Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AZ1197

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-10-2006
Datum publicatie
31-10-2006
Zaaknummer
AWB 06/2458
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is de wijze waarop het 16-jarig kind van eisers wordt begeleid door het Pactum aan te merken als het volgen van onderwijs? Nee. Aan Pactum is opgedragen een advies uit te brengen over mogelijkheden van het kind op het gebied van onderwijs of scholing. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bezigheden tijdens het traject, ondanks enkele schoolse elementen hierin zoals het verplicht aanwezig zijn op werkdagen en het uitvoeren van klassikale activiteiten, niet aan te merken als het volgen van onderwijs in de zin van artikel 7, eerste lid, onder a, van de AKW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/2458

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eisers],

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.W.G.J. IJsseldijk,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 april 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat hun zoon [naam zoon], 16 jaar is en niet als onderwijsvolgend of werkloos wordt aangemerkt zodat zij met ingang van het derde kwartaal van het jaar 2005, geen recht hebben op kinderbijslag. Tevens is besloten dat er geen dringende redenen zijn om van herziening af te zien.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 15 september 2006.

[eiser] is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.W.G.J. IJsseldijk. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de zoon van eisers, [naam zoon], in maart 2005 het onderwijs voortijdig heeft beëindigd en daarom niet op de genoemde peildata als onderwijsvolgend in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) kan worden aangemerkt. Er is geen sprake van een studieonderbreking in de zin van de AKW en [naam zoon] was op de peildata geen arbeidsongeschikt, noch een werkloos kind. Aangezien eisers niet binnen vier weken hebben doorgegeven dat [naam zoon] is gestopt met het volgen van onderwijs ziet verweerder geen dringende reden af te zien van herziening van het recht op kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal van het jaar 2005.

Voor zover het bezwaarschrift is gericht tegen de twee brieven van 31 januari 2006 met daarin de onderwerpen terugbetaling kinderbijslag en boete kinderbijslag heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen en hebben zich op het standpunt gesteld dat [naam zoon] wel degelijk een opleiding volgde en wel aan het Pactum. Volgens eisers is de opleiding gevolgd aan het Pactum onderwijs in de zin van de AKW. In de beschikking is onvoldoende gemotiveerd aangegeven waarom deze opleiding geen onderwijs zou zijn in de zin van de AKW. Ter zitting is bevestigd dat het beroep van eisers zich niet richt tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar.

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten.

[naam zoon] heeft op 16-jarige leeftijd zijn opleiding aan het ROC A12 te Ede voortijdig beëindigd. Door tussenkomst van de afdeling leerplichtzaken van de gemeente Ede is hij door Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, aangemeld bij het Pactum. Uit het document “startafspraken”opgesteld door Pactum daghulp en centrale opvang, blijkt dat [naam zoon] is geplaatst met ingang van 26 september 2005 voor het zorgprogramma daghulp centrale opvang omdat hij is vastgelopen in het onderwijs. Vanaf deze datum is [naam zoon] derhalve begeleid door Pactum. Met ingang van 13 januari 2006 is hij geplaatst bij de Stichting Werktraining.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, onder a, van de AKW heeft de verzekerde voor een kind van 16 of 17 jaar slechts recht op kinderbijslag indien het kind in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld tenminste 213 klokuren per kwartaal.

Ingevolge artikel 14a, eerste lid aanhef en onder a, van de AKW wordt een besluit waarbij kinderbijslag is toegekend, herzien of ingetrokken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15 of 16 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag. Ingevolge het tweede lid kan van herziening of intrekking worden afgezien wanneer er sprake is van dringende redenen.

Tussen partijen is niet in geschil dat [naam zoon] op de peildatum 1 juli 2005 geen onderwijs volgde. Voorts staat vast dat de begeleiding door het Pactum niet kan worden beschouwd als lessen of stage in het kader van een beroepsopleiding zodat op die grond geen recht op kinderbijslag bestaat.

Het geding is derhalve beperkt tot de vraag of [naam zoon] op de andere peildata,

1 oktober 2005 en 1 januari 2006, onderwijs volgde in de zin van artikel 7, tweede lid, onder a, van de AKW.

Ter beantwoording van de vraag of sprake is van onderwijs in de zin van de AKW is in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep een aantal criteria ontwikkeld.

Volgens die criteria is het van belang of de betreffende instelling inzicht heeft in en toezicht houdt op de prestaties van het kind, of het onderwijs gericht is op enig examen, resulterend in een diploma of getuigschrift, en of de opleiding kan leiden tot toegang tot vervolgonderwijs dan wel van de opleiding een nuttig effect mag worden verwacht voor de uitoefening van enige functie of beroep. Deze criteria zijn door verweerder ook vastgelegd in de beleidsregels SVB 2005.

De rechtbank is met eisers van oordeel dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit verzuimd heeft te motiveren waarom de wijze waarop [naam zoon] door het Pactum is begeleid niet is aan te merken als het volgen van onderwijs in de zin van artikel 7, tweede lid, onder a, van de AKW. Eerst in het verweerschrift wordt door verweerder hierop ingegaan, terwijl eisers al in bezwaar nadrukkelijk het standpunt hebben ingenomen dat hun zoon onderwijs volgt bij het Pactum. Uit het bestreden besluit valt de motivering niet af te leiden en evenmin blijkt dat er is getoetst aan de hierboven genoemde beleidsregels. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit derhalve niet behoorlijk gemotiveerd en dient het om die reden te worden vernietigd.

De vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand moeten worden gelaten wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Uit de startafspraken opgesteld door Pactum daghulp en centrale opvang blijkt dat [naam zoon] is geplaatst in de Centrale opvang van Pactum. Vermeld is dat Pactum zich met name zal richten op cognitie/beroepeninteresse en het observeren van schoolse vaardigheden. De vraagstelling luidde onder meer: “welke vorm van onderwijs/scholing is passend voor [naam zoon] rekening houdend met cognitieve capaciteiten, sociaal-emotioneel functioneren, interesses en motivatie?” In het document staat dat als middelen worden ingezet: plaatsing in Dagritmetraining, Persoonsobservatie en Diagnostisch onderzoek (intelligentie en beroepeninteresse).

Uit bovenstaande leidt de rechtbank af dat aan Pactum is opgedragen een advies uit te brengen over mogelijkheden van [naam zoon] op het gebied van onderwijs of scholing. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bezigheden tijdens het traject, ondanks enkele schoolse elementen hierin zoals het verplicht aanwezig zijn op werkdagen en het uitvoeren van klassikale activiteiten, niet aan te merken als het volgen van onderwijs in de zin van artikel 7, eerste lid, onder a, van de AKW.

De rechtbank acht hiervoor van belang dat Pactum niet tot taak heeft het systematisch en georganiseerd overbrengen van kennis door daartoe aangestelde leerkrachten. Pactum is immers een organisatie gespecialiseerd in de jeugdzorg. De taak van Pactum ligt in zijn algemeenheid in de hulpverlenende sfeer. Daarbij wijzen ook de middelen die gekozen zijn voor [naam zoon] zoals de dagritmetraining en observatie, veeleer op een vorm van hulpverlening in plaats van op onderwijs. Voor zover er al sprake is van onderwijselementen in de daghulp, houden deze nog niet in dat er sprake is van onderwijs gericht op enig examen resulterend in een diploma of getuigschrift. Voorts is niet komen vast te staan dat er sprake is van een opleiding, noch dat deze kan leiden tot toegang naar vervolgonderwijs dan wel dat van de opleiding een nuttig effect mag worden verwacht voor de uitoefening van specifieke functies of beroepen.

De vraag of de activiteiten bij Stichting Werktraining wel zijn aan te merken als het volgen van onderwijs, kan in dit geding niet aan de orde komen aangezien deze op een later moment, namelijk vanaf 13 januari 2006, werden uitgevoerd.

Ondanks dat rechtbank oog heeft voor de positieve bijdrage die Pactum kan bieden aan [naam zoon] bij een eventuele terugkeer naar het onderwijs, leidt artikel 7, tweede lid, van de AKW er toe dat het recht op kinderbijslag voor een kind van 16 of 17 jaar gekoppeld is aan het volgen van onderwijs, de aanwezigheid van arbeidsongeschiktheid of van werkloosheid. Nu deze voorwaarden zich hier niet voordoen was verweerder gehouden het recht op kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal van 2005 te herzien. In de door eiseres geschetste omstandigheden en ook overigens acht de rechtbank geen dringende redenen aanwezig op grond waarvan verweerder van herziening had moeten afzien.

Ten aanzien van het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is dat verweerder in vergelijkbare gevallen niet tot herziening van het recht op kinderbijslag is overgegaan. Daarbij strekt dit beginsel niet zo ver dat verweerder daardoor gehouden is een besluit te nemen in strijd met voorschriften van dwingend recht.

Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 7:12 van de Awb, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen waarbij de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand zullen worden gelaten.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eisers met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de Sociale Verzekeringsbank aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de betaling van deze kosten dient te worden gedaan op bankrekening 1923.25.752 ten name van DS 533 arrondissement Arnhem, onder vermelding van het registratienummer 06/2458;

bepaalt voorts dat de Sociale Verzekeringsbank het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 38 aan hen vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. B.M.A. van Eck, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: