Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ2616

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
20-11-2006
Zaaknummer
97996
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft gedaagden bij het tussenvonnis de gelegenheid gegeven zich over het door eiser in het geding gebrachte rapport van Groot Expertisebureau B.V. uit te laten. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 97996 / HA ZA 03-492

Vonnis van 6 september 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te Arnhem,

eiser,

procureur mr. J.B.R. Daniels,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Arnhem,

gedaagde,

procureur mr. A.T.L. van der Meulen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Arnhem,

gedaagde,

niet verschenen,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Arnhem,

gedaagde,

niet verschenen,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te Doorwerth,

gedaagde,

procureur mr. P.A.C. de Vries,

advocaat mr. P.R.M. van Noppen te Arnhem,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te Doorwerth,

gedaagde,

procureur mr. P.A.C. de Vries,

advocaat mr. P.R.M. van Noppen te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 april 2006,

- de akte aan de zijde van [gedaagde sub 5],

- de akte aan de zijde van [gedaagde sub 4],

- de akte uitlating aan de zijde van [gedaagde sub 1],

- de akte uitlating aan de zijde van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank heeft gedaagden bij het tussenvonnis van 5 april 2006 de gelegenheid gegeven zich over het door [eiser] in het geding gebrachte rapport van Groot Expertisebureau B.V. uit te laten. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

2.2. Bij genoemd tussenvonnis is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat aan de berekening van de inkomensschade van [eiser] ten grondslag moet liggen dat [eiser], het verlies van zijn oog weggedacht, per 1 september 2002 nationaal vrachtwagenchauffeur zou zijn geworden en per 1 september 2007 internationaal chauffeur. De rechtbank stelt thans voorop – zoals [gedaagde sub 1] ook aanvoert – dat de door Groot Expertisebureau gemaakte berekening aan dit oordeel zal dienen te worden aangepast. Daarnaast oordeelt de rechtbank ten aanzien van de door gedaagden aangevoerde tegenwerpingen tegen de berekening van Groot Expertisebureau als volgt.

2.3. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hebben aangevoerd dat de kansen op werk voor een Nederlandse internationaal chauffeur danig zijn geslonken door de met enkele Oost-Europese landen gesloten toetredingsovereenkomsten tot de EU, zodat een voltooide carrière tot aan de pensioengerechtigde leeftijd geen reële toekomstverwachting is voor een Nederlands internationaal chauffeur en het handhaven van de royaal uitgevallen CAO-regelingen geen reële verwachting kan zijn. Hieruit (en uit de leeftijd van [eiser] per 1 september 2007) trekken zij de conclusie dat voor de berekening van het verlies van verdienvermogen rekening gehouden moet worden met een carrière als internationaal chauffeur van maximaal acht jaar. Verder stellen zij dat de ontwikkelingen op het gebied van de VUT en prepensioen niet de verwachting rechtvaardigen dat [eiser] daarvoor in aanmerking zal komen.

2.4. De rechtbank gaat aan deze tegenwerpingen voorbij. Bij het tussenvonnis van 5 april 2006 heeft de rechtbank omtrent de grondslag van de berekening van verlies van verdienvermogen beslist, in die zin dat uitgangspunt moet zijn dat [eiser] per 1 september 2002 nationaal chauffeur zou zijn geworden en per 1 september 2007 internationaal chauffeur. Daaruit vloeit, zij het impliciet, voort dat vanaf die data sprake zou zijn geweest van een vast dienstverband. Het relatieve lage aandeel vast dienstverband en de terugloop in werkgelegenheid in het internationale goederenvervoer vanaf 2004 zijn immers reeds in rechtsoverweging 2.16 van het tussenvonnis van 5 april 2006 meegewogen als een kwade kans bij het vaststellen van de ingangsdatum van [eiser]s aanstelling als internationaal chauffeur. Van die beslissing wordt thans niet meer teruggekomen, omdat het een bindende eindbeslissing is. Voorzover [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] betwisten dat [eiser] meer dan acht jaar als internationaal chauffeur werkzaam had kunnen zijn, gaat de rechtbank hieraan eveneens voorbij. Deze betwisting is gebaseerd op slechts in algemene bewoordingen gestelde concurrentie van chauffeurs uit Oost-Europese landen. Aldus is die stelling onvoldoende onderbouwd, terwijl verslechterende arbeidsmarktomstandigheden bovendien bij de reeds gemaakte afweging van goede en kwade kansen zijn betrokken.

2.5. Aan de stelling dat gezien de huidige maatschappelijke ontwikkelingen minder kans bestaat op een prepensioen op 60-jarige leeftijd zal in zoverre tegemoet worden gekomen, dat bij herberekening zal dienen te worden uitgegaan van de op het moment van herberekening geldende prepensioenregelingen. Gaan die uit van de door Groot Expertisebureau gehanteerde prepensioendatum van 17 maart 2020, dan conformeert de rechtbank zich daaraan. Voorzover [gedaagde sub 4]r en [gedaagde sub 5] nog hebben willen stellen dat die regelingen in de toekomst verder zullen versoberen, wordt aan die stelling als te algemeen en te weinig concreet onderbouwd voorbij gegaan.

2.6. [gedaagde sub 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van een overwerkvergoeding van 50% in plaats van 100%, nu voor overwerk op de zaterdag een toeslag van 50% geldt en het overwerk merendeels op zaterdag zal plaats vinden. [eiser] heeft dit niet bestreden, maar gesteld dat het er naar uit ziet dat Groot Expertisebureau met de overwerktoeslag in het geheel geen rekening heeft gehouden, maar uitsluitend het basissalaris bij de berekening van overuren heeft gehanteerd. Nu een herberekening zal dienen te worden gemaakt, kan ook met dit punt rekening worden gehouden. Indien de stelling van [eiser], dat slechts rekening is gehouden met het basissalaris, juist is, behoeft het rapport op dat punt niet te worden aangepast. Indien de stelling van [gedaagde sub 1], dat een gemiddelde overwerkvergoeding van 100% is berekend juist is, dan dient die te worden bijgesteld tot 50%.

2.7. [gedaagde sub 1] voert verder aan dat Groot Expertisebureau geen rekening heeft gehouden met de zogenoemde tijd-voor-tijdregeling. De rechtbank deelt dit bezwaar niet. Uit pagina 6 van het rapport blijkt dat bij de berekening is uitgegaan van een voor chauffeurs in het beroepsgoederenvervoer gebleken gemiddelde werkweek van 57 uur. Dat uitgangspunt komt de rechtbank niet onredelijk voor. Verder gaat het rapport ervan uit dat met de tijd-voor-tijdregeling geen rekening behoeft te worden gehouden omdat deze slechts geldt voor werkuren van maandag tot en met vrijdag (waarbij een maximum geldt van 220 uur per 4 weken), zodat overwerkuren in het weekend daar niet onder vallen. Nu [gedaagde sub 1] niet heeft betwist dat [eiser], zou hij een gemiddelde werkweek als chauffeur in het beroepsgoederenvervoer hebben gehad, minimaal gemiddeld twee uur per weekend zou hebben overgewerkt, is dit uitgangspunt juist.

2.8. Tenslotte stelt [gedaagde sub 1] dat [eiser] zijn salarisspecificaties over 2004, 2005 en 2006 zal dienen over te leggen opdat kan worden beoordeeld wat zijn daadwerkelijke overuren zijn geweest, en zijn salarisspecificatie van december 2003, opdat zijn kerstgratificatie c.q. eindejaarsuitkering kan worden beoordeeld. Aan de hand van deze gegevens zal de schadeberekening dienen te worden aangepast, aldus [gedaagde sub 1]. Allereerst merkt de rechtbank op dat de salarisspecificatie over december 2003 als bijlage 2 bij het rapport is gevoegd, zodat het bezwaar van [gedaagde sub 1] terzake op een kennelijke vergissing berust. Bij de herberekening zal met het daadwerkelijk genoten salaris over 2004, 2005 en 2006 rekening kunnen worden gehouden (en met het daaruit blijkende aantal overuren), zodat [eiser] die aan Groot Expertisebureau zal dienen over te leggen.

2.9. Nu de gedaagden op de overige uitgangspunten van het rapport van Groot geen opmerkingen hebben gemaakt, kunnen die gehandhaafd blijven.

2.10. [eiser] heeft aangeboden een nadere berekening op basis van de door de rechtbank vastgestelde uitgangspunten in het geding te brengen. De rechtbank zal hem daartoe in de gelegenheid stellen en de zaak daartoe naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte.

Bij deze berekening dient ervan te worden uitgegaan dat [eiser], het verlies van zijn oog weggedacht, per 1 september 2002 een vaste aanstelling als nationaal chauffeur zou hebben gekregen (met een salariëring op basis van schaal D van de CAO voor het beroepsgoederenvervoer over de weg) en per 1 september 2007 (en dus niet per 1 januari 2007, zoals [eiser] in zijn akte van 28 juni 2006 tot uitgangspunt lijkt te nemen) een vaste aanstelling als internationaal chauffeur (met een salariëring op basis van schaal E van deze CAO). [eiser] dient verder aan Groot Expertisebureau zijn salarisgegevens over 2004, 2005 en 2006 over te leggen, zodat de berekening daaraan (en aan het aantal daaruit blijkende overuren) kan worden aangepast. Tenslotte zal Groot Expertisebureau het bepaalde in de rechtsoverwegingen 2.5 (ten aanzien van de prepensioenregeling) en 2.6 (ten aanzien van de gemiddelde overwerkvergoeding) in acht dienen te nemen.

2.11. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van 4 oktober 2006 voor akte aan de zijde van [eiser],

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2006.