Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3086

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-11-2006
Datum publicatie
28-11-2006
Zaaknummer
AWB 06/2536
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kostenwet invordering rijksbelastingen. Kosten dwangbevel.

Meerdere aanslagen niet verplicht in 1 dwangbevel: hoogte van de wettelijk vastgelegde kosten in beginsel niet toetsbaar door de rechter.

Tenuitvoerlegging: civiele rechter bevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1803
FutD 2006-2214
V-N 2007/24.22

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2536

Uitspraakdatum: 24 november 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

[gemachtigde],

en

de ontvanger van de Belastingdienst [te P.], verweerder,

[gemachtigde].

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser op 31 januari 2006 twee dwangbevelen gezonden om betaling te verkrijgen van de aanslag Inkomstenbelasting 1990 (hierna: IB 1990), aanslagnummer [ ] met dagtekening 31 december 2002 ad € 10.106, en van de aanslag Vermogensbelasting 1991 (hierna: VB 1991), aanslagnummer [ ] met dagtekening 31 december 2002 ad € 4.140. Bij die dwangbevelen zijn vervolgingskosten aan eiser in rekening gebracht van € 703 (aanslag IB 1990) respectievelijk € 307 (aanslag VB 1991).

Verweerder heeft bij uitspraak op administratief beroep van 24 april 2006 het bedrag van de in rekening gebrachte vervolgingskosten gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 27 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 28 april 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2006 te Arnhem. Beide partijen waren met bericht aan de rechtbank afwezig.

2. Feiten

Tegen de aanslagen IB 1990 en VB 1991 is door eiser bezwaar gemaakt. Op 23 juli 2004 is uitspraak op de bezwaarschriften gedaan. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld bij het Hof Arnhem. Voor de beroepsfase heeft eisers gemachtigde om uitstel van betaling verzocht. Dit uitstel is niet verleend, omdat de gevraagde zekerheid niet kon worden verstrekt.

De mondelinge behandeling van het beroep stond gepland op 27 maart 2006.

Op 10 november 2005 is eiser voor het laatst gesommeerd tot betaling van de aanslagen. Daaraan is niet voldaan, waarna de invordering is opgestart.

Op 20 januari 2006 is voor beide aanslagen een aanmaning aan eiser verzonden. Betaling bleef ook daarna achterwege.

Op 7 februari 2006 heeft verweerder het huisraad van eiser afgevoerd.

3. Geschil

In geschil is of de hoogte van de in rekening gebrachte vervolgingskosten juist is. Eiser voert aan dat verweerder de kosten had kunnen beperken door slechts één dwangbevel te betekenen in plaats van twee. Bovendien is eiser van mening dat de kosten te hoog zijn, omdat deze in geen enkele redelijke verhouding staan tot de daadwerkelijke kosten van de per post verzonden dwangbevelen.

4. Beoordeling van het geschil

Verweerder was niet verplicht om te kiezen voor het uitbrengen van één dwangbevel voor beide aanslagen. In artikel 12 van de Invorderingswet 1990 staat namelijk dat het dwangbevel betrekking “kan” hebben op verschillende belastingaanslagen, hetgeen uitdrukt dat verweerder hiertoe niet verplicht is.

Onder omstandigheden kan verweerder handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur indien hij niet kiest voor het combineren van meerdere aanslagen in één dwangbevel. Dergelijke omstandigheden zijn hier echter niet aan de orde, aangezien de kosten in dit geval nauwelijks lager zouden zijn geweest (€ 31) als verweerder wel had gekozen voor de combinatie van twee aanslagen op één dwangbevel.

Artikel 3 lid 1 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: Kostenwet) bepaalt:

“Voor het betekenen van een dwangbevel met bevel tot betaling is verschuldigd € 34 verhoogd met € 3 van elk heel bedrag van € 45 waarmee de gevorderde som € 45 te boven gaat, met dien verstande dat niet meer verschuldigd is dan € 10.140.”

Indien de twee aanslagen op één dwangbevel worden ingevorderd, worden de kosten berekend op basis van de bedragen van beide aanslagen tezamen. De kosten worden dan dus (vrijwel) evenredig hoger.

Het belang bij één dwangbevel dringt zich wel op indien de kosten boven het wettelijke maximumbedrag per dwangbevel uitkomen. Hierin is overigens voorzien in de Leidraad Invordering 1990, waarin is bepaald (par. 4 onder 1 bij Hoofdstuk XII) dat ook bij meerdere dwangbevelen niet meer betekeningskosten zijn verschuldigd dan € 10.140. In dit geval is de kwestie van de overschrijding van het maximum echter niet aan de orde. De in rekening gebrachte kosten van beide dwangbevelen (€ 703 + € 307 = € 1.010) tezamen blijven ruim onder dat maximum.

Wat de hoogte van de kosten betreft, geldt dat deze is vastgelegd in de Kostenwet en dat verweerder de kosten in overeenstemming met de Kostenwet heeft berekend. Of de hoogte redelijk is in verhouding tot de daadwerkelijk gemaakte kosten van invordering, staat derhalve niet ter beoordeling van de rechtbank. De wetgever heeft in dit verband opgemerkt (MvT, Kamerstukken II, 1983/84, 17 155, nr. 3):

“De Kostenwet is gebaseerd op het uitgangspunt dat de kosten die voor de overheid zijn verbonden aan het invorderingsapparaat dat nodig is om onbetaald gebleven bedragen te innen, niet dienen te worden afgewenteld op de samenleving als geheel doch dienen te worden gedragen door hen die deze kosten veroorzaken, dat wil zeggen degenen die in gebreke zijn gebleven om het verschuldigde tijdig te voldoen. Het gaat daarbij om vaste in de Kostenwet zelf vermelde kostenbedragen, ongeacht of in het specifieke geval de werkelijk gemaakte kosten meer of minder bedragen.”

Sinds 1 januari 2004 is het ook mogelijk om een dwangbevel per post te versturen. Dit is niet van invloed op de kostenberekening.

Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat de invordering van vervolgingskosten in zijn specifieke geval onredelijk en onbillijk is.

Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval de vervolgingskosten terecht en naar het juiste bedrag aan eiser in rekening heeft gebracht.

Voor zover het beroep van eiser mede is gericht tegen het door verweerder afvoeren van zijn huisraad, is het niet-ontvankelijk aangezien hiertegen geen beroep bij de belastingrechter open staat. Ingevolge artikel 17 van de Invorderingswet is de civiele rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Ten overvloede wijst de rechtbank eiser op de regeling in de Leidraad Invordering 1990, artikel 14, par. 2 onder 10, waarin is neergelegd onder welke omstandigheden verweerder beslagen roerende zaken mag wegvoeren.

Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J Leenders, griffier, op 24 november 2006.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.