geschikt was bevonden. Dit wordt niet anders door het feit dat eiseres bij besluit van 16 februari 2006 met ingang van 28 februari 2006 voor 35-45 % arbeidsongeschikt is geacht, nu deze datum immers geruime tijd na de thans relevante data is gelegen.

Het vorenoverwogene kan tot geen andere conclusie leiden dan dat verweerder eiseres op goede gronden met ingang van 13 juli 2005 'beter' heeft gemeld, in die zin dat eiseres vanaf die datum weer geacht kon worden het outplacementtraject te vervolgen. Met de keuze van deze datum heeft verweerder eiseres naar het oordeel van de rechtbank, gezien het eerder overwogene, ook geenszins te kort gedaan. Zulks impliceert, naar als zodanig niet in geschil is, dat aan eiseres met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO jo. artikel 5, lid 1, van de overeenkomst ingaande 7 oktober 2005 ontslag kon worden verleend. Hetgeen door en namens eiseres voor het overige tegen de bestreden besluiten is aangevoerd laat deze conclusie onverlet, zodat de rechtbank hieraan voorbij zal gaan.

Resteert nog de vraag of verweerder eiseres op goede gronden geen vergoeding heeft toegekend van de door haar gemaakte proceskosten in bezwaar.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, samengevat en voor zover hier van belang, worden deze kosten aan een belanghebbende op zijn verzoek uitsluitend vergoed voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Blijkens de toelichting bij dit artikel vindt herroeping plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot intrekking of wijziging van het primaire besluit. De rechtbank stelt vast dat verweerder het primaire besluit van 4 oktober 2005 in die zin heeft gewijzigd dat de ingangsdatum van het ontslag niet op 6 maar op 7 oktober is bepaald. Zulks is geschied omdat verweerder bij de heroverweging van dit besluit in het kader van de bezwarenprocedure heeft vastgesteld dat de ontslagdatum, uitgaande van 86 nog resterende dagen te rekenen vanaf 13 juli 2005, ten onrechte op 6 oktober was vastgesteld. De rechtbank kan hieraan slechts de conclusie verbinden dat de aanvankelijke vaststelling van de ontslagdatum op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, hetgeen als een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid moet worden beschouwd. De consequentie hiervan is dat het primaire besluit derhalve geacht moet worden te zijn herroepen voor zover het de ingangsdatum van het ontslag betreft.

Nu niet is gesteld of gebleken dat niet aan de overige vereisten voor toepassing van artikel 7:15 Awb is voldaan, moet worden geoordeeld dat het beroep tegen het besluit van 21 februari 2006 in dit opzicht gegrond is en dat dit besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72 van de Awb zelf in de zaak voorzien en bepalen dat verweerder de proceskosten in bezwaar aan haar vergoedt tot een bedrag van € 644.

De rechtbank acht om die reden tevens termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 322 ter zake van rechtsbijstand. Hierbij wordt aanleiding gezien de wegingsfactor te bepalen op 0,5, omdat de vernietiging slechts ziet op een zeer ondergeschikt deel van het besluit van 21 februari 2006.

Voor toekenning van schadevergoeding, kennelijk op de voet van artikel 8:73 van de Awb, ziet de rechtbank geen aanleiding, reeds omdat van dergelijke schade niet is gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gezien artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2006 gegrond, voorzover daarbij het verzoek om vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb is afgewezen;

vernietigt dit besluit in zoverre;

bepaalt dat verweerder deze kosten tot een bedrag van € 644 aan eiseres vergoedt;

verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 322, te betalen door de gemeente Overbetuwe;

wijst het verzoek om schadevergoeding af;

bepaalt dat de gemeente Overbetuwe het door eiseres in de zaak met registratienr. 06/122 gestorte griffierecht ad € 141 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de

Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: